Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11200 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Turkse nationaliteit te hebben. Ophouding 2. Eiser stelt dat uit het dossier niet eenduidig blijkt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Uit dossierstuk ‘ID Staat’ blijkt immers dat eiser rechtmatig verblijf heeft. Gelet daarop meent eiser dat hij op grond van artikel 50a van de Vw opgehouden diende te worden. 3. Door op 17 april 2025 met onbekende bestemming te vertrekken uit het asielzoekerscentrum wordt geacht dat eiser Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten als bedoeld in artikel 62c, vierde lid van de Vw. Hiermee is het rechtmatig verblijf in Nederland geëindigd. Uit het digitale dossier blijkt voldoende dat hier in het onderhavige geval sprake van is, wat maakt dat de door eiser genoemde registratie evident achterhaald is. Dit maakt dat verweerder eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw mocht ophouden. Grondslag van de maatregel van bewaring 4. Eiser stelt dat hij en zijn toenmalige gemachtigde geen bericht hebben ontvangen over de verlenging van de overdrachtstermijn. Er is dan ook geen grondslag om eiser in bewaring te stellen op grond van artikel 59a van de Vw. Hij beroept zich op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 4 maart 2026. 5. Bij de toetsing of de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kan worden gesteld, is bepalend of de Dublinverordening op de vreemdeling van toepassing is. Op grond van artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb moet een concreet aanknopingspunt voor overdracht als bedoeld in de Dublinverordening bestaan om een vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, in bewaring te kunnen stellen. 6. Naar het oordeel van de rechtbank waren er bij het opleggen van de maatregel voldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was, gelet op het claimakkoord van 24 januari 2025, het overdrachtsbesluit 26 maart 2025. De stelling van eiser dat hij niet op de hoogte is gesteld van de verlenging van de overdrachtstermijn kan niet worden beoordeeld in deze procedure. Verweerder heeft de maatregel van bewaring mogen baseren op artikel 59a van de Vw. Vertrekgesprek en lichter middel 7. Eiser stelt dat het vertrekgesprek van 2 maart 2026 tot verwarring leidt. De regievoerder zei dat eiser zijn asielaanvraag in bewaring af moet wachten, terwijl zij dat op dat moment nog niet kon weten. Vervolgens wordt eiser de informatiefolder ‘U bent in vreemdelingenbewaring geplaatst en moet Nederland verlaten’ overhandigd. Dit is tegenstrijdig en vormt een gebrek. Ook meent eiser dat verweerder dient te volstaan met een lichter middel. 8. De verwarring die bij eiser is ontstaan door het vertrekgesprek doet niet af aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring d