Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:6162
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,512 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6162 text/xml public 2026-04-02T11:50:27 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-20 C/09/695903 / FA RK 25-9323 & C/09/695905 / FA RK 25-9325 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6162 text/html public 2026-04-02T11:50:03 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6162 Rechtbank Den Haag , 20-02-2026 / C/09/695903 / FA RK 25-9323 & C/09/695905 / FA RK 25-9325 Gezagsuitoefening. Voorlopige zorgregeling in afwachting van het mediationtraject, waarbij de partner van de vader voorlopig niet aanwezig mag zijn bij de omgang. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummers: FA RK 25-9323 (bodemprocedure) en FA RK 25-9325 (223 Rv) Zaaknummers: C/09/695903 (bodemprocedure) en C/09/695905 (223 Rv) Datum beschikking: 20 februari 2026 Gezagsuitoefening Beschikking op de op 4 december 2025 ingekomen verzoeken van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M. de Bluts te Zoetermeer. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C. van der Zalm te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; het F9-formulier van 21 januari 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlage. Op 23 januari 2026 zijn op de zitting van deze rechtbank het verzoek in de bodemzaak en het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gecombineerd behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2015 tot [dag 2] 2022. - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] . - Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. - Bij beschikking van 17 juni 2022 van de rechtbank Limburg is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. - In het ouderschapsplan zijn partijen – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen: - de ouders zijn de volgende vierweekse zorgverdeling overeengekomen: - in week 1 verblijven de kinderen van vrijdagavond tot zondagmiddag bij de vader en voor het overige bij de moeder; - in week 2 verblijven de kinderen van vrijdagavond tot zondagochtend bij de vader en voor het overige bij de moeder; - in week 3 verblijven de kinderen bij de moeder; - in week 4 verblijven de kinderen bij de moeder; - de vader haalt de kinderen op bij school/BSO in de eerste week en brengt ze zondag voor het avondeten naar de moeder om 16.30 uur. In de tweede week haalt de vader de kinderen op school/BSO en brengt de kinderen bij de moeder om 11.30 uur; - de ouder waar de kinderen verblijven, brengt de kinderen naar de andere ouder. - tijdens schoolvakanties en feestdagen kan de zorgverdeling afwijken van bovenstaand schema. Dit zal in onderling overleg met elkaar worden gepland en zal zoveel mogelijk op basis van 50/50 zijn. - de kinderen verblijven in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de tweede drie weken bij de vader, in de oneven jaren andersom. - op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder en op Vaderdag bij de vader. Verzoek en verweer Het verzoek in de bodemprocedure (C/09/695903 / FA RK 25-9323) De moeder heeft verzocht: - de tussen partijen bestaande zorgregeling te wijzigen, althans te bepalen, dat de kinderen bij de vader zullen zijn één zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader haalt en brengt, en voorts te bepalen dat de partner van de vader dan afwezig is, en te bepalen dat deze zorgregeling de huidige zorgregeling vervangt, maar dat de financiële afspraken onverkort van toepassing blijven; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (C/09/695905 / FA RK 25-9325) De moeder heeft verzocht: de huidige zorgregeling te schorsen en een andere zorgregeling vast te stellen, althans te bepalen, dat de kinderen bij de vader zullen zijn één zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader haalt en brengt, en voorts te bepalen dat de partner van de vader dan afwezig is, en te bepalen dat deze zorgregeling de huidige zorgregeling vervangt, maar dat de financiële afspraken onverkort van toepassing blijven; dan wel een zodanige voorlopige andere omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank redelijk acht; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vader heeft in beide zaken verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Het verzoek in de bodemprocedure (C/09/695903 / FA RK 25-9323) Juridisch kader Aangezien de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank heeft, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, tijdens de zitting een vergelijk tussen de ouders beproefd maar het is niet gelukt volledige overeenstemming te bereiken over de zorgregeling. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Ontvankelijkheid De moeder heeft aangevoerd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 17 juni 2022, omdat de kinderen na de echtscheiding in zoverre in afwijking van het ouderschapsplan over het algemeen om het weekend bij de vader verbleven. Ook is de nieuwe partner van de vader (hierna: [naam 2] ) betrokken bij de omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen, in die zin dat zij in de regel aanwezig is in de woning van de vader als de kinderen bij hem zijn. De vader heeft betwist dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die meebrengt dat de zorgregeling wijziging behoeft. In de eerste plaats wordt in de praktijk uitvoering gegeven aan een andere regeling dan vastgelegd en in de tweede plaats heeft de moeder zorgen over de veiligheid van de kinderen als de nieuwe partner van de vader met de kinderen is. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoeken. Standpunt moeder De moeder heeft verzocht om de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat zij verzoekt te bepalen dat de kinderen om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader verblijven en [naam 2] dan niet aanwezig is. De moeder heeft signalen van de kinderen ontvangen dat zij door [naam 2] zijn geslagen. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat de zorgregeling zoals de ouders zijn overeengekomen in het ouderschapsplan niet langer in het belang van de kinderen is. Standpunt vader De vader heeft zich verzet tegen de zorgregeling die de moeder voorstaat. Hij heeft erkend dat er twee incidenten tussen de kinderen en [naam 2] hebben plaatsgevonden. [naam 2] heeft [minderjarige 1] een tik op zijn vingers gegeven. Ook heeft [naam 2] een deodorantfles in de richting van de kinderen gegooid.
