Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2026:5697
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.1787 (beroep) NL24.24081 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2000, van Turkse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna eiser (gemachtigde: mr. B. Aydin), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K.J. Wouda). Inleiding 1. Eiser heeft op 31 augustus 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. 1.1. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 13 mei 2024 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.1.2. In het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. 1.3. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Eiser heeft sinds 15 augustus 2022 een eenmanszaak ‘ [bedrijf 1] ’. Hij verricht werkzaamheden als tegelzetter. Eiser heeft op 31 augustus 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. Hierbij heeft eiser een kopie van zijn paspoort, een bericht van registratie en een uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK), een ondernemingsplan ‘ [bedrijf 1] ’, opgesteld door [persoon] van ‘ [bedrijf 2] ’ d.d. 19 september 2022, een locatiescan van de KvK en drie freelanceovereenkomsten overgelegd. 2.1. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat het ondernemingsplan niet voldoet aan de gestelde eisen. Daarnaast is het plan onvoldoende onderbouwd met objectief verifieerbare bewijsstukken. Ook beschikt eiser niet over een geldige mvv en komt hij niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Hij heeft namelijk niet aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. 2.2. Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan en heeft de volgende documenten overgelegd: verkoopfacturen in de periode van 6 september 2022 tot 12 juli 2024; een referentie van [bedrijf 3] , van 14 juli 2024; aangifte omzetbelasting van het 4e kwartaal van 2022, het 1e tot en met het 4e kwartaal van 2023 en het 1e en 2e kwartaal van 2024; aangifte inkomstenbelasting van 2022 en 2023; en de bankafschriften van de zakelijke rekening in de periode van 1 januari 2023 tot 29 juni 2024. 2.3. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, omdat eisers ondernemingsplan onvolledig is en niet met voldoende stukken is onderbouwd. Er wordt volgens verweerder dus nog steeds niet voldaan aan het documentatievereiste. Verweerder heeft de aanvraag van eiser daarom niet ter beoordeling voorgelegd aan de RvO . Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt in deze procedure of verweerder eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Juridisch kader 4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 26 februari 2025, mag verweerder verlangen dat een vreemdeling de op grond van bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV en paragraaf B6/4.5 van de Vc vereiste stukken overlegt, zoals een on Daarbij komt dat bijlage 8aa bij het VV niet als vereiste stelt dat de verkoopfacturen gespecifieerd moeten zijn, maar enkel dat ter onderbouwing van eventuele al gerealiseerde omzetgegevens verkoopfacturen als bewijsmiddel toegevoegd moeten worden. 5.2. Nu verweerder de voornoemde documenten niet (kenbaar) in de besluitvorming heeft betrokken, is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde gegevens kan worden afgeleid welke (totaal)bedragen hij bij zijn opdrachtgevers in rekening brengt en wat vervolgens door deze opdrachtgevers aan eiser wordt betaald. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de levensvatbaarheid van eisers onderneming in dit geval niet door de RvO kan worden afgeleid uit alle door eiser overgelegde verkoopfacturen, bankafschriften, overeenkomsten van opdracht, aangiften inkomsten- en omzetbelasting en de referentie. De beroepsgrond slaagt. Heeft verweerder de hoorplicht geschonden? 6. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het uitgangspunt dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit. 6.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2023 overwogen dat als een vreemdeling de stukken die worden genoemd in bijlage 8aa niet heeft overgelegd en ook geen verklaring heeft gegeven waarom hij daarover niet kan beschikken, die vreemdeling heeft nagelaten om essentiële informatie over te leggen, waarvan hij wist of kon weten dat die voor het nemen van een besluit noodzakelijk is. Het ligt voor verweerder dan in beginsel minder in de rede dat hij die vreemdeling uitnodigt voor een hoorzitting. Op grond van diezelfde uitspraak kan er niettemin toch reden zijn om eiser te horen indien één of meerdere van de volgende niet-limitatieve en niet-cumulatieve omstandigheden zich voordoet: (1) eiser zou op of vlak na een hoorzitting eenvoudig de ontbrekende informatie kunnen geven, (2) eiser heeft in bezwaar al een mogelijke steekhoudende verklaring gegeven voor het niet kunnen overleggen van bepaalde stukken, en (3) er bestaat onduidelijkheid over de waardering van één of meer overgelegde stukken. 6.2. De rechtbank is met eiser van oordeel dat, gelet op de aanvullende bezwaarschriften van eiser van 28 juni 2024 en 15 juli 2024 in dit geval niet is voldaan aan de maatstaf om op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb af te zien van het horen van eiser. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op wat in bezwaar tegen het primaire besluit is aangevoerd en de overgelegde stukken, in het licht van bovenstaande overwegingen, er geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Tijdens een te houden hoorzitting had verweerder onder meer eiser kunnen bevragen over stukken die volgens verweerder een nadere toelichting behoefden. Hierover was, gelet op de gronden van bezwaar, redelijke twijfel mogelijk. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en artikel 7:3 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. 7.1. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. 7.2. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook