Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:598
RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/581612 / HA ZA 19-1081 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiseres] BV. , te [vestigingsplaats 2], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiseres], advocaat: mr. Ph.W.M. ter Burg, tegen 1 [gedaagden sub 1], te [woonplaats],2. [gedaagden sub 2] BV. , te [vestigingsplaats 1], gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagden sub 1] respectievelijk [gedaagden sub 2], hierna samen te noemen: [gedaagden] (enkelvoud, vrouwelijk), advocaat: mr. S.E. Streng. 1 Inleiding In conventie en in reconventie Het verloop van de procedure 1.1. Dit vonnis betreft het eindvonnis in de schadestaatprocedure. Zoals in het tussenvonnis van 21 februari 2024 is uiteengezet (onder 1.1) is in de hoofdprocedure komen vast te staan (a) dat [gedaagden sub 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met [eiseres] gesloten samenwerkingsovereenkomst en (b) dat [gedaagden sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres] door, kort gezegd, de samenwerking te frustreren. [gedaagden sub 2] en [gedaagden sub 1] zijn hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiseres] als gevolg daarvan stelt te hebben geleden. In deze schadestaatprocedure moet worden beoordeeld of [eiseres] schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt en, zo ja, hoeveel die schade dan bedraagt. In het tussenvonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank overwogen dat en waarom zij advies nodig heeft van een (of meer) onafhankelijke deskundige(n) alvorens zij bedoelde beoordeling kan maken. 1.2. In het tussenvonnis van 5 juni 2024 heeft de rechtbank overeenkomstig het gezamenlijk verzoek van partijen dr. mr. [deskundige 1] en prof. dr. [deskundige 2] benoemd tot deskundigen en hen bevolen onderzoek te doen voor de beantwoording van de in (2.9 van) dat vonnis geformuleerde vragen. Het vonnis bevat voorts enkele instructies die de deskundigen bij hun onderzoek en de op basis daarvan uit te brengen rapportage in acht moeten nemen. 1.3. Vervolgens heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 24 juli 2024, na te hebben kennisgenomen van de door de deskundigen ingediende begrotingen en nadat partijen zich daarover hebben uitgelaten, de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen vastgesteld op € 80.889,75 (inclusief btw). De rechtbank heeft in dit vonnis ook bepaald dat partijen ieder de helft van het voorschot moeten betalen. 1.4. Na van de griffier te hebben vernomen dat het voorschot is betaald, zijn de deskundigen aan het onderzoek begonnen. Zij hebben op 2 december 2024, na overleg met de rechtbank, een tussenbericht uitgebracht. In dat tussenbericht stellen de deskundigen voor om een onafhankelijke expert onder verantwoordelijkheid van de deskundigen in te schakelen om de vraag te beantwoorden of al dan niet een CE-certificering voor de afslankbeugel als geheel vereist was, ten tijde van het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst, en of deze certificering per heden ook nog vereist is. In het tussenbericht stellen de deskundigen voor om ter beantwoording van die vraag dr. [naam] in te schakelen. Voorts hebben de deskundigen de rechtbank verzocht om, in verband met de kosten van deze expert, te bevelen dat door partijen een aanvullend voorschot wordt voldaan ten bedrage van € 3.000,00 (inclusief btw). Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld op dit voorstel te reageren en ook van die gelegenheid gebruik hebben gemaakt, heeft de rechtbank bij vonnis van 5 februari 2025 de deskundigen toestemming verleend om dr. [naam] als expert en hulppersoon in te schakelen ter beantwoording van voornoemde vraag. Dit vonnis bevat verder nadere instructies in verband met de inschakeling van dr. [naam]. Ten slotte heeft de rechtbank de hoogte van het aanvullend voorschot op de kosten van de deskundigen vastgesteld op € 3.000,00 en bepaald dat partijen ieder de helft van het aanvullend voorscho Tegen deze achtergrond kan naar de mening van Deskundigen het verkrijgingsproces van CE-certificering voor het gehele instrument de omvang en duur van geldstromen en het tijdstip waarop deze worden ontvangen hierdoor worden geraakt. Meer concreet, indien CE-certificering voor de gehele afslankbeugel was benodigd ten tijde van het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst, dan had dit verkrijgingsproces circa drie tot vijf jaar in beslag genomen gelet op het benodigde technische dossier en klinische trials. In paragraaf 8.5 wordt ingegaan op de kosten en duur voor het verkrijgen van een CE-certificering. Derhalve had de afslankbeugel pas tussen 2019 en 2021 op de markt kunnen worden geïntroduceerd. Daargelaten de kosten die samen hangen met het verkrijgen van de vereiste CE-certificering, zou rond die periode ook de beschikbaarheid van medicatie (op basis van injecties en tabletten) haar intrede hebben gedaan als belangrijk alternatief voor de afslankbeugel.” 2.4. [eiseres] heeft, samengevat, twee bezwaren aangevoerd tegen de hiervoor aangehaalde passage in het deskundigenbericht: 1) er was geen CE-certificering vereist voor de afslankbeugel als geheel, en 2) ook in het geval zou gelden dat die certificering toch vereist was, had uitgangspunt voor de schadeberekening moeten zijn de hypothetische situatie dat de afslankbeugel bij aanvang van de samenwerkingsovereenkomst voldeed aan alle wettelijke vereisten voor patiënten, inclusief een CE-certificering voor de afslankbeugel als geheel. [gedaagden sub 2] was immers contractueel verplicht ervoor zorg te dragen dat de beugel voldeed aan de vigerende wet- en regelgeving. Omdat de deskundigen zowel voor wat betreft het eerste als het tweede punt van een andersluidende opvatting zijn uitgegaan, dient aan hun op die opvattingen gebaseerde schadeberekening geen waarde te worden gehecht, aldus [eiseres]. Welke tekortkoming van [gedaagden sub 2] is in de hoofdprocedure vastgesteld? 2.5. De rechtbank zal eerst ingaan op het tweede bezwaar van [eiseres]. Dit bezwaar veronderstelt dat [gedaagden sub 2] op grond van de samenwerkingsovereenkomst verplicht was ervoor te zorgen dat de afslankbeugel als geheel bij aanvang van die overeenkomst voorzien was van een CE-certificering (voor zover die certificering op basis van de geldende regelgeving vereist was). Omdat [gedaagden sub 2] volgens [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van die verplichting, is zij aansprakelijk voor de schade die [eiseres] daardoor heeft geleden, welke schade in deze schadestaatprocedure moet worden begroot. De deskundigen hadden deze tekortkoming, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van [eiseres], bij de vergelijking van de hypothetische situatie met de werkelijke situatie, in de hypothetische situatie moeten “wegdenken” en dat wegdenken niet moeten beperken tot het zogenaamde spaakprobleem. Dit betoog faalt om de volgende redenen. 2.6. Ten opzichte van de hoofdprocedure vormt deze schadestaatprocedure een voortgezette procedure. Dit brengt onder meer mee dat in de hoofdprocedure de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding moet worden vastgesteld. Daarvoor is in de schadestaatprocedure geen plaats. In deze schadestaatprocedure kunnen dus alleen schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door een in de hoofdprocedure vastgestelde tekortkoming in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. In verband hiermee dient te worden beoordeeld of in de hoofdprocedure is vastgesteld dat [gedaagden sub 2] verplicht was ervoor te zorgen dat de afslankbeugel als geheel bij aanvang van de samenwerkingsovereenkomst CE-gecertificeerd was en [gedaagden sub 2] in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten. 2.7. Het gerechtshof heeft in zijn arrest van 4 mei 2021 met betrekking tot de vordering van [eiseres] tegen [gedaagden sub 2], voor zover hier relevant, het volgende overwogen en beslist: “tekortkoming: het verbod op het gebruik van Dyneema Purity 35. [eiseres] stelt dat [gedaagden sub Was bij aanvang van de samenwerking en is thans nog steeds een CE-certificering vereist voor (de samenstellende delen van) de afslankbeugel? 