Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:5517
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,070 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5517 text/xml public 2026-03-24T10:40:05 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-18 NL25.39786 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5517 text/html public 2026-03-24T10:38:03 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5517 Rechtbank Den Haag , 18-02-2026 / NL25.39786 Afwijzing asielaanvraag. Kameroen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [plaats 2], [plaats 3] en [plaats 4] te gelden hebben als beschermingsalternatief. Beroep gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39786 [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2025, van Kameroense nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. G. Ocak), en: de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De wettelijke regels die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 1.1. Eiser heeft op 10 juli 2023 een asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. 1.2. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond 2. Eiser heeft voor het eerst op 4 november 2020 een asielaanvraag ingediend. Nadat eiser op 16 december 2020 met onbekende bestemming is vertrokken, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Vervolgens is eiser op 4 juli 2023 vanuit Luxemburg overgedragen aan Nederland. Op 10 juli 2023 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Het asielrelaas 3. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij tot de [naam 1] bevolkingsgroep behoort. Eiser woonde in Kameroen in een conflictgebied. Toen het conflict begon was het heel moeilijk om van het ene gebied naar het andere te gaan. Er waren veel bombardementen. Ook heeft eiser mensen dicht bij hem staan die in het leger hebben gezeten. Eiser heeft Kameroen verlaten vanwege het conflict. Besluitvorming 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder als relevant element de ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’. Verweerder acht dit element geloofwaardig. Er is volgens verweerder echter geen aanleiding om aan eiser bescherming te bieden, omdat eiser niet kan worden aangemerkt als een vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag . Evenmin loopt eiser bij terugkeer naar Kameroen een reëel risico op ernstige schade. Dat eiser uit Kameroen komt, is op zichzelf niet genoeg om dat aan te nemen. Eiser komt uit een gebied waar sprake is van uitzonderlijke mate van willekeurig geweld, namelijk [plaats 1] . Eiser heeft in het land van herkomst echter een beschermingsalternatief, te weten [plaats 2] , [plaats 3] , en [plaats 4] . Het ontbreken van een sociaal netwerk is op zichzelf onvoldoende om het binnenlands beschermingsalternatief als onredelijk of onveilig aan te merken. Dat eiser vanwege het behoren tot de [naam 1] stam en vanwege zijn herkomst uit [plaats 1] vreest voor discriminatie, is niet onderbouwd met verifieerbare informatie. Uit openbare informatie blijkt juist dat de [naam 1] stam een grote etnische groep is in Kameroen en bovendien voornamelijk gevestigd is in de drie genoemde regio’s. In [plaats 4] is de stam van eiser zelfs veruit de grootste etnische groep. Dat herintegratie moeilijk is vanwege eisers psychische gesteldheid, is eveneens onvoldoende om het binnenlands beschermingsalternatief als onredelijk aan te merken. Opgemerkt wordt dat eiser ook geen medische documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in staat zou zijn om zich aan te passen aan de genoemde regio’s. 4.1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser komt verder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier, krijgt geen uitstel van vertrek om medische redenen en dient tot slot Nederland binnen vier weken te verlaten. Beoordeling door de rechtbank Binnenlands beschermingsalternatief 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van de beschikbaarheid van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] . Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van eiser, zijn kwetsbaarheid en de risico’s bij terugkeer. Zo heeft eiser daar geen sociaal netwerk, loopt hij risico op vervolging dan wel discriminatie vanwege zijn herkomst uit [plaats 1] en vanwege het feit dat hij tot de [naam 1] behoort. De combinatie van geografische herkomst, etniciteit, en het verblijf in het buitenland leidt tot een verhoogd risico op stigmatisering, verdenking en uitsluiting. Daarnaast is de psychische gesteldheid van eiser zodanig dat herintegratie in een onbekende omgeving zeer moeilijk is. In de aangewezen delen heeft eiser tot slot geen (toegang tot) huisvesting of werk. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een rapport van de Finse Immigratiedienst van 30 juni 2023 en het Human Right Watch-rapport van 7 februari 2022. 5.1. De rechtbank stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM als hij naar [plaats 1] reist. De vraag die voorligt is of [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] een binnenlands beschermingsalternatief is voor eiser. 5.2. Uit rechtspraak van de van de Afdeling volgt dat verweerder een binnenlands beschermingsalternatief alleen mag tegenwerpen als de vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet verweerder redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt. 5.3. Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het beschermingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] te gelden hebben al beschermingsalternatief. In het bestreden besluit is verweerder onvoldoende ingegaan op de vraag of eiser daar risico op ernstige schade loopt, omdat hij behoort tot de [naam 1] stam en afkomstig is uit [plaats 1] . In de besluitvorming staat allereerst nergens vermeld waarop verweerder baseert dat eiser zich kan vestigen in [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] . Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting niet meer helderheid kunnen verschaffen anders dan dat dit uit het geldende beleid zou blijken. De rechtbank veronderstelt dat verweerder zich baseert op het besluit van de toenmalige staatssecretaris van 27 juni 2024 . Daarin staat dat de IND voor Kameroen enkel de hoogste mate van willekeurig geweld aanneemt (meest uitzonderlijke situatie) in de provincies North-West en South-West en dat sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet: (1) de vreemdeling is afkomstig uit de provincies North-West of South-West; en (2) de vrees van de vreemdeling is niet gebaseerd op de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden, maar is alleen een gevolg van de meest uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3.3 Vc .
Volledig
Als de vreemdeling, al dan niet afkomstig uit de provincies North-West en South-West, op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade, zal op individuele basis bezien worden of er een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Het besluit geeft echter geen enkele informatie over eventuele risico’s voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit [plaats 1] en behoren tot de [naam 1] stam, zoals eiser. De verwijzing van verweerder naar de website is daarvoor onvoldoende, omdat onduidelijk is wat voor een bron dit is en of de inhoud van de website actueel en betrouwbaar is. Desgevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder geen andere (gezaghebbende) bronnen kunnen noemen en enkel gesteld dat het is gebaseerd op ‘landeninformatie’ zonder dit specifiek te maken. Dat betekent dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] voor eiser te gelden heeft als beschermingsalternatief. Dit betekent dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De beroepsgrond slaagt. Overige beroepsgronden 6. Omdat het beroep reeds op de vorige beroepsgrond slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken. 8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bijlage: Juridisch kader Vreemdelingenwet 2000 Artikel 29 1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; of b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit: 1°. doodstraf of executie; 2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of 3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: Vreemdelingencirculaire 2000 (C) C2/3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief De IND beoordeelt de bescherming van de vreemdeling in de zin van artikel 3.37c,VV en artikel 3.37d, VV nadat is vastgesteld dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw. De IND beoordeelt de vraag of deze bescherming van de vreemdeling mogelijk is, op het moment waarop het besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt genomen. (…) Bewijslast De IND onderzoekt eerst of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. De IND maakt hierbij gebruik van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst. Indien de IND heeft vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de autoriteiten in het land van herkomst in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht. Indien de vreemdeling dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. (…) Binnenlands beschermingsalternatief Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken. De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht- of vestigingsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden. De IND gebruikt de term vluchtalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De IND gebruikt de term vestigingsalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw. De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV; b. de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en c. van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt. Ad a. Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied. Als de dreiging in een bepaald gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing. Ad b. Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt. Ad c. De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen. De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking.