Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:5270
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
827 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5270 text/xml public 2026-03-13T11:46:27 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-12 NL25.21914 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5270 text/html public 2026-03-13T11:46:04 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5270 Rechtbank Den Haag , 12-03-2026 / NL25.21914 De minister heeft een beslissing genomen op de aanvraag van verzoeker. Tegen deze beslissing heeft verzoeker bezwaar ingediend bij de minister. Hangende de beslissing op dat bezwaar heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft een beslissing op het bezwaar van verzoeker genomen. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing. Ontbreken van connexiteit. Dictum: Niet-ontvankelijk uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.21914 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Orhan), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Procesverloop De minister heeft op 6 mei 2025 een beslissing genomen op de aanvraag van verzoeker. Tegen deze beslissing heeft verzoeker bezwaar ingediend bij de minister. Hangende de beslissing op dat bezwaar heeft verzoeker de voorzieningenrechter op 12 mei 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 22 januari 2026 heeft de minister een beslissing op het bezwaar van verzoeker genomen. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing. Beoordeling door de voorzieningenrechter 1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoek om een voorlopige voorziening is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Indien een belanghebbende hangende de beslissing op een bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en nadien heeft hij beroep ingesteld tegen de beslissing op dat bezwaar, dan wordt het reeds ingediende verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het ingediende beroep bij de rechtbank.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening is zo connex aan het beroep. 3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 22 januari 2026. Er is aldus niet voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit maakt dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet inhoudelijk behandelen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. 1. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf,voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 maart 2026 Documentcode: [Documentcode] Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.