Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5947
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,878 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5947 text/xml public 2026-03-31T12:16:48 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 C/09/693851 / HA RK 25-642 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5947 text/html public 2026-03-31T12:16:33 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5947 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / C/09/693851 / HA RK 25-642 vaststelling staatloosheid. Palestijnse Gebieden, Saoedi-Arabië, Syrië. verzoek toegewezen. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: HA RK 25-642 Zaaknummer: C/09/693851 Datum beschikking: 17 februari 2026 Vaststelling van staatloosheid Beschikking op het op 29 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. Hanna te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de Staat”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: [gemachtigde] . Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 28 januari 2026 van de Staat; - een e-mailbericht van 28 januari 2026 van verzoeker. Verzoek en het advies van de Staat Het verzoekschrift strekt tot verklaring voor recht dat verzoeker staatloos is (de rechtbank begrijpt vaststelling van staatloosheid van verzoeker) en de gemeente waar verzoeker woonachtig is te gelasten om de registratie van de nationaliteit van verzoeker in de Basisregistratie Personen te wijzigen van ‘onbekend’ in ‘staatloos’. De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen. Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd. Feiten De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt. Verzoeker is op 5 augustus 2023 Nederland ingereisd en heeft op dezelfde datum een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel verleend, geldig van 5 augustus 2023 tot 5 augustus 2028. Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, welke zijn onderzocht door de Koninklijke Marechaussee dan wel Bureau Documenten van de IND, en zijn echt bevonden: o Een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen; o Een UNRWA familieregistratiekaart; o Een familie-uittreksel van het Algemeen Orgaan voorde Palestijns-Arabische Vluchtelingen (GAPAR); o Een familieboekje GAPAR; o Een individueel uittreksel GAPAR. Beoordeling Juridisch kader Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid). Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Ontvankelijkheid De rechtbank stelt vast dat verzoekeer in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. Relevante landen Verzoeker en de Staat zijn het erover eens dat er geen andere landen/staten zijn dan Palestina, Saoedi-Arabië en Syrië ten aanzien waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij verzoeker op basis van wetgeving als onderdaan beschouwen. Wordt verzoeker als onderdaan van Palestijnse gebieden beschouwd? Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten echt zijn bevonden –, kan volgens de rechtbank worden vastgesteld dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft geldt het volgende. Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben. Wordt verzoeker als onderdaan van Saoedi-Arabië beschouwd? Verzoeker is geboren in Saoedi-Arabië en heeft verklaard daar een jaar te hebben gewoond. Op grond van de Saoedische nationaliteitswetgeving (Saudi Arabian Citizenship System (Regulation)) kan worden afgeleid dat iemand die geboren is op het grondgebied van Saoedi-Arabië, maar wiens vader niet de nationaliteit heeft van Saoedi-Arabië, niet de Saoedische nationaliteit verkrijgt. Niet gebleken is dat de vader van verzoeker de Saoedische nationaliteit heeft. Uit pagina 9 van de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in de praktijk uitgesloten worden van naturalisatie. Ook is niet aannemelijk dat verzoeker aan de voorwaarden voor naturalisatie zou hebben voldaan. Het is daarom niet aannemelijk dat verzoeker de Saoedische nationaliteit heeft verkregen. Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd? Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen. Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren. Verder volgt uit voornoemde werkinstructie dat een niet-Syrische vrouw op basis van een huwelijk met een Syrische man een naturalisatieverzoek kan indienen. Ook hiervan is geen sprake. Daar komt bij dat verzoeker beschikt over een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen, waaruit volgt dat Syrië verzoeker niet als Syrisch onderdaan aanmerkt. Het is daarom niet aannemelijk is dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië. Conclusie De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast. De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker. Een last tot inschrijving is niet nodig, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen. Beslissing De rechtbank: * stelt vast dat verzoeker staatloos is; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2026.