Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:5105
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,086 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5105 text/xml public 2026-03-13T08:45:22 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-10 NL25.11881 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5105 text/html public 2026-03-13T08:45:16 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5105 Rechtbank Den Haag , 10-03-2026 / NL25.11881 Chavez-Vilchez, afgeleid verblijfsrecht partner, 20 VWEU, 8 EVRM, belangenafweging: openbare orde, beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.11881 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I. Özkara), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. B.J.W. Immink). Samenvatting en leeswijzer 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers aanvraag om een afhankelijk verblijfsrecht bij zijn dochter en de moeder van zijn dochter heeft mogen afwijzen. Ook heeft de minister eiser geen verblijfsvergunning hoeven verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. In de uitspraak geeft de rechtbank na het procesverloop eerst de achtergrond van de aanvraag en de korte inhoud van het bestreden besluit weer. Vanaf overweging 6 volgt het betoog van eiser over de afhankelijkheidsrelatie. Het betoog is per punt uitgewerkt. Na de weergave van het juridisch kader volgt de beoordeling door de rechtbank van het betoog over de afhankelijkheidsrelatie (opnieuw per punt) vanaf overweging 7. Onder 9 volgt een tussenconclusie over dit onderwerp. Vervolgens gaat de rechtbank vanaf overweging 10 in op het betoog over een afgeleid verblijfsrecht. Vanaf overweging 12 gaat het over het beroep op artikel 8 van het EVRM. Daarbij beoordeelt de rechtbank eerst de beroepsgronden over de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven. Vervolgens gaat de rechtbank vanaf overweging 12.10 in op de gronden over de belangenafweging die per onderwerp worden behandeld. In overweging 13 volgt de conclusie van de rechtbank. Procesverloop 2. Eiser heeft op 22 juli 2023 een vierde aanvraag ingediend voor een Chavez-verblijfsvergunning. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juni 2024 afgewezen onder verwijzing naar de inhoud van het besluit op bezwaar van eveneens 10 juni 2024. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. S. Raissi als waarnemer van de gemachtigde van eiser. Ook was de gemachtigde van de minister aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond van de aanvraag 3. Eiser is sinds 1995 in Nederland. Eiser is in 2006 ongewenst verklaard en aan hem is door gewijzigde regelgeving in 2013 in plaats van deze ongewenstverklaring een inreisverbod opgelegd van tien jaar. Dit inreisverbod is bevestigd door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 14 augustus 2017. Eiser heeft gedurende de tijd dat hij in Nederland verbleef meerdere procedures gevolgd om verblijf te krijgen. Eiser heeft op 3 juli 2018 een eerste aanvraag ingediend om een afgifte van een EU-verblijfsdocument waaruit een afgeleid verblijfsrecht blijkt (Chavez-verblijfsvergunning). Deze aanvraag is met het besluit van 5 maart 2019 afgewezen op grond van gevaar voor de openbare orde. Dit besluit staat in rechte vast. Eiser heeft op 20 juli 2021 opnieuw een aanvraag ingediend om de afgifte van een Chavez-verblijfsvergunning. De minister heeft deze aanvraag met zijn besluit van 23 december 2021 afgewezen, omdat er sprake was van een herhaalde aanvraag waaraan geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2022 heeft de minister deze afwijzing gehandhaafd. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 november 2023 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54 van de Awb. Eiser heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 maart 2024 is het verzet gegrond verklaard. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep bij uitspraak van 10 maart 2026 ongegrond verklaard. 3.1. Op 22 februari 2023 heeft eiser een derde aanvraag voor een Chavez-verblijfsvergunning ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 4 juli 2023 afgewezen en het door eiser tegen dat besluit ingesteld bezwaar is bij besluit van 10 juni 2024 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, maar heeft zijn beroep op 13 juni 2025 ingetrokken zodat deze afwijzing in rechte vaststaat. 4. Eiser heeft één biologische dochter ( [naam dochter] ) met geboortedatum [geboortedag] 2015 en twee stiefdochters. Eiser heeft meerdere aanvragen gedaan om een Chavez-verblijfsvergunning voor verblijf bij [naam dochter] . De huidige aanvraag betreft zijn vierde aanvraag op deze grond. Het bestreden besluit 5. Eiser heeft een aanvraag gedaan om de afgifte van een Chavez-verblijfsvergunning om bij zijn biologische dochter te verblijven. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat volgens hem niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn dochter. De minister heeft ook getoetst of eiser in aanmerking komt voor een afhankelijk verblijfsrecht bij zijn partner. Volgens de minister komt eiser daarvoor niet in aanmerking omdat niet aannemelijk is dat eiser ten minste zes maanden een gemeenschappelijk huishouden heeft gevoerd met zijn partner. Daarnaast komt eiser volgens de minister ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van familie- of gezinsleven met zijn gestelde partner of met zijn minderjarige dochter, dan wel met zijn twee andere (stief)dochters. Is er tussen eiser en zijn dochter sprake van een afhankelijkheidsverhouding? Gronden van beroep 6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn dochter, dat zijn dochter bij weigering van een verblijfsrecht aan eiser zou worden gedwongen het grondgebied van de EU te verlaten. Hij wijst in zijn betoog op een aantal punten die hieronder per onderwerp verder worden uitgewerkt. Feitelijke samenwoning 6.1. Eiser betoogt dat hij altijd feitelijk heeft samengewoond met zijn partner en zijn dochter, maar dat hij in 2014 is ingeschreven als niet-ingezetene. Hoewel hij heeft geprobeerd dat te herstellen, hebben de IND en de gemeente Delft hem niet willen helpen om zich opnieuw op het adres van zijn partner en dochter in te schrijven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Eiser geeft verder aan tegenover de IND in een hoorzitting te hebben verklaard op hetzelfde adres te wonen als zijn kind en dat hij daar ook stukken van de IND en van de rechtbank ontvangt. Verder wijst eiser op rapporten van Limor waarin ook wordt erkend dat eiser op hetzelfde adres woont als zijn kind. Ook heeft eiser foto’s overgelegd van hem bij het adres van zijn dochter en haar moeder in [plaats] en maakt hij in dat huis kookvideo’s met zijn dochter. Daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken 6.2. Eiser betoogt dat de minister een onjuist toetsingskader hanteert voor de beoordeling of eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht.
