Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:5826
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5826 text/xml public 2026-03-30T07:53:43 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-16 C/09/699177 / JE RK 26-204 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5826 text/html public 2026-03-30T07:52:38 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5826 Rechtbank Den Haag , 16-02-2026 / C/09/699177 / JE RK 26-204 Voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/699177 / JE RK 26-204 Datum uitspraak: 16 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming , regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats], [geboorteland], hierna te noemen: [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats], advocaat: mr. W.G. Nieman uit Leiden. De kinderrechter merkt als informant aan: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Op 6 februari 2026 heeft mr. R. van Zeijst- Repelaer van Driel, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland belast met de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 9 februari 2026 om 17:00 uur. De behandeling van het verzoek werd voor het overige aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank was ingediend. 1.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 februari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 februari 2026 en voor dezelfde periode een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden. 1.3. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 9 februari 2026 en de daarin genoemde stukken; de aanvullende stukken van de advocaat van de moeder, ontvangen op 19 februari 2026; de ter zitting overgelegde pleitnotitie van de advocaat van de moeder. 1.4. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: [naam 1], namens de Raad; de moeder met haar advocaat en ondersteund door een tolk in de Duitse taal; [naam 2], namens de gecertificeerde instelling. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2. [minderjarige] verblijft in een gezinshuis. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. De Raad heeft grote zorgen over [minderjarige]’s algehele ontwikkeling en veiligheid. De zorgen zijn gelegen in de onduidelijkheid rondom de verblijfssituatie van de moeder en [minderjarige]. Beiden staan ingeschreven op het adres van een vriend ([naam 3]), waar ook de politie zorgen over heeft geuit. De Raad maakt zich ook zorgen over het alcoholgebruik van de moeder en haar opvoedvaardigheden. [minderjarige] gaat niet naar school en staat niet ingeschreven bij een huisarts of consultatiebureau. Tot de zitting heeft de moeder een afwijzende houding gehad tegenover de inzet van hulpverlening. [minderjarige] verblijft inmiddels in een gezinshuis, waar zij zich goed ontwikkelt en naar school gaat. Ter zitting is naar voren gekomen dat de moeder en [minderjarige] afgelopen maanden bij een andere vriend ([naam 4]) hebben verbleven. Door de onduidelijkheid en de zorgen is verder onderzoek nodig. Het is van belang dat [minderjarige] in de tussentijd in het gezinshuis verblijft. De Raad vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft. De jeugdbeschermer kan met de moeder duidelijke afspraken maken, zicht krijgen op haar opvoedcapaciteiten en nagaan of de verblijfsplek (bij [naam 4]) een veilige plek is. Ter zitting heeft de Raad aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de machtiging tot uithuisplaatsing langer zal duren dan noodzakelijk. De Raad heeft daarnaast aangegeven dat het belangrijk is dat er contactmomenten komen tussen de moeder en [minderjarige]. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de moeder is primair verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing zo kort mogelijk te laten duren. [minderjarige] moet zo snel mogelijk terug naar de moeder bij vriend ([naam 4]), die goed genoeg voor haar zorgen. Subsidiair wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing voor kortere duur (maximaal twee maanden) toe te wijzen. In die periode moet in kaart worden gebracht wat de mogelijkheden zijn voor de moeder om zelf weer de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en welke hulp daarbij nodig is. Zolang niet duidelijk is dat thuisplaatsing niet meer aan de orde is, moet de gecertificeerde instelling aandacht besteden aan het zodanig verbeteren van de thuissituatie dat de moeder [minderjarige] weer zelf kan verzorgen en opvoeden, zodat de uithuisplaatsing niet langer duurt dan noodzakelijk. Bovendien moet er zo snel mogelijk contact zijn tussen de moeder en [minderjarige]. Het is schadelijk om al het contact met [minderjarige] voor langere tijd te verbreken. 4.2. Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling de zorgen en het verzoek van de Raad onderschreven. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. 5.2. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn grote zorgen die maken dat er een ernstig vermoeden bestaat dat er sprake is van een ernstige en acute ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige]. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er veel onduidelijkheden zijn over de verblijfsplek van de moeder en [minderjarige]. Zo staan zij ingeschreven op het adres van [naam 3]. Dit betreft een ongeschikte en ernstig vervuilde woning. Ter zitting is weliswaar aangegeven dat de moeder en [minderjarige] daar al langere tijd niet verblijven, maar dit behoeft nader onderzoek. Er zijn wat betreft de verblijfssituatie verder zorgen, omdat er geen zicht is op de veiligheid en de verblijfssituatie in de woning van [naam 4]. Voorts blijkt dat [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder niet naar school ging of ingeschreven stond bij de huisarts of het consultatiebureau. Hierdoor is er geen zicht op [minderjarige] en er zijn aanwijzingen dat zij niet wordt voorzien in belangrijke basisbehoeften, zoals emotionele geborgenheid, stabiliteit en veiligheid. Daar komt bij dat de moeder tot aan de zitting afwijzend is geweest ten aanzien van hulpverlening. Het is positief dat zij tijdens de zitting heeft aangegeven te willen meewerken aan de inzet van hulpverlening. Gelet op de zorgen acht de kinderrechter het van belang dat de jeugdbeschermer komende periode betrokken blijft om zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige], om hulpverlening (zoals ASH) in te schakelen en zorgvuldig onderzoek te doen naar de gestelde verblijfssituatie bij [naam 4]. Belangrijk daarbij is dat de gecertificeerde instelling zo snel mogelijk contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] zullen vormgeven en opbouwen. 5.3.