Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:6001
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,037 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6001 text/xml public 2026-03-20T10:29:19 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-11 C/09/696943 / KG ZA 25-1289 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6001 text/html public 2026-03-20T10:28:38 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6001 Rechtbank Den Haag , 11-02-2026 / C/09/696943 / KG ZA 25-1289 KG. Voorlopige zorgregeling onder begeleiding. Geen contra-indicaties voor plaatsvinden omgang. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/696943 / KG ZA 25-1289 Vonnis in kort geding van 11 februari 2026 in de zaak van: [eiseres] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, eiseres, advocaat mr. H. Devkinandan te Zoetermeer. tegen: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden , gevestigd te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J. Brouwer te ’s-Gravenhage, en [gedaagde] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, gedaagde, advocaat: mr. L. da Silva te ’s-Gravenhage. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’, ‘de gecertificeerde instelling’ en ‘de vader’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de door de gecertificeerde instelling overgelegde conclusie van antwoord; 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 1.3. De minderjarigen [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 4] hebben in raadkamer hun mening gegeven. 2 De feiten Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. De vader en de moeder zijn gehuwd op [datum] 2012 te [plaats] , [land] . Bij beschikking van deze rechtbank van 10 maart 2025 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is – gelet op het aanhangige hoger beroep – tot op heden niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.2. Zij zijn de ouders van de volgende, minderjarige kinderen: - [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ; - [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ; - [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ; - [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] ; - [de minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] . 2.3. De vader en de moeder hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. 2.4. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 november 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden. 2.5. Bij beschikking van deze rechtbank van 10 maart 2025 is – naast de echtscheiding en voor zover van belang –: - de voorlopige hoofdverblijfplaats van de kinderen vastgesteld bij de moeder; - ten aanzien van [de minderjarige 2] een [de minderjarige 1] een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij zij één weekend per veertien dagen van vrijdag 15.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de vader zullen zijn, waarbij zij niet bij de vader hoeven te overnachten, indien zij dit niet willen; en bij de vader mogen verblijven op het moment dat zij dit daarbuiten wensen, in overleg met beide ouders te bepalen; - ten aanzien van [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 4] een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij zij bij de vader zijn: de ene week: van donderdag na schooltijd (15.00 uur) tot en met zondag 15.00 uur bij de vader zullen zijn en de andere week: van donderdag na schooltijd (15.00 uur) tot en met vrijdag na schooltijd (15.00 uur); en is iedere verdere beslissing over definitieve hoofdverblijfplaats en zorgregeling aangehouden. 2.6. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 13 juni 2025 zijn de kinderen [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 4] uit huis geplaatst bij de vader. 2.7. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 november 2025 is: - de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 14 november 2026; - de uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 4] bij de vader eveneens verlengd tot 14 november 2026. 3 Het geschil 3.1. De moeder vordert – zakelijk weergegeven –: i. te bepalen dat de kinderen conform de afspraken uit de e-mail van 5 december 2025 en conform randnummer 15 van de dagvaarding bij de moeder zullen zijn, waarbij: a. in de even weken: [de minderjarige 5] en [de minderjarige 4] elke woensdag uit school tot 19.00 uur bij de moeder verblijven; b. in de oneven weken: [de minderjarige 3] elke woensdag uit school tot 19.00 uur bij de moeder verblijft; c. de regeling na drie maanden in onderling overleg zal worden uitgebreid naar eventueel een overnachting; ii. te bepalen dat gedaagden hun onvoorwaardelijke medewerking hieraan zullen verlenen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer nadat de vader en/of de jeugdbescherming in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen, een en ander zonder maximum en uitvoerbaar bij voorraad; iii. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding. 3.2. Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De gecertificeerde instelling zou zich als uitvoerende instantie in moeten zetten voor het contact tussen de moeder en de jongste drie kinderen, maar zij laat dit na. Er zijn herhaaldelijk afspraken gemaakt, maar deze worden vervolgens niet nagekomen. Dat geldt ook voor de meest recente afspraken van 5 december 2025, die in samenspraak met de hulpverlening vanuit Impegno zijn gemaakt. De gecertificeerde instelling weigert hieraan uitvoering te geven en stelt dat zij de kinderen niet kan dwingen als zij niet willen. De moeder heeft [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 4] hierdoor voor het laatst gezien op [geboortedatum 2] 2025. Zij ontvangt ook geen informatie over de kinderen, bijvoorbeeld ten aanzien van de medische conditie van [de minderjarige 3] . De moeder vreest dat de kinderen steeds meer van haar zullen vervreemden, ook omdat ook de vader het contact niet steunt en de kinderen hierin beïnvloedt. Het uitblijven van contact is niet in het belang van de kinderen en er zijn geen contra-indicaties. Het contact moet daarom zo spoedig mogelijk weer worden opgestart. 3.3. De gecertificeerde instelling en de vader voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil Spoedeisend belang 4.1. Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft de moeder allereerst een spoedeisend belang bij haar vordering, gelet op het uitblijven van contact en de mogelijke gevolgen hiervan. Het bestaan van een spoedeisend belang is door de gecertificeerde instelling en de vader ook niet betwist. De moeder is daarom ontvankelijk in haar vorderingen. Inhoudelijke beoordeling 4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het algemeen geldt dat kinderen gebaat zijn bij contact met hun beide ouders. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Zowel in de echtscheidingsbeschikking als in de procedures over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is het belang van contact ook benadrukt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om nu hiervan af te wijken. Tegelijkertijd constateert de voorzieningenrechter ook dat de ouders er niet in zullen slagen om hierover samen afspraken te maken. Ook de jeugdbeschermer lijkt klem te zitten: aan de ene kant wil zij dat er contact is tussen de moeder en de kinderen, maar tegelijkertijd zal zij het vertrouwen van de kinderen verliezen als zij het contact doordrukt. Dit vertrouwen is juist essentieel bij het wegnemen van de andere zorgen over de kinderen, zoals het terugbrengen van het schoolverzuim en inzetten van hulpverlening. 4.3. Bij het laten plaatsvinden van contact is de handelswijze van de beide ouders op dit moment niet helpend. Hoewel de gecertificeerde instelling en de vader aangeven dat hij de kinderen emotionele toestemming geeft voor het contact, heeft de voorzieningenrechter een andere indruk.