Volledig
De afhankelijkheidsrelatie moet volgens eiser worden beoordeeld in het licht van de zorg- en opvoedingstaken en als sprake is van zorg- en opvoedingstaken is de afhankelijkheidsrelatie volgens eiser in beginsel gegeven. Daarbij is niet noodzakelijk dat eiser alleen alle zorg- en opvoedingstaken verricht. De minister heeft dit volgens eiser miskend. 6.2.1. Eiser betoogt verder dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn dochter. Eiser wijst daartoe op meerdere rapportages van Limor. Eiser wijst ter onderbouwing op de foto’s die hij heeft overgelegd van hem en zijn dochter, deze zijn volgens eiser duidelijk genomen over een langere periode. Ook heeft eiser een verklaring overgelegd van de tenniscoach van zijn dochter waaruit volgt dat eiser met haar naar de tennisclub gaat. Eiser betoogt verder dat de verklaringen en brieven van Limor moeten worden aangemerkt als objectief verifieerbare stukken. Deze organisatie handelt in het belang van de partner van eiser en is daarom voor wat eiser betreft objectief en verifieerbaar. Limor staat het dichtst bij de feitelijke situatie van het gezin en de minister had daarom meer waarde moeten hechten aan de brieven van Limor dan hij nu heeft gedaan. Uit de verklaringen van Limor volgt dat sprake is van zorg- en opvoedingstaken. Verder heeft eiser ook toen hij in detentie zat belangrijke beslissingen genomen over de zorg- en opvoeding van zijn dochter en hebben zij dagelijks telefonisch contact gehad. Eiser wijst op een belregistratie vanuit de PI. De minister mag eiser daarom niet tegenwerpen dat de nummers waarmee eiser veel heeft gebeld niet van zijn familie zijn. Verder wijst eiser op het reclasseringsrapport van 12 september 2024 waarin zijn partner verklaart dat eiser thuis veel doet en dat zij uitkijkt naar zijn komst naar huis. Eiser wijst verder op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 oktober 2024 waaruit volgt dat ook de verklaringen van de familie van eiser bij de beoordeling moeten worden betrokken en dat deze niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten omdat zij niet objectief zouden zijn. Dit geldt volgens eiser ook voor de brieven van Limor. Eiser wijst in dit kader ook op de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021. Verder blijkt uit door eiser overgelegde stukken dat de familie van eiser hem regelmatig heeft bezocht toen hij vastzat, zodat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat niet is gebleken dat zijn familie hem opzocht tijdens zijn detentie. 6.2.2. Verder blijkt volgens hem uit een Orthopedagogische rapportage van de Rijksuniversiteit Groningen van 21 juni 2016 dat de moeder van de dochter van eiser niet in staat is de zorg voor haar kind alleen op zich te nemen en dat zij al jaren een bijstandsuitkering ontvangt. Uit dit rapport volgt ook dat het eiser is die het gezin staande houdt en dat hij gedurende de tijd waarin hij niet in detentie heeft gezeten degene is die het zwaartepunt van de zorg- en opvoedingstaken op zich neemt. Lichamelijke en emotionele ontwikkeling van de kinderen 6.3. Eiser betoogt in dit verband ten slotte dat voldoende aannemelijk is dat de dochter van eiser zal worden aangetast in haar lichamelijke en emotionele ontwikkeling als eiser moet terugkeren naar Suriname. Eiser wijst daartoe op het genoemde rapport van de Rijksuniversiteit Groningen. Ook wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 1 augustus 2024 waaruit volgens hem volgt dat door het aanleveren van wetenschappelijke informatie over de effecten van het scheiden van kinderen van een ouder, aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Nu sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn dochter is het volgens hem aan de minister om de Raad voor de Kinderbescherming in te schakelen voor nader onderzoek. Juridisch kader 7. Uit de arresten Chavez-Vilchez en XU en QP volgt dat de relevante factoren om te bepalen of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen een minderjarige Unieburger en zijn ouder die derdelander is, dat de minderjarige Unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan de ouder een verblijfsrecht weigert, liggen in het antwoord op de vraag wie het gezag over het kind heeft en bij welke ouder of ouders de wettelijke, financiële en/of affectieve lasten van het kind berusten. De minister zal moeten bepalen of de ouder die derdelander is, de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige Unieburger draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. Het gegeven dat de ouder die Unieburger is, in staat en bereid is om de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige Unieburger alleen te dragen, is daarbij weliswaar relevant, maar volstaat niet voor de conclusie dat geen afhankelijkheidsverhouding bestaat. Ook samenwoning van de ouder die derdelander is met de minderjarige Unieburger is relevant, maar vormt geen noodzakelijk vereiste voor het aannemen van een afhankelijkheidsverhouding. Bij de beoordeling moet de minister rekening houden met alle omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die Unieburger is als met de ouder die derdelander is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van de ouder die derdelander is, zou worden gescheiden. In het geval beide ouders met het gezag zijn belast gaat de rechter uit van de veronderstelling dat zij bij duurzame samenwoning dat gezag ook daadwerkelijk samen uitoefenen en de wettelijke, affectieve en financiële lasten van de minderjarige Unieburger ook dagelijks samen dragen. Als dat het geval is, is sprake van een weerlegbaar vermoeden dus tussen de ouder die derdelander is en minderjarige Unieburger sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding. 7.1. Sinds de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 hanteert de minister nieuwe criteria bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-verblijfsrecht. Deze criteria zijn opgenomen in Informatiebericht 2025/39 en paragraaf B10/2.5.1. van de Vreemdeingencirculaire 2000 (Vc 2000). De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf als hij: zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen; een minderjarig, Nederlands kind heeft; én er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. Het oordeel van de rechtbank Het gewijzigde beoordelingskader 8. De rechtbank constateert allereerst dat het juridisch kader waaraan aanvragen om een Chavez-verblijfsvergunning worden getoetst is gewijzigd na de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025. De rechtbank wijst op het hiervoor onder 7. en 7.1 beschreven kader. Met de minister stelt de rechtbank vast dat sinds deze uitspraak de voorwaarde over daadwerkelijke opvoedings- en zorgtaken niet langer als zelfstandig vereiste mag worden gehanteerd door de minister en dat een aanvraag om een Chavez-verblijfsvergunning dus ook niet mag worden afgewezen louter omdat een vreemdeling volgens de minister niet meer dan marginale zorgtaken verricht voor een minderjarig kind. De voorwaarde ‘zorgtaken’ wordt vanaf nu dus samen met alle andere relevante omstandigheden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen de derdelander en zijn minderjarige kind. De rechtbank ziet in het wijzigen van dit toetsingskader geen reden om het bestreden besluit te vernietigen.
Volledig
De rechtbank volgt de minister namelijk in zijn standpunt dat de zorgtaken nooit als zelfstandige afwijzingsgrond door de minister zijn tegengeworpen, maar dat de minister in het bestreden besluit ook overwegingen heeft gewijd aan de andere relevante omstandigheden die volgens hem maken dat geen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn dochter, zoals bijvoorbeeld samenwoning, de gezinssituatie en de emotionele en geestelijke ontwikkeling van de dochter van eiser. Als zodanig volstaat de door de minister gegeven motivering dan ook onder het nieuwe toetsingskader. Is er sprake van een afhankelijkheidsverhouding? 8.1. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en zijn minderjarige dochter een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat zijn dochter zou worden gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser een verblijfsrecht zou worden geweigerd. De rechtbank legt dit oordeel hierna verder uit. Zorg- en opvoedingstaken 8.2. De minister baseert zijn standpunt dat die zodanige afhankelijkheidsrelatie ontbreekt terecht (onder andere) op de omstandigheid dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor zijn dochter verricht. Uit de door eiser overgelegde rapportages van Limor volgt dat eiser betrokken is bij het leven van zijn dochter, maar daaruit blijkt niet dat sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. Uit de rapportages blijkt voornamelijk dat de rapporteur zich zorgen maakt over het feit dat eiser geen verblijfsvergunning heeft, en de effecten daarvan op zijn dochter en het gezin. Ook wordt meermaals aandacht besteed aan de gevolgen van de huiszoeking bij eiser thuis, zijn arrestatie en detentie en de gevolgen daarvan voor zijn dochter en de moeder van zijn dochter. Verder benadrukt Limor veelvuldig dat de aanwezigheid van eiser essentieel is voor zijn dochter. Uit de verklaringen blijken echter weinig daadwerkelijke zorg- en of opvoedingstaken. Uit de rapportage van Limor van 14 oktober 2019 blijkt dat eiser zijn dochter naar school brengt en ophaalt, kookt, ondersteunt met huiswerk, zijn dochter helpt bij het douchen en aankleden en dat zij samen naar de sportclub gaan. Op zichzelf blijkt uit deze verklaringen van bepaalde zorgtaken, maar niet is aannemelijk dat de zorgtaken die eiser verricht meer dan marginaal van aard zijn, de rechtbank legt hierna uit waarom. 