Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:6254
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,009 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6254 text/xml public 2026-04-02T13:54:01 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-23 AWB - 25 _ 982 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6254 text/html public 2026-04-02T13:53:43 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6254 Rechtbank Den Haag , 23-01-2026 / AWB - 25 _ 982 Naheffingsaanslag Mrb. Geen schending van door het VWEU gewaarborgde verkeersvrijheden en daarom geen toepassing Verordening 688/2011. Evenmin toepassing van artikel 17 Handvest van de grondrechten EU dan wel artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Naheffingsaanslagen en verzuimboete terecht opgelegd. Beroepen ongegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 25/982 en SGR 25/987 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaken tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 25 oktober 2022 tot en met 24 oktober 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (Mrb) opgelegd, alsmede een verzuimboete van € 1.077 (SGR 25/982). Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 25 oktober 2023 tot en met 24 mei 2024 een naheffingsaanslag Mrb opgelegd (SGR 25/987). Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 3 januari 2025 de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] en [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is blijkens de kentekenregistratie van 25 april 2018 tot en met 24 mei 2024 houder geweest van een motorrijtuig van het merk Toyota, type Combi met het kenteken [kenteken] (de auto). De datum eerste toelating van dit voertuig is 25 april 2018 en vanaf dit moment is het voertuig op naam van eiseres gesteld. 2. De RDW heeft het voertuig op 20 november 2017 gekeurd met inrichtingsomschrijving carrosserietype “BC (Opleggertrekker)”. 3. Op 26 september 2023 heeft een nader onderzoek plaatsgevonden naar de inrichtingseisen van het voertuig. Van deze controle is opgemaakt een rapport “Onderzoek bestelauto met dubbele cabine en gesloten laadruimte”. 4. Verweerder heeft eiser bij brief van 10 juli 2024 meegedeeld dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen die zijn gesteld voor de kwalificatie van ‘bestelauto’ voor toepassing van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB). In deze brief heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om over de periode 25 oktober 2022 tot en met 24 oktober 2023 een naheffingsaanslag Mrb op te leggen ten bedrage van € 2.155 en een verzuimboete van € 1.077. Eiseres heeft hier niet op gereageerd. 5. Met dagtekening 30 augustus 2024 heeft verweerder een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.155 over de periode 25 oktober 2022 tot en met 24 oktober 2023. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag is een boetebeschikking opgelegd van € 1.077. Met dezelfde dagtekening is een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.312 over de periode 25 oktober 2023 tot en met 24 mei 2024. Geschil 6. In geschil is of verweerder de naheffingsaanslagen en de boete terecht heeft opgelegd. 7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de onderhavige heffing van Mrb alsmede de daarbij opgelegde boete strijdig zijn met het Unierecht. 8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de heffing van Mrb niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Verder stelt verweerder dat nu eiseres Mrb verschuldigd was naar het tarief voor een personenauto en niet op aangifte naar dat tarief belasting heeft voldaan, de boete terecht is opgelegd. 9. Tussen partijen is niet in geschil is dat beoordeeld naar alleen nationaal recht de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Beoordeling van het geschil 10. Eiser stelt dat de heffing van Mrb in het onderhavige geval strijdig is met Verordening 678/2011 en/of met de verkeersvrijheden van het VWEU. Daaromtrent overwoog Gerechtshof Amsterdam in een overeenkomstig geval: “5.3. De mrb wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. Er bestaat geen relatie tussen de door belanghebbende genoemde Verordening 678/2011 en de begrippen “personenauto” en “bestelauto” in de Wet mrb. De heffing van de mrb vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale bevoegdheid, te weten de in de Wet mrb neergelegde bevoegdheid om mrb te heffen ter zake van het houden van personenauto’s, bestelauto’s, motorrijwielen, vrachtauto’s en autobussen, dan wel het met dergelijke voertuigen gebruik maken van de weg. De naheffingsaanslag betreft bovendien een zuiver nationale aangelegenheid. (…) De bestreden naheffing heeft plaatsgevonden omdat de auto niet voldoet aan de inrichtingseisen die de Wet mrb stelt voor kwalificatie als ‘bestelauto’. Het hof vermag niet in te zien dat de toepassing van de nationale belastingwetgeving onder deze omstandigheden leidt tot een schending van door het VWEU gewaarborgde verkeersvrijheden.” De rechtbank maakt deze overwegingen tot de hare en is dienovereenkomstig van oordeel dat in dit geval Verordening 688/2011 noch de verkeersvrijheden van het VWEU aan de orde zijn. 11. Eiser stelt voorts dat de heffing van Mrb in het onderhavige geval wordt verhinderd door het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). De bepalingen van het Handvest zijn alleen van toepassing in situaties waarin het Unierecht tot uitvoering wordt gebracht. Zoals hiervoor overwogen is daarvan in dit geval geen sprake, zodat het Handvest toepassing mist. 12. Omdat artikel 17 van het Handvest inhoudelijk overeen komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP) vult de rechtbank de gronden van het beroep van eiser daarmee aan. Zij verwerpt het beroep van eiser op het recht van eigendom, zoals vervat in die bepaling, op grond van overwegingen dat de wetgever met de onderhavige heffing ruim binnen zijn margin of appreciation is gebleven terwijl eiser niet heeft gesteld en ook overigens niet aannemelijk is dat de onderhavige heffing zou voeren tot een individuele en onevenredige last. 13. Bij het oordeel van de rechtbank dat het Unierecht niet van toepassing is en artikel 1 EP niet is geschonden, is buiten geschil dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Dat betekent dat de beroepen tegen de naheffingsaanslagen ongegrond zijn. 14. Bij de naheffingsaanslag over het tijdvak 24 oktober 2022 tot en met 23 oktober 2023 heeft verweerder op de voet van de artikelen 37 van de Wet MRB jo. 67c van de AWR en § 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete opgelegd ten bedrage van 50% van het nageheven bedrag. Voor het opleggen van een verzuimboete op grond van de hiervoor genoemde bepalingen is niet opzet of grove schuld vereist, maar volstaat de constatering dat te weinig belasting op aangifte is voldaan. Wel moet de boete achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). De stelplicht en bewijslast daaromtrent rust op de belastingplichtige. Eiseres heeft niet gesteld dat sprake is van avas; niet met zoveel woorden en evenmin door feiten te stellen waarin avas besloten kan liggen. Daarmee moet het beroep ook voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking ongegrond worden verklaard. Proceskosten 15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.