Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:5266
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
823 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5266 text/xml public 2026-03-13T11:27:59 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-13 25-23779 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5266 text/html public 2026-03-13T11:27:34 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5266 Rechtbank Den Haag , 13-03-2026 / 25-23779 Pkv verzoek RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/23779 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [naam], verzoeker V-nummer: [nummer], en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken, omdat verweerder op 29 december 2025 alsnog een besluit heeft genomen. 1.1. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank Onder welke voorwaarden kan een verzoek tot vergoeding van de proceskosten worden ingediend? 2. Verzoeker heeft zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken, omdat de minister door het nemen van een besluit tegemoet is gekomen aan zijn verzoek. Verzoeker heeft daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. 3. Als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, bestaat geen recht op een vergoeding van de proceskosten. Moet de minister de proceskosten van verzoeker vergoeden? 4. De minister is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af. 5. De minister moet het door de verzoeker betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing de rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier. griffier rechter Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:75 en 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).