8.3. De minister volgt eiser terecht niet in zijn betoog dat Limor moet worden gezien als een onafhankelijke deskundige. De minister wijst er terecht op dat Limor in het belang handelt van de moeder van eisers dochter en daarmee niet onafhankelijk staat ten opzichte van eiser. Dat Limor kennelijk is aangesteld door de gemeente Delft maakt dat niet anders. De verklaringen van Limor geven bovendien geen inzicht in hoe zij tot haar conclusie is gekomen dat eiser structureel deel uitmaakt van het leven van zijn dochter en meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Uit de verklaring van Limor van 13 september 2022 volgt dat Limor slechts éénmaal per week langskomt zodat het zicht dat Limor heeft op het gezin feitelijk hoe dan ook erg beperkt is. Niet valt dan in te zien hoe Limor uit eigen waarneming weet dat eiser vijf keer per week bij zijn dochter is, of dat hij iedere dag bepaalde zorg- of opvoedingstaken voor haar verricht. Hoewel in die stukken van Limor dus enkele zorgtaken worden benoemd heeft de minister van eiser mogen verwachten dat hij deze zorgtaken zou onderbouwen met objectief verifieerbare bewijsstukken. Dit heeft eiser niet gedaan. De minister heeft gezien deze context slechts een beperkte waarde mogen toekennen aan de rapportages van Limor. 8.4. De minister wijst er verder terecht op dat hij geen verklaring van de school heeft ontvangen waaruit blijkt dat de dochter van eiser door hem wordt gebracht en opgehaald. Uit de verklaring van basisschool [naam school] van 17 oktober 2019 blijkt bovendien dat de dochter van eiser in die tijd juist werd opgehaald door haar moeder en niet door eiser. Uit de verklaring van de huisarts blijkt verder niet hoe vaak eiser met zijn dochter naar het spreekuur komt. Ook uit de door eiser overgelegde foto’s blijkt niet dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht van meer dan marginale aard. Er zijn door eiser veel foto’s overgelegd, onder andere foto’s waarop eiser het haar van zijn dochter in model brengt, foto’s waarop hij met zijn dochter leuke dingen doet of tennist of waarop hij te zien is bij de school van zijn dochter. Ook zijn een aantal foto’s bijgevoegd waarop eiser en zijn dochter te zien zijn toen zij nog klein was en haar kennelijk te drinken geeft. Zonder nader steunbewijs heeft de minister zich echter terecht op het standpunt gesteld dat foto’s op zichzelf geen doorslaggevende waarde kunnen hebben, nu het momentopnames betreft en daaruit niet blijkt dat sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. Ook over de door eiser overgelegde verklaringen van zijn dochter, de tenniscoach, de onderbuurvrouw, zijn partner en vriend heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat deze subjectief zijn en dat ook zij zonder nadere ondersteuning geen bewijs kunnen vormen voor het uitvoeren van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 oktober 2024 en de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021 maken dat niet anders. De minister heeft de getuigenverklaringen immers niet uitsluitend verworpen alleen omdat zij subjectief zouden zijn, maar omdat enig steunbewijs voor deze verklaringen ontbreekt. De rechtbank volgt niet de verwijzing van eiser naar het reclasseringsrapport van 12 september 2024 omdat daaruit niet volgt dat eiser zorg- en opvoedingstaken verricht. 8.5. Naar aanleiding van door eiser in beroep overgelegde overzichten en belnotities is de minister teruggekomen op de motivering van zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat eisers dochter en haar moeder hem hebben bezocht en gebeld terwijl hij in detentie zat. Nu deze stukken door eiser pas in beroep zijn overgelegd kan dat echter geen reden zijn voor een zorgvuldigheidsgebrek. De minister heeft eiser evenwel terecht tegengeworpen dat hij weliswaar regelmatig door zijn dochter en haar moeder werd bezocht toen hij gedetineerd was, maar dat nergens uit blijkt dat hij gedurende die tijd een rol heeft gespeeld in het leven van zijn dochter en dat hij vanuit detentie zorg- en opvoedingstaken heeft verricht. 8.6. Hoewel uit de rapportage van de Rijksuniversiteit van Groningen uit 2016 inderdaad volgt dat eiser gedurende de periode waarin dat rapport is opgemaakt zorg- en opvoedingstaken voor zijn dochter verrichte, is dat rapport inmiddels bijna tien jaar oud en geeft het geen inzicht over de periode die daarop volgde. Ten tijde van het rapport was de dochter van eiser één jaar oud. Uit het rapport blijkt bovendien niet welke zorg- en opvoedingstaken eiser precies verrichte, behalve het halen van drinken als de moeder daarom vroeg. Verder staat daarin nog de algemene opmerking dat eiser erg zorgzaam was. Hoewel uit het rapport volgt dat eiser toen zijn dochter net was geboren zorg- en opvoedingstaken verrichte, heeft de minister daarin terecht geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat dit zich heeft voorgezet naarmate zijn dochter opgroeide. Zoals uit voorgaande volgt heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de acht jaar na de periode waarop dit rapport ziet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor zijn dochter heeft verricht. De minister heeft aan dit rapport terecht niet de waarde gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. 8.7. De rechtbank is tenslotte, anders dan de mister, van oordeel op basis van de foto’s en het abonnement op de tennisbaan aannemelijk is dat eiser met enige regelmaat samen met zijn dochter tennist, maar gezien voorgaande is dat onvoldoende om te spreken van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. 8.8.
