Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5851
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,998 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5851 text/xml public 2026-03-24T11:04:44 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 NL26.6207 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5851 text/html public 2026-03-19T09:52:22 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5851 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / NL26.6207 Grensdetentie art. 6 lid 6 jo. art. 6a Vw. Beroep gegrond. In maatregel onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Evenredigheid is andere toets dan lichter middel-toets. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6207 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Sewnath), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. de Vries). Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6a, in samenhang met artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mw. T. Kibuuka. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres heeft de Ugandese nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedag] 1978. 2. Eiseres betoogt onder meer dat de minister in het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. 3. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, arrest Mahdi). 4. In het bestreden besluit heeft de minister het volgende overwogen: “Toepassing lichter middel In het kader van de oplegging van deze maatregel is afgewogen of op de vreemdeling een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Vastgesteld wordt dat de oplegging van de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast zonder dat dit grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven. … (weergave gehoor) … Gelet op het bovenstaande is niet gebleken van omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. Hiertoe is het volgende redengevend: Medische problemen Betrokkene heeft tijdens het gehoor van 4 februari 2026 verklaard dat zij hoofdpijnklachten heeft. Overwogen wordt dat deze medische omstandigheden geen aanleiding vormen om af te zien van het opleggen van deze maatregel. Voor deze medische problemen kan betrokkene zich immers wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum voor behandeling. Zienswijze In het voornemen van 23 januari 2026 is reeds gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat af te zien van het opleggen van deze maatregel. Deze overwegingen worden hierbij herhaald en ingelast. Naar aanleiding van dit voornemen heeft de gemachtigde, mevr. Mr. Sewnath, op 28 januari 2026 een zienswijze ingediend. Overwogen wordt dat de inhoud van deze zienswijze niet tot een ander oordeel leidt. Hierbij wordt verwezen naar de overwegingen in de beschikking van 31 januari 2026 Conclusie Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in het geval van betrokkene geen bijzondere feiten of omstandigheden aanwezig zijn met betrekking tot de persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken.” 5. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met de toepassing van een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel. Weliswaar heeft de minister bovenstaande overweging voorzien van de aanhef “Toepassing lichter middel” , maar in de daaropvolgende motivering heeft de minister er onvoldoende blijk van gegeven dat daadwerkelijk is afgewogen of een lichter middel kon worden toegepast. De minister stelt immers enkel vast dat de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast zonder dat dit grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven. Daarmee is voor eiseres onvoldoende inzichtelijk waarom het in haar specifieke geval niet mogelijk was om toepassing te geven aan een lichter middel. Dat staat nog los van de vraag of eiseres zelf bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht. Ook wanneer dat niet het geval is dient de maatregel te worden voorzien van een specifieke motivering. Het grensbewakingsbelang weegt immers niet dermate zwaar dat het een vaststaand gegeven is dat de vreemdeling de vrijheid moet worden ontnomen wanneer asiel wordt aangevraagd aan de buitengrens. 6. De rechtbank wijst de minister er, wellicht ten overvloede, op dat de toets of de maatregel al dan niet onevenredig bezwarend moet worden geacht een andere is dan de toets of toepassing kan worden gegeven aan een lichter middel. Dat de minister in de maatregel wél heeft overwogen waarom de maatregel voor eiseres niet onevenredig bezwarend is, maakt het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders. 7. Gelet op het motiveringsgebrek is het beroep gegrond en is de maatregel vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 18 februari 2026. Omdat de maatregel vanaf aanvang onrechtmatig is behoeven de overige beroepsgronden van eiseres geen bespreking meer. 8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 15 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 1.800,-. 9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 18 februari 2026; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.