Volledig
De vader heeft echter betwist dat er sprake zou zijn van slaan of daadwerkelijk fysiek geweld in de richting van de kinderen door [naam 2] . Daarbij heeft de vader aangevoerd dat er geen aanleiding is om [naam 2] te verbieden aanwezig te zijn als de kinderen bij hem zijn. Volgens de vader voelen de kinderen zich prettig bij [naam 2] en hebben zij een band met haar opgebouwd. Verder heeft de vader gesteld dat een beperking van de zorgregeling met de vader niet in het belang van de kinderen is. Overwegingen rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de kinderen na de echtscheiding voor een lange periode om het weekend van vrijdag uit school/BSO tot zondagavond bij de vader hebben verbleven. Naar aanleiding van de zorgen bij de moeder, heeft de moeder besloten dat de kinderen momenteel op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang met hun vader hebben in het huis van de grootouders vaderszijde. Op de zitting heeft de moeder desgevraagd toegelicht dat zij geen zorgen heeft over de opvoedvaardigheden van de vader of over de veiligheid van de kinderen als zij bij de vader verblijven. De zorgen van de moeder zijn uitsluitend gelegen in de aanwezigheid van [naam 2] bij de omgangsmomenten. De rechtbank kan niet precies vaststellen wat er wel of niet is voorgevallen tijdens de contacten tussen [naam 2] en de kinderen. Duidelijk is wel dat er in ieder geval twee incidenten tussen [naam 2] en de kinderen hebben plaatsgevonden. Tegen die achtergrond acht de rechtbank de zorgen van de moeder dan ook invoelbaar. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken evenwel geen reden om de zorgregeling tussen de vader en de kinderen te beperken. Op de zitting heeft de vader voorgesteld dat [naam 2] tijdelijk niet aanwezig zal zijn bij de contactmomenten met de kinderen. De ouders hebben daar op de zitting afspraken over gemaakt in die zin dat de omgangsregeling zoals die er was weer wordt hervat maar waarbij de vader er voor de komende periode voor zorgt dat [naam 2] daar niet bij aanwezig is. De rechtbank overweegt dat zij het op de langere termijn wel in het belang van de kinderen acht dat [naam 2] weer betrokken wordt bij de omgang met de kinderen. De vader en [naam 2] hebben een bestendige relatie en zij is daarmee dus ook onderdeel van het gezin bij de vader. Op de zitting is met de ouders gesproken over deelname aan mediation. Beide ouders hebben zich bereid verklaard om in mediation te proberen om hun geschilpunten te beslechten. Zij worden daarvoor via het mediationbureau van de rechtbank in contact gebracht met een geschikte mediator. Tijdens het mediationtraject zullen de ouders met elkaar afspraken maken over het op voor de kinderen gepaste wijze betrekken van de nieuwe partners van beide ouders bij de omgang en over het te volgen tijdpad hierin. Ook heeft de mediation tot doel om het vertrouwen van beide ouders in de andere ouder te herstellen. Gedurende het mediationtraject zullen de ouders zich ook inzetten om hun onderlinge communicatie in het belang van de kinderen verbeteren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank als voorlopige zorgregeling vaststellen dat de kinderen van vrijdag uit school/BSO tot zondagavond bij de vader verblijven, conform de zorgregeling die lange tijd feitelijk is uitgevoerd na de echtscheiding, waarbij [naam 2] niet aanwezig zal zijn. Deze voorlopige regeling zal, zoals ook op de zitting besproken, ingaan met ingang van het weekend van 7 februari 2026. Daarbij heeft de moeder op de zitting aangegeven dat de kinderen het eerste omgangsweekend na de zitting van 23 januari 2026 ook al één nacht bij de vader mogen slapen. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders dit zijn nagekomen. De rechtbank zal een definitieve beslissing over de verzoeken in afwachting van het mediationtraject en het verloop van de voorlopige zorgregeling aanhouden tot na te melden pro formadatum. De rechtbank verzoekt de advocaten van de ouders om de rechtbank vóór de pro formadatum te berichten over het resultaat van het mediationtraject, de huidige stand van zaken en het gewenste verdere verloop van de procedure. De rechtbank zal daarna beslissen over de voortgang van de procedure. Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (C/09/695905 / FA RK 25-9325) Omdat op de zitting de verzoeken uit de bodemprocedure zijn behandeld, de rechtbank een tussenbeschikking zal wijzen en de bodemprocedure in afwachting van het mediationtraject en het verloop van de voorlopige zorgregeling zal worden aangehouden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure gedane verzoek daarnaast te behandelen. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder bij gebrek aan belang afwijzen. Beslissing De rechtbank: in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/695903 / FA RK 25-9323 bepaalt dat de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ; voorlopig bij de vader zullen zijn: om de week van vrijdag uit school/BSO tot zondagavond, waarbij geldt dat [naam 2] dan niet aanwezig is; verwijst de ouders naar de bij hen bekende mediator; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 1 juni 2026 pro forma ; uiterlijk op deze pro formadatum moeten de advocaten van de ouders de rechtbank hebben bericht over het resultaat van het mediationtraject, de huidige stand van zaken en de gewenste voortgang van deze procedure; in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/695905 / FA RK 25-9325 wijst het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 februari 2026.