Volledig
De rechtbank volgt gezien voorgaande niet het betoog van eiser dat de minister de zorg- en opvoedingstaken van eiser niet juist heeft getoetst. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister hem niet tegengeworpen dat hij niet alleen alle zorg- en opvoedingstaken verricht, maar dat niet is gebleken dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn dochter. Dit heeft de minister conform zijn beleid in het nadeel van eiser mogen uitleggen. Dat eiser gezag heeft over zijn dochter maakt dit oordeel niet anders, dat zegt immers op zichzelf niets over de feitelijke invulling van dat gezag. Samenleving 8.9. De minister werpt eiser verder terecht tegen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk met zijn dochter samenwoont of heeft samengewoond. De minister mag zijn standpunt baseren op de omstandigheden dat eiser per 4 september 2014 staat ingeschreven in de Registratie niet-ingezetenen en dat uit bij de minister ambtshalve bekende gegevens blijkt dat eiser per 28 maart 2024 weer ingeschreven staat op hetzelfde adres bij zijn dochter en haar moeder. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de tussentijd, of na zijn detentie die begon op 9 april 2024 feitelijk (weer) bij zijn dochter woont. 8.10. Uit de verklaring van 21 februari 2024 met daaronder de naam van mevrouw [naam 1] van Limor volgt weliswaar dat eiser met zijn dochter samenwoont, maar niet hoe lang dat al zo is. De minister wijst er verder terecht op dat de verklaring, anders dan de overige verklaringen van Limor, niet op officieel briefpapier van Limor is geschreven zodat onduidelijk is of deze verklaring daadwerkelijk van Limor afkomstig is. De rechtbank wijst ook in dit kader op het feit dat Limor blijkens hun eigen rapportage van 13 september 2022 één keer per week bij eiser langskomt, zodat niet valt in te zien hoe zij feitelijk op de hoogte zouden kunnen zijn van de omstandigheid dat eiser daadwerkelijk samenwoont met zijn dochter. De rechtbank wijst verder op de verklaring van Limor van 31 maart 2020 waarin Limor aangeeft dat eiser destijds juist niet op het adres van de moeder van zijn dochter woonde. Daarmee wordt de stelling van eiser tijdens de ambtelijke hoorzitting van 10 juni 2024 weersproken dat hij altijd bij zijn dochter heeft gewoond. In de overige verklaringen van Limor wordt verder niets verklaard over samenwoning. Deze omstandigheden tezamen maken dat de minister ook in deze context niet de waarde aan de rapportages van Limor heeft hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien. 8.11. Ook uit de verklaring van eisers huisarts volgt niet hoe lang hij bij zijn gezin verblijft. Verder valt ook hier niet in te zien hoe een huisarts vanuit zijn positie zou kunnen weten dat eiser feitelijk bij zijn dochter woont. Ook blijkt uit de foto’s en (kook)filmpjes niet dat eiser met zijn dochter samenwoont. Dat eiser vaak bij zijn dochter in hetzelfde huis is, is niet hetzelfde als duurzaam samenwonen. Uit de verklaring van de Reclassering volgt verder ook niet hoe lang eiser al met zijn dochter en de moeder samenwoont. Uit de omstandigheid dat eiser op het adres van de moeder van zijn dochter post ontvangt blijkt, anders dan eiser betoogt, niet dat hij daar ook feitelijk woont. 8.12. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat hij zich niet heeft kunnen inschrijven, en dat dit te wijten is geweest aan de IND of aan de gemeente Delft. Dit betoog maakt, hoe dan ook, niet anders dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk duurzaam met zijn dochter heeft samengewoond. De rechtbank volgt eiser ook niet in het betoog dat de minister adresonderzoek zou moeten opstarten. Het is immers aan eiser om aannemelijk te maken dat hij duurzaam heeft samengewoond met zijn dochter. Tot slot wijst de rechtbank op het onder 7. weergegeven kader, waaruit, anders dan eiser betoogt, wel degelijk volgt dat duurzame samenwoning een omstandigheid is die de minister moet meewegen bij de beoordeling. In het reclasseringsrapport van 12 september 2024 staat weliswaar dat eiser sinds 2013 samenwoont, maar het is onduidelijk hoe de reclassering op de hoogte is gekomen van eisers feitelijke woonadres gedurende de jaren van 2013 tot aan de datum van het rapport. Daarbij wijst de rechtbank wederom op het rapport van Limor van 31 maart 2020 waaruit juist volgt dat eiser toen in ieder geval niet bij zijn dochter woonde. Alles tezamen bezien blijft onduidelijk of eiser met zijn dochter heeft samengewoond, en zo ja, gedurende welke periode dat was. Eiser heeft dat dus niet aannemelijk gemaakt. 