Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:5466
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9401 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen Biostee Teelt v.o.f., uit Zuid-Beijerland, eiseres (gemachtigde: mr. J. de Haas), en het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (gemachtigde: mr. E.M. Reijnders). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in faunaschade. Deze schade aan twee percelen met snijmais van eiseres is veroorzaakt door zwarte kraaien en kauwen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een agrarisch bedrijf in de polders [polder 1] en [polder 2] nabij [plaats]. . Eiseres heeft op 7 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de schade die zwarte kraaien en kauwen veroorzaakt hebben op twee percelen met snijmais van eiseres. Eiseres heeft de schade op 5 juni 2023 geconstateerd en stelt dat de schade op 4 juni 2023 is aangericht. 2.1. Naar aanleiding van de aanvraag heeft een taxateur de schadepercelen op 8 juni 2023 en op 19 juni 2023 bezocht en de schade getaxeerd op een bedrag van € 32.128,88. 2.2. Met het besluit van 15 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat er op het moment dat de schade zich voordeed een vrijstelling gold voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoorten. 2.3. Met het besluit van 17 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 2.4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.5. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om tegemoetkoming in de faunaschade is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dit verzoek onherroepelijk wordt. 3.1. Het verzoek om tegemoetkoming in de schade is ingediend op 7 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming (Wnb), zoals die gold voor 1 januari 2024, van toepassing blijft. Toetsingskader 4. In artikel 6.1 van de Wnb is bepaald dat een tegemoetkoming kan worden verleend voor schade die redelijkerwijze niet of niet geheel voor rekening van de aanvrager van de tegemoetkoming behoort te blijven. Wanneer sprake is van dergelijke schade, is in de Wnb niet verder uitgewerkt. 4.1. Ter invulling van haar beoordelingsruimte heeft het college bij besluit van 6 december 2016 de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (de Beleidsregel) vastgesteld. In artikel 4.5 van de Beleidsregel is beschreven in welke gevallen het college geen tegemoetkoming in schade zal verlenen. Uit de aanhef en onder a van dit artikel volgt dat er geen tegemoetkoming wordt verleend indien de schade is aangericht door een natuurlijk in het wild levende beschermde diersoort waarvoor krachtens artikel 3.15, een vrijstelling geldt voor het verontrusten en doden van de desbetreffende diersoort. 4.2. In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan handelt overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij dat voor Nu dit (goedkeuringsbesluit van het) faunabeheerplan niet succesvol is aangevochten en formele rechtskracht heeft gekregen, wordt dit besluit geacht te zijn genomen in overeenstemming met het recht. Dat in hoogste instantie vast is komen te staan dat de landelijke vrijstelling voor kauwen en zwarte kraaien niet aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten voldoet, maakt dit niet anders. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht gesteld dat het Faunabeheerplan van de provincie Zuid-Holland nog rechtens gold in juni 2023 en dat bejaging ten tijde van de schadeconstatering en de indiening van de aanvraag op basis van de landelijke vrijstelling mogelijk was. 5.4. Voor zover eiseres betoogt dat het college in het (bestreden) besluit had moeten motiveren dat de landelijke vrijstelling naar het moment van dat besluit en op het eigen grondgebied aan de vereisten van de Wnb voldoet, overweegt de rechtbank dat dit niet volgt uit de eerdergenoemde uitspraak en niet vereist is. Het college moet op het moment van het goedkeuringsbesluit over het faunabeheerplan bezien of terecht van de vrijstellingen en de onderbouwing daarvan kan worden uitgegaan, zodat wordt voldaan aan de Wnb. Bij de beoordeling van het verzoek om een tegemoetkoming in faunaschade is slechts van belang of er een vrijstelling gold op het moment dat de schade zich voordeed. Dat was het geval. 5.5. De rechtbank concludeert gelet op het bovenstaande dat zich geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan in de periode tussen het primaire besluit en het bestreden besluit. Een beroep op artikel 7:11 Awb kan om die reden niet slagen, nu de landelijke vrijstelling vóór 16 juli 2023, en derhalve ook ten tijde van het onderhavige schadegeval, in Zuid-Holland nog wel gold en de uitspraak van 19 april 2023 er niet aan in de weg staat dat ten tijde van het schadegeval in Zuid-Holland nog wel rechtsgeldig gebruik kon worden gemaakt van de landelijke vrijstelling. Gelet hierop is het tegenwerpen van artikel 4.5 onder a van de Beleidsregel ook niet kennelijk onredelijk of in strijd met het verbod van willekeur. 6. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om artikel 4.5 onder a van de Beleidsregel exceptief te toetsen aan de Wnb. Zoals uit het voorgaande blijkt kan uit de uitspraak van 19 april 2023 niet worden afgeleid dat genoemd artikel uit de Beleidsregel ten tijde hier in geding gebaseerd was op een landelijke vrijstelling die niet aan de wettelijke vereisten uit de Wnb voldeed, zoals eiseres stelt. De landelijke vrijstelling gold immers wel na goedkeuring en inwerkingtreding van het faunabeheerplan Zuid-Holland, dat ten tijde hier in geding formele rechtskracht had. De rechtbank ziet, gelet reeds hierop, niet in dat aan de Beleidsregel een gebrek zou kleven omdat die niet is voorzien van een onderbouwing waarin wordt gemotiveerd dat de landelijke vrijstelling aan de wettelijke vereisten voldoet. Ook zal de rechtbank de faunabeheerplannen voor zwarte kraai en kauw niet exceptief toetsen aan de Wnb. Dit valt buiten de grenzen van dit geding. Tegen goedkeuringsbesluiten van faunabeheerplannen staat een zelfstandige rechtsgang open. Zijn er bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb? 7. Eiseres stelt verder dat op grond van artikel 4:84 van de Awb afgeweken had moeten worden van de Beleidsregel, aangezien er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het afwijzen van de aanvraag onevenredig is. Een bijzondere omstandigheid is volgens eiseres allereerst gelegen in de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 19 april 2023. Zij stelt dat dit het geval is omdat op het moment dat het (bestreden) besluit werd genomen, zowel artikel 4.5 onder a van de Beleidsregel als de faunabeheerplannen uitgingen van een landelijke vrijstelling die niet aan de daarvoor geldende wettelijke eisen voldeed. Een andere omstandigheid betreft het gegeven dat de inval van kauwen en kraaien onverwacht en onvoorzienbaar was, nu deze vogelsoorten sl