Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:5987
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,904 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5987 text/xml public 2026-03-23T17:00:37 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-19 NL25.17049 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5987 text/html public 2026-03-20T08:54:17 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5987 Rechtbank Den Haag , 19-03-2026 / NL25.17049 Asiel, Ethiopië, identiteit, nationaliteit en herkomst zijn ongeloofwaardig, problemen met de Ethiopische autoriteiten zijn ongeloofwaardig, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.17049 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. D. Post). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mocht namelijk de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig achten. Ook de gestelde problemen met de Ethiopische autoriteiten mocht de minister ongeloofwaardig achten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 12 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 april 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Hierbij heeft de minister ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres verklaart de Eritrese nationaliteit te hebben en tot de Tigrinja bevolkingsgroep te behoren. Ze is op vijfjarige leeftijd met haar vader naar Ethiopië gevlucht, omdat haar vader problemen had met de Eritrese autoriteiten. Eiseres is in Ethiopië drie keer gevangen genomen, mishandeld en verkracht door de politie, omdat zij geen identiteitskaart had en deze vanwege haar Eritrese nationaliteit niet kon aanvragen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen met de Ethiopische autoriteiten. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres niet geloofwaardig zijn. Eiseres heeft dit namelijk niet aangetoond met documenten. Daarnaast heeft de minister, na raadpleging van het Europese Visuminformatiesysteem (EU-Vis), vastgesteld dat eiseres met een Ethiopisch paspoort een Pools visum heeft aangevraagd en verkregen. De minister gaat daarom uit van de Ethiopische nationaliteit. Ook de gestelde problemen met de Ethiopische autoriteiten acht de minister niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen, die dit asielmotief onderbouwen, namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Mocht de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig achten? 5. Eiseres betoogt dat de minister haar identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig acht. Zij voert aan dat zij uitsluitend de Eritrese nationaliteit bezit en dat het Ethiopische paspoort vals is. Ter onderbouwing heeft zij een authentieke doop- en huwelijksakte overgelegd. Volgens eiseres is het in strijd met het beginsel van fair trial dat zij de verklaring van het onderzoek over deze documenten pas kort voor de zitting heeft ontvangen, omdat zij daardoor geen contra-expertise heeft kunnen laten uitvoeren. Daarnaast voert eiseres aan dat zij contact heeft opgenomen met de Ethiopische ambassade en heeft zij een verzonden e-mail en foto’s van een bezoek overgelegd. Volgens eiseres rust op de minister een samenwerkingsplicht en had hij nader onderzoek moeten doen. Verder voert eiseres aan dat zij de Eritrese taal spreekt en dat haar halfbroer, van wie de Eritrese nationaliteit is aangenomen, een doopakte heeft met dezelfde naam van de moeder. Ook voert eiseres aan dat zij niet wisselend heeft verklaard over haar geboortedatum, maar dat dit door de tolk verkeerd is omgerekend. Tot slot voert eiseres aan dat zij in beroep aanvullende documenten heeft overgelegd, namelijk een geboorteakte, een echtscheidingsakte en een kopie van de identiteitskaart van haar vader. Voor het ontbreken van een eigen identiteitskaart of paspoort doet eiseres een beroep op bewijsnood, nu zij op jonge leeftijd uit Eritrea is vertrokken. Eiseres betoogt dat de minister het lopende onderzoek naar de geboorte- en echtscheidingsakte moet afwachten. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de informatie in het EU-Vis. Het is aan eiseres om aan te tonen dat die informatie in haar geval onjuist is. Daar is eiseres niet in geslaagd. De minister mocht daarom uitgaan van de EU-Vis registratie. De rechtbank licht dit toe. 5.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres tijdens het nader gehoor een doopakte en een huwelijksakte heeft overgelegd. Ten tijde van het bestreden besluit was de uitkomst van het onderzoek naar deze documenten nog niet bekend. Volgens de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze documenten, gelet op hun aard, niet aantonen dat de informatie in het EU-Vis onjuist. Vervolgens blijkt uit de verklaring van het onderzoek dat de doopakte vals is bevonden en dat de huwelijksakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Deze uitkomst bevestigt dat de overgelegde documenten geen aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de informatie in het EU-Vis. Dat eiseres de verklaring van het onderzoek kort voor de zitting heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Deze resultaten zijn namelijk niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en eiseres heeft in beroep op de verklaring van het onderzoek kunnen reageren. Ook had zij een contra-expertise kunnen opstarten, maar heeft dit niet gedaan. Van een schending van het beginsel van fair trial is volgens de rechtbank dan ook geen sprake. 5.3. Ten aanzien van de gestelde samenwerkingsplicht is de rechtbank van oordeel dat de overgelegde e-mail aan de Ethiopische ambassade en de foto’s van een bezoek daaraan onvoldoende zijn om de minister te verplichten zelf nader onderzoek te doen. Eiseres heeft namelijk niet geconcretiseerd welke gegevens zij aan de ambassade heeft verstrekt om aan te tonen dat haar Ethiopische paspoort vals is. Verder heeft eiseres dit paspoort ook niet meer in het bezit, waardoor de minister de echtheid niet kan laten onderzoeken. Bovendien heeft de minister op de zitting toegelicht dat hij desondanks aanvullend onderzoek heeft verricht door contact op te nemen met de Poolse autoriteiten die het visum hebben afgegeven. Eiseres heeft dit niet betwist. 5.4.
Volledig
De rechtbank is verder van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiseres de Eritrese taal spreekt onvoldoende is om aan te tonen dat de informatie in het EU-Vis onjuist is, nu de gesproken taal niet zonder meer bepalend is voor een nationaliteit. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat zij familie is van haar gestelde halfbroer. De toelichting van eiseres over haar wisselende verklaringen met betrekking tot haar geboortedatum maakt ook niet dat de informatie in het EU-Vis onjuist zou zijn. 5.5. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiseres in beroep een geboorteakte, een echtsscheidingsakte en een kopie van de identiteitskaart van haar vader heeft overgelegd. De geboorteakte en de echtscheidingsakte worden onderzocht bij Bureau Documenten. De minister stelt zich op het standpunt dat dit onderzoek niet hoeft te worden afgewacht, omdat de herkomst en opmaak van deze documenten onduidelijk en tegenstrijdig zijn en eiseres daarnaast eerder valse documenten heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet zelfstandig een oordeel kan geven over de echtheid van deze documenten zolang het onderzoek loopt, maar volgt wel zijn standpunt dat de uitkomst van dit onderzoek niet hoeft te worden afgewacht. Gelet op hetgeen onder 5.2, 5.3 en 5.4 overwogen, hoeft de minister onder die omstandigheden niet het onderzoek bij Bureau Documenten af te wachten. Van bewijsnood is volgens de rechtbank geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet. Mocht de minister de problemen van eiseres met de Ethiopische autoriteiten ongeloofwaardig achten? 6. Eiseres betoogt dat de minister haar problemen met de Ethiopische autoriteiten ten onrechte ongeloofwaardig acht. Zij voert aan dat zij in Ethiopië geen identiteitsdocumenten kon verkrijgen en verwijst daarbij naar een artikel waaruit blijkt dat veel Eritreeërs zonder documenten in Ethiopië verblijven. Daarnaast voert eiseres aan dat zij niet wisselend heeft verklaard over het aanvragen van een identiteitskaart en voert aan dat zij haar eerdere verklaring daarover heeft gecorrigeerd. Tot slot voert eiseres aan dat in Ethiopië sprake was van grootschalige razzia’s waarbij Eritreeërs gevangen werden genomen en onmenselijk werden behandeld. Eiseres voert aan dat zij zelf drie keer gevangen is genomen en verkracht. Ter onderbouwing verwijst zij opnieuw naar het overgelegde artikel. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de problemen van eiseres met de Ethiopische autoriteiten niet geloofwaardig zijn. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd dat zij in Ethiopië geen identiteitsdocument kon verkrijgen en uit het ambtsbericht blijkt dat alle personen die in Ethiopië verblijven het recht hebben op een digitale identiteitskaart. Daar komt bij, zoals hiervoor overwogen, dat uit het EU-Vis blijkt dat eiseres een Ethiopisch paspoort had. Dat eiseres haar wisselende verklaring heeft gecorrigeerd maakt niet dat zij daarmee heeft aangetoond dat zij niet aan een identiteitsdocument kon komen. Bovendien volgt uit het ambtsbericht dat het bezit van een identiteitsdocument niet verplicht is. De minister heeft daarom niet ten onrechte gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiseres gevangen is genomen vanwege het ontbreken van deze documenten. Ten aanzien van de razzia’s is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de verklaringen van eiseres daarover vaag en summier zijn. Omdat de angst voor de razzia’s de directe aanleiding was voor eiseres vertrek, mag van haar verwacht worden dat zij daarover uitgebreider en gedetailleerder kan verklaren. Nu de minister ongeloofwaardig heeft mogen achten dat eiseres gevangen is genomen, mocht hij zich ook op het standpunt stellen dat de gestelde verkrachtingen niet geloofwaardig zijn. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij na haar gestelde verkrachtingen medische hulp heeft gezocht. De beroepsgrond slaagt niet. Mocht de minister de asielaanvraag van eiseres afwijzen als kennelijk ongegrond? 7. Eiseres voert aan dat de minister haar asielaanvraag niet mocht afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat zij geen valse documenten heeft overgelegd en de Nederlandse autoriteiten niet heeft misleid. Daarnaast voert zij aan dat ze niet de enige persoon is die gebruikmaakt van een vals paspoort. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres mocht afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Het gaat er bij dat artikel volgens de rechtbank om dat eiseres probeert in een gunstigere positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Zij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, teneinde in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Zoals onder 5.2 overwogen blijkt uit onderzoek van Bureau Documenten dat eiseres een valse geboorteakte heeft overgelegd. De minister mocht daarom de aanvraag kennelijk ongegrond verklaren. Dat anderen mogelijk ook gebruikmaken van valse documenten maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt. Is het inreisverbod in strijd met artikel 8 van het EVRM? 8. Eiseres voert aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat de minister haar halfbroer wel in Nederland heeft toegelaten en zij al meer dan anderhalf jaar intensief samenleven. Daarnaast staat op hun doopaktes dezelfde naam van de moeder vermeld. Eiseres voert verder aan dat haar halfbroer is geadopteerd, waardoor het afnemen van een DNA-test niet mogelijk is. 8.1. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet heeft onderbouwd wie haar halfbroer is en waaruit hun band bestaat. Bovendien is de doopakte waar eiseres naar verwijst, zoals onder 5.2. overwogen, vals bevonden. De afwijzing van de asielaanvraag van eiseres, en daarmee de oplegging van het inreisverbod, is daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond en mocht een inreisverbod opleggen. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. HvJEU 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431, punt 50 en Rb. Den Haag (zp. Amsterdam) 29 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:1914. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van ABRvS van 12 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1017 en van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661. The Guardian, 28 juli 2022, ‘Eritrean refugees say they are being arbitrarily detained in Ethiopian camps’. Algemeen ambtsbericht Ethiopië 2024, p. 42 e.v. Zie voetnoot 4. Volgens paragraaf C2/7.3 van de Vc 2000.