8.13. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat eiser tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat hij niet kon verklaren welke medewerker van Limor bij hen thuiskomt, terwijl er volgens eiser wekelijks bezoek plaatsvindt. Ter zitting heeft eiser daarover een aannemelijke verklaring gegeven, namelijk dat hij de naam ‘ [naam 2] ’ noemde terwijl dat ‘ [naam 3] ’ moest zijn. Desondanks kan dit niet afdoen aan de omstandigheid dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (ooit) duurzaam heeft samengewoond met zijn dochter. 8.14. De rechtbank ziet verder, met het oog op de aanvullende gronden van eiser van 17 oktober 2024, geen reden voor het oordeel dat de minister niet alle verklaringen van Limor bij de besluitvorming heeft betrokken. De minister heeft over de verklaringen, waaronder de verklaring van 27 september 2023, en wat daarin is vermeld een duidelijk standpunt ingenomen in het bestreden besluit. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd welke andere stukken van Limor volgen hem ten onrechte niet in de beoordeling zouden zijn betrokken. De gevolgen voor de minderjarige en de belangen van het kind 8.15. De minister heeft eiser verder mogen tegenwerpen dat hij niet met stukken van een medisch specialist aannemelijk heeft gemaakt dat de moeder van zijn dochter als hij afwezig is, desnoods met hulp, de zorg van hun dochter niet kan dragen. De minister heeft zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat Limor geen medisch specialist is, en dat Limor daarom geen uitspaken kan doen over de gevolgen voor de ontwikkeling van de dochter van eiser, mocht eiser worden uitgezet naar Suriname. Dat Limor feitelijk bij het gezin betrokken is maakt dat niet anders. Verder heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat hij meermaals gedetineerd is geweest en dat de moeder toen ook zonder zijn hulp voor de dochter heeft kunnen zorgen. Daaruit heeft de minister mogen afleiden dat het zwaartepunt voor de zorg van de dochter in ieder geval in die tijd bij de moeder heeft gelegen en dat daaruit in algemene zin niet blijkt dat de hulp van eiser noodzakelijk is om hun dochter te kunnen opvoeden als eiser er niet is. Dat de moeder van de dochter van eiser medische beperkingen ervaart maakt dat niet anders omdat eiser niet met medische stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij de zorg voor hun kind, desnoods met hulp van derden of hulpverleningsinstanties, niet kan dragen. 8.16. De rechtbank onderkent met de minister dat de aanwezigheid van eiser in het leven van zijn dochter belangrijk is voor haar ontwikkeling en dat sprake zal zijn van een impact op haar emotionele en geestelijke gesteldheid als eiser moet terugkeren naar Suriname. De juistheid van dit algemene uitgangspunt vloeit afdoende voort uit de door eiser overgelegde rapportages van de Rijksuniversiteit Groningen en het rapport van [persoon A] en [persoon B] , ‘ De pedagogische betekenis van vaders’. De minister stelt zich daarover echter terecht op standpunt dat deze omstandigheid op zichzelf niet maakt dat eiser daarom aanspraak maakt op een verblijfsvergunning. De rechtbank legt dat hieronder uit. 8.16.1. Uit het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt – kort gezegd – dat de dochter van eiser risico loopt op ontwikkelingsschade en dat hechtingsproblematiek zal ontstaan bij terugkeer van eiser naar Suriname. De minister heeft dit ook onderkend. De rechtbank merkt verder zelf op dat het rapport stamt uit 2016 toen de dochter van eiseres nog erg jong was.
Volledig
Ten tijde van het bestreden besluit was de dochter van eiser 9 jaar oud en eiser is sinds de geboorte van zijn dochter niet teruggekeerd naar Suriname. Ook volgt uit de bij het rapport gevoegde “Best Interest of the Child-Questionare” dat de veronderstelde kwaliteit van de omgevingscondities voor eisers dochter in geval van terugkeer van eiser naar Suriname op bijna alle punten minstens voldoende is, behalve op de punten “continuïteit opvoeding en verzorging” en “omgang met leeftijdsgenoten”. Gezien het hiervoor geschetste tijdsverloop en de omstandigheid dat eiser niet daadwerkelijk is teruggekeerd, volgt uit dit rapport geen concreet antwoord op de vraag op welke wijze de eventuele terugkeer van eiser naar Suriname onder de huidige omstandigheden impact zal hebben geestelijke toestand van zijn dochter. Uit het rapport van [persoon A] en [persoon B] volgt weliswaar dat het verlies van een vader of moeder in algemene zin (geestelijke en lichamelijke) gevolgen kan hebben, maar daarmee is niet duidelijk welke gevolgen zich mogelijk zullen voordoen in de specifieke situatie van de dochter van eiser. 8.16.2. De minister heeft zich gezien voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat met de verwijzing naar de algemene informatie uit deze twee stukken geen aanwijzing is gegeven dat de afwezigheid van eiser, met inachtneming van de omstandigheden van dit specifieke geval, zijn dochter zodanig zou schaden dat zij daadwerkelijk in haar ontwikkeling zou worden bedreigd. Daarvoor zijn op het geval toegespitste medische stukken noodzakelijk. Deze stukken heeft eiser niet overgelegd. De minister benadrukt bij dit alles terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn minderjarige dochter. 8.17. De rechtbank volgt niet de verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 1 augustus 2024. In die uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat er een afhankelijkheidsverhouding bestond tussen eiser en zijn kind. Dat is hier niet het geval. Gezien voorgaande heeft de minister in de door eiser aangeleverde wetenschappelijke informatie geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek naar de band tussen eiser en zijn dochter. 8.18. De rechtbank ziet vanwege het voorgaande tot slot geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals eiser betoogt, de minister geen integrale afweging heeft verricht en daarbij niet alle door eiser aangehaalde feiten en omstandigheden heeft betrokken. Tussenconclusie 9. Gezien voorgaande overwegingen is de rechtbank aldus van oordeel dat de minister zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat tussen eiser en zijn minderjarige dochter een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat zij eiser zou moeten volgen naar Suriname als hem een verblijfsrecht zal worden ontzegd. De rechtbank beoordeelt hierna of eiser recht heeft op een afhankelijk verblijfsrecht bij zijn partner en of dat de afwijzing van eisers aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Heeft de minister eisers aanvraag om een afgeleid verblijfrecht bij zijn partner mogen afwijzen? 10. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet gedurende minstens zes maanden een duurzame relatie heeft gehad en gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met zijn partner. Volgens eiser heeft hij daarom recht op een afgeleid verblijfsrecht bij zijn gestelde partner. Juridisch kader 11. De IND kan aan eiser een afgeleid verblijfsrecht toekennen als hij aannemelijk maakt dat hij een duurzame relatie heeft met zijn gestelde partner. De IND neemt aan in aanvulling op artikel 8.7, vierde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 dat een Unieburger en de ongehuwde partner een duurzame relatie hebben, als zij voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij in ieder geval gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. 11.1. De IND kan op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval een relatie als duurzaam aanmerken als de Unieburger en de ongehuwde partner: nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond; en gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. De IND betrekt bij die beoordeling de redenen, waarom de Unieburger en de ongehuwde partner (tijdelijk) niet samenwonen. Verder kan de IND daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aan kunnen tonen dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie als hier bedoeld: de duur van de gezamenlijke huishouding; het dragen van zorg voor elkaar; het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen; het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden (hypotheek, gezamenlijke schulden of gezamenlijke bankrekeningen) of gezamenlijk grote aankopen of eigendommen; samenwoning in het verleden (in Nederland of in het buitenland); en/of de frequentie van het contact en elkaar zien. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie. De IND kent uitsluitend aan één (ongehuwde) partner een afgeleid verblijfsrecht toe. Het oordeel van de rechtbank 11.2. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ooit een duurzame relatie met zijn gestelde partner heeft gehad. De minister wijst er terecht op dat eiser slechts 12 dagen heeft ingeschreven gestaan op het adres van de gestelde partner en dat hij daarna gedetineerd is. Zoals uit voorgaande blijkt heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij ooit duurzaam heeft samengewoond op hetzelfde adres als zijn dochter, terwijl niet in geschil is dat zij bij de gestelde partner van eiser verblijft. Zoals uit voorgaande volgt is ook niet gebleken van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. De minister werpt eiser daarom terecht tegen dat eveneens niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden die (toch) maken dat sprake is geweest van een duurzame relatie. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de periode dat hij niet bij zijn gestelde partner stond ingeschreven wel gedurende minstens zes maanden feitelijk een gemeenschappelijk huishouden met haar voerde dan wel een duurzame relatie met haar had. Heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM mogen onthouden? Is er sprake van familie- of gezinsleven tussen eiser, zijn dochters en zijn partner? 12. Volgens eiser is de minister in het bestreden besluit ten onrechte tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn partner en dochter. In het primaire besluit is de minister wel tot de conclusie gekomen dat sprake was van gezinsleven. Nu eiser niet slechter mag worden van zijn bezwaar, had de minister daar in het besteden besluit volgens eiser niet op terug mogen komen. Dit is volgens eiser in strijd met het verbod op reformatio in peius. 12.1. Volgens eiser heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een gemeenschappelijk huishouden heeft gevoerd met zijn partner en dochter. Hij wijst daartoe op een brief van de gemeente Delft van 2 april 2024 waarin de gemeente constateert dat eiser zich op het adres van zijn partner heeft ingeschreven. Tussen eiser en de moeder van zijn dochter en zijn dochter is daarom sprake van gezinsleven volgens eiser. Juridisch kader 12.2. De minister neemt gezinsleven aan tussen partners als een partnerrelatie wordt ingevuld op een wijze vergelijkbaar met een huwelijk. Daarbij is samenwonen een belangrijke indicatie dat sprake is van familie-of gezinsleven maar het is geen voorwaarde. In de meeste situaties (bijvoorbeeld: huwelijkspartners die niet samenwonen, of meerderjarige kinderen die niet bij hun ouders wonen) is het feit dat de vreemdeling niet samenwoont met zijn familie- of gezinsleden een aanwijzing dat niet in voldoende mate feitelijk invulling wordt gegeven aan het familie- of gezinsleven.