2.9. Voor die beoordeling is het in de eerste plaats van belang vast te stellen wat het beoogde gebruik/de beoogde werking is van de afslankbeugel. Evenals de door de deskundigen ingeschakelde expert, dr. [naam], gaat de rechtbank uit van wat daarover op de website van [gedaagden sub 2] staat vermeld (zoals weergegeven in het rapport van dr. [naam], welk rapport als bijlage 2 is gevoegd bij het deskundigenrapport): “De Smallbite afslankbeugel is een hulpmiddel dat ervoor zorgt dat je je mond niet veel verder dan de dikte van een sneetje brood kan openen (ca. 12 mm). Je kunt gewoon praten, lachen en geeuwen, maar grote happen nemen kan niet meer. Deze beugel werkt specifiek op reflex. Als je je mond voorbij een ingesteld punt opent, geeft een stalen stripje onder je bovenlip een prikkel op het tandvlees. De hersenen “leren” als het ware deze prikkel te vermijden, zodat je veel rustiger gaat eten (…). Je hersenen hebben gemiddeld 20 minuten nodig om een gevoel van verzadiging te krijgen. Je hebt in die 20 minuten echter veel minder dan zonder beugel gegeten. Je bent nu zeker zo voldaan als zonder beugel. Dus eenvoudigweg zonder hongergevoel en met een veel lagere calorie-inname”. De afslankbeugel is bedoeld voor patiënten die willen afvallen, vaak obese patiënten. De duur van het gebruik van de afslankbeugel zou gemiddeld tussen de negen en tien maanden bedragen (continu gebruik). 2.10. In het deskundigenrapport is over de vraag of voor het gebruik van de afslankbeugel als geheel een CE-certificering vereist is, het volgende opgenomen (p. 32, Antwoord op vraag 2f): “8.2.33 Deskundigen zijn van mening dat [eiseres] ten tijde van de Peildatum diende te beschikken over een zogenaamde CE-certificering, allereerst onder de Medical Device Directive (MDD) en later onder de Medical Device Regulation (MDR), voor de gehele afslankbeugel en niet slechts met betrekking tot de spaak. Deskundigen menen dan ook dat een rationele en goed geïnformeerde ondernemer deze CE-certificering zou verkrijgen teneinde (i) te voldoen aan vigerende wet- en regelgeving, en (ii) de kans op commercieel succes te vergroten nu dit voor potentiële patiënten een kwalitieits- en vertrouwenskeurmerk is. Zie hiervoor ook het rapport van [naam]. 8.2.34 Deskundigen zijn er dan ook van overtuigd dat [eiseres] – naast de reguliere verkoop- en marketingkosten – de benodigde kosten had moeten maken teneinde de CE-certificering te verkrijgen. Zoals blijkt uit het rapport van [naam] zijn volgens Europese regelgeving zowel het hebben c.q. op orde brengen van een technisch dossier alsook CE-markering onder de MDD-richtlijn noodzakelijk vóórdat een medisch instrument commercieel in de markt mag worden verkocht.” 2.11. In artikel 1 onder 2 a) MDD wordt de volgende definitie gegeven van “medisch hulpmiddel” in de zin van de richtlijn: “elk instrument, toestel of apparaat, elke stof of elk ander artikel dat of die alleen of in combinatie wordt gebruikt (…) en dat of die door de fabrikant bestemd is om bij de mens voor de volgende doeleinden te worden aangewend: - diagnose, preventie, bewaking, behandeling of verlichting van ziekten; - diagnose, bewaking, behandeling, verlichting of compensatie van verwondingen of een handicap, (…) waarbij de belangrijkste beoogde werking in of aan het menselijk lichaam niet met farmacologische of immunologische of door metabolisme wordt bereikt, maar wel door dergelijke middelen kan worden ondersteund.” 2.12. Een soortgelijke omschrijving van medisch hulpmiddel is vervat in artikel 2.1 MDR. Dr. [naam] beschrijft in haar rapport dat de afslankbeugel uit verschillende onderdelen bestaat: brackets, draden, spaak en enkele plastic onderdelen. Ten aanzien van het gehele product, de afslankbeugel, komt zij, onder verwijzing naar de genoemde bepalingen van de MDD en de MDR, tot de volgende conclusie: “De werking van Dit breng bijvoorbeeld mee dat een bestaande CE-certificering van de brackets voor orthodontisch gebruik daarvoor niet aangewend had kunnen worden. Zoals dr. [naam] in haar rapport (pagina 9) terecht opmerkt is de afslankbeugel (anders dan de orthodontische beugel) immers niet bedoeld om tandstand reconstructie te bewerkstelligen. Dit betekent dat voor alle losse delen van de afslankbeugel een (nieuwe) CE-certificering had moeten worden verkregen voor het beoogde gebruik als onderdeel van de afslankbeugel en dat dus per los onderdeel het gehele proces (het opstellen van een technisch rapport, van een QMS en de review door een Notified Body) met goed gevolg doorlopen had moeten worden. Dit had méér tijd gekost en méér kosten tot gevolg gehad dan de verkrijging van CE-certificering voor de afslankbeugel als geheel. Dat de deskundigen en dr. [naam] deze alternatieve route niet nader hebben onderzocht, is dus niet relevant, omdat de route waarbij voor de afslankbeugel als geheel CE-certificering wordt verkregen, sneller en goedkoper is en dus (kosten)efficiënter. Conclusie: geen schade 2.19. Op basis van een in hoofdstuk 8 van het deskundigenrapport opgenomen uitvoerige analyse, die door partijen overigens verder niet, althans niet voldoende gemotiveerd is betwist, hebben de deskundigen geconcludeerd dat [eiseres] geen schade heeft geleden als gevolg van de (in de hoofdprocedure vastgestelde) toerekenbare tekortkoming van [gedaagden sub 2] en de onrechtmatige daad van [gedaagden sub 1] (afgezien van de juridische kosten die [eiseres] heeft gemaakt – waarop de rechtbank verderop in dit vonnis nog zal ingaan). Deze conclusie wordt volgens de deskundigen: “(…) gedragen door omstandigheden die in de hypothetische situatie zich hadden voorgedaan, te weten (i) dat het verkrijgingsproces van CE-certificering enige jaren in beslag had genomen tegen aanzienlijke kosten, waardoor in de periode 2016-2020/2021 geen verkoop van de afslankbeugel had mogen plaatsvinden, en (ii) de beschikbaarheid van alternatieve medicatie vanaf 2020/2021 die ertoe hadden geleid dat de verkopen van afslankbeugels zelfs bij het verkrijgen van CE-certificering onder de MDD-richtlijn, naar alle waarschijnlijkheid niet tot stand zouden zijn gekomen, en dientengevolge dat de samenwerking na vijf jaar zou zijn geëindigd.” De rechtbank deelt deze conclusie van de deskundigen en de gronden waarop zij berust en maakt deze tot de hare. De juridische kosten 2.20. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de werkelijke juridische kosten die zij in verband met het voeren van de hoofdprocedure (in drie instanties) en deze schadestaatprocedure heeft gevoerd, door [gedaagden] aan haar moeten worden vergoed. Zij voert daartoe aan dat het geschil niet uitsluitend is veroorzaakt door het tekortkomen van [gedaagden sub 2] in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens [eiseres], maar in het bijzonder door de voortdurende onrechtmatige daad van [gedaagden sub 1], bestaande uit tegenwerking, laster en bijzonder onheuse uitlatingen. Dit standpunt is onjuist, en wel om de volgende redenen. 2.21. Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 t/m 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij daarover reeds heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 21 februari 2024 (nr. 4.18). Dit betekent dat uitsluitend de verschotten en het salaris van de advocaat volgens het zogenoemde Liquidatietarief voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. In buitengewone omstandigheden kan echter aanleiding gevonden worden om in afwijking van het Liquidatietarief de in het ongelijk gestelde partij in de werkelijke proceskosten