Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5949
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,526 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5949 text/xml public 2026-03-31T14:32:19 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 C/09/695892 / FA RK 25-9317 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5949 text/html public 2026-03-31T14:29:15 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5949 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / C/09/695892 / FA RK 25-9317 Voorlopige voorziening ex 223 Rv. Partneralimentatie. Afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-9317 Zaaknummer: C/09/695892 Datum beschikking: 17 februari 2026 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. Y.M. van Vliet te Haarlem. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; - de brief van 26 januari 2026 met bijlagen van de zijde van de vrouw. Op 3 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door zijn advocaat. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt als voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bepalen dat de man aan de vrouw voor de duur van de bodemprocedure een partneralimentatie moet voldoen va € 1.736,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2019 tot [datum 2] 2025. - Bij beschikking van deze rechtbank van 27 januari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. - In de echtscheidingsprocedure is geen verzoek om vaststelling van partneralimentatie ingediend. Beoordeling Spoedeisend belang Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Vooropgesteld wordt dat voor vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie voor de duur van de bodemprocedure in het kader van artikel 223 Rv alleen plaats is, als naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De vrouw heeft aangevoerd dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat zij per maand € 255,- te kort komt om in de noodzakelijke lasten van levensonderhoud te voorzien. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw een overzicht overgelegd van haar maandelijkse inkomsten en uitgaven. De man heeft betwist dat de vrouw spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat zij haar woonlasten kan delen. De man heeft er in dat kader op gewezen dat de zoon van de vrouw bij haar inwoont, dat hij volwassen is en een fulltime baan heeft en daarom in redelijkheid mag worden verwacht dat hij de helft van de woonlasten voldoet. De vrouw zou dan voldoende geld overhouden om in de overige door haar opgegeven kosten van levensonderhoud te voorzien, aldus de man. De rechtbank is, gelet op wat uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit het door de vrouw overgelegde overzicht blijkt dat zij in 2025 maandelijks € 1.914,17 aan vaste en variabele lasten had. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat de huur van de vrouw met ingang van 1 januari 2026 met € 19,- per maand is gestegen. De volgens de vrouw noodzakelijke kosten van levensonderhoud bedragen derhalve sinds 1 januari 2026 € 1.933,17 per maand. Uit het ter zitting overgelegde besluit van het UWV volgt dat de vrouw met ingang van 24 maart 2026 een loonaanvullingsuitkering (WGA) ontvangt van € 2.074,08 per maand, exclusief 8 % vakantiegeld. De hoogte van de WGA-uitkering is, blijkens deze brief, gelijk aan de WIA-uitkering die de vrouw op dit moment ontvangt. Uitgaande van deze gegevens bedraagt het netto besteedbaar inkomen € 1.699,- per maand (inclusief 8 % vakantiegeld). Volgens eigen opgave ontvangt de vrouw daarnaast € 131,- per maand aan zorgtoeslag en € 200,- per maand van haar zoon aan bijdrage in de kosten van huur. De totale inkomsten van de vrouw bedragen derhalve € 2.030,- netto per maand. Omdat de inkomsten van de vrouw hoger zijn dan de door haar opgegeven noodzakelijke kosten van levensonderhoud, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank immers in redelijkheid va de vrouw worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Het verzoek om vaststelling van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Gelet op het vorenstaande kan het standpunt van de man dat in redelijkheid van de zoon van de vrouw kan worden gevergd de helft van de woonlasten te voldoen, onbesproken blijven. Aanhechten berekening De rechtbank heeft een berekening gemaakt van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw. Deze berekening is aan de beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit. Proceskosten Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Beslissing De rechtbank: wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 februari 2026.