Volledig
Het is aan betrokkenen om aannemelijk te maken waarom het feit dat zij niet samenwonen geen afbreuk doet aan het gestelde familie- of gezinsleven. 12.3. In paragraaf B7/3.8 van de Vc 2000 is opgenomen dat tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen altijd sprake is van familie- of gezinsleven. Als de biologische vader op het moment dat het kind werd geboren of werd verwekt (de relatie hoeft niet nog te bestaan bij de geboorte) een huwelijk of relatie had met de moeder, is sprake van familie- of gezinsleven. Wat is het oordeel van de rechtbank? 12.4. Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister, door in het bestreden besluit geen gezinsleven meer aan te nemen tussen eiser en zijn dochter en haar moeder, eiser niet in een meer nadelige positie heeft gebracht. De minister heeft zich immers telkens op het standpunt gesteld dat de aanvraag moet worden afgewezen. Dit standpunt is door de veranderde motivering niet gewijzigd, zodat eiser als gevolg van zijn bezwaar niet in een nadeliger positie is komen te verkeren dan hij voordien al verkeerde. 12.5. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn partner. Zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 8.9 en verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser ooit duurzaam met zijn partner heeft samengewoond. Verder heeft eiser, zoals volgt uit het onder 11.2 overwogene, niet aannemelijk gemaakt dat hij een duurzame relatie met de moeder van zijn dochter heeft. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat hij nu, anders dan in het bestreden besluit, wel aanneemt dat de dochter van eiser uit een met een huwelijk gelijk te stellen relatie is geboren, zodat tussen eiser en zijn dochter sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat de minister een belangenafweging moet maken. Dit heeft de minister in het bestreden besluit zekerheidshalve ook gedaan. De rechtbank zal hierna op deze belangenafweging ingaan. Heeft de minister een juiste belangenafweging gemaakt? 12.6. De minister heeft in het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt voor het geval de rechtbank toch gezinsleven zou aannemen tussen eiser en zijn partner dan wel zijn minderjarige dochter. De rechtbank constateert echter dat eiser tegen het standpunt van de minister dat geen familie- of gezinsleven bestaat tussen hem en zijn andere twee dochters geen gronden heeft gericht, zodat dat standpunt niet in geding is. De rechtbank bespreekt, hieronder daarom de belangenafweging voor zover het eiser en zijn minderjarige dochter betreft. 12.7. Eiser betoogt dat de minister hem niet mag tegenwerpen dat de moeder van zijn kind en zijn dochter het gezinsleven met hem in Suriname kunnen uitoefenen. Dit is volgens eiser onredelijk bezwarend. Verder vindt eiser bevreemdend dat de minister aangeeft dat hij niet aannemelijk vindt dat eisers dochter hem zal volgen naar Suriname, als hij wordt teruggestuurd, maar dat de minister tegelijk aanneemt dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. Daarmee erkent de minister volgens eiser dat tussen hem en zijn dochter een afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verder wijst eiser erop dat hij gezag heeft over zijn dochter, waardoor hij verplicht is de belangrijkste keuzes voor zijn dochter te maken, zoals over schoolkeuze of medische behandelingen. Eiser verrichte verder dagelijkse zorg- en opvoedingstaken voor zijn dochter. De minister heeft eiser verder ten onrechte tegengeworpen dat hij 18 maanden in detentie heeft gezeten, nu eiser de detentie pas heeft voltooid na de datum van de aanvraag. De aanvraag is volgens eiser het peilmoment. De tijd die eiser wel in detentie heeft doorgebracht kan volgens hem bovendien niet worden vergeleken met de situatie dat eiser