Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:5874
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,982 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5874 text/xml public 2026-03-30T15:04:53 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-12 SGR 26/39 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5874 text/html public 2026-03-30T15:04:29 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5874 Rechtbank Den Haag , 12-03-2026 / SGR 26/39 Beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen in medische zaak van het Uwv. De rechtbank bepaalt dat in dit soort zaken verweerder een termijn van zes weken wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten en dat hij vervolgens binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak recht doet aan de reële mogelijkheden van verweerder om op het bezwaar te beslissen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verweerder binnen twee weken een besluit bekend moet maken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/39 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze). Inleiding 1. In het besluit van 31 januari 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiser per 1 maart 2025 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Eiser heeft op 27 februari 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.1. Eiser heeft op 5 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. 1.2. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 25 augustus 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 25 augustus 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond. 2.1. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 3. Eiser heeft de rechtbank verzocht het Uwv te bevelen om alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. 3.1. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door drukte en een tekort aan verzekeringsartsen. 4. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. 4.1. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 4.2. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. 5. Uit het verweerschrift en de dossierstukken blijkt dat op 11 februari 2026 een hoorzitting met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is ingepland. In dit beroep betekent dit concreet dat het Uwv binnen drie weken na het spreekuur op 11 februari 2026 een besluit bekend moet maken. Gelet op de tijd die is verstreken tussen het spreekuur en de datum van deze uitspraak zal de rechtbank in de beslissing hierna bepalen dat het Uwv binnen twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken. 6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een aanvullende dwangsom op te leggen van € 100,- per dag. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. 8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt het Uwv op om uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.