Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:5303
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11371 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Luijendijk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. Özel). Procesverloop Bij besluit van 1 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Is het strafrechtelijk voortraject onrechtmatig geweest? 1. Eiser voert aan dat in het proces-verbaal van aanhouding wordt verwezen naar een aanvullend proces-verbaal (namelijk het proces-verbaal van bevindingen). Dit bevindt zich niet in het dossier, waardoor het dossier onvolledig is. 1.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat uit het proces-verbaal van aanhouding voldoende blijkt dat eiser is aangehouden in een strafrechtelijk kader, namelijk op grond van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit is voor de bewaringsrechter voldoende. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ligt de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject niet bij de bewaringsrechter ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet. Is het model M122 uitgereikt aan eiser? 2. Eiser voert aan dat het model M122 ten onrechte ontbreekt in het dossier en dat hij dit document ook nooit overhandigd heeft gekregen. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) blijkt ook niet dat dit model aan eiser is uitgereikt. 2.1. De rechtbank overweegt dat volgens paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) de minister door middel van het model M122 de vreemdeling op de hoogte stelt dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000, naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat het model M122 op 19 januari 2026 aan eiser is uitgereikt, maar dat dit pas op 10 maart 2026 aan het dossier is toegevoegd. De rechtbank merkt op dat de minister dit laat aan het dossier heeft toegevoegd, nu dit is gebeurd op 10 maart 2026 – dezelfde dag als de behandeling van eisers beroep ter zitting. Dit levert desondanks geen gebrek op. Uit het model M122 volgt immers dat deze op 19 januari 2026 (de dag dat eiser is aangehouden) is uitgereikt en is ondertekend door eiser. Eiser is hier dus van op de hoogte gesteld. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de ophouding te lang geduurd? 3. Eiser voert aan dat de ophouding te lang heeft geduurd. Eiser is op 1 maart 2026 om 10:20 uur overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en is pas om 16:45 uur in bewaring gesteld. Dit is een overschrijding van de termijn van zes uur, zoals volgt uit artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000. 3.1. De rechtbank merkt op dat uit artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de termijn van ophouding begint te lopen op het moment dat een vreemdeling is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding niet langer dan zes uur mag duren. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat eiser op 1 maart 2026 om 11:10 uur is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding om 16:45 uur is beëindigd met de oplegging van de maatregel van bewaring. Hierdoor heeft de ophouding in totaal 5 uren en 35 minuten geduurd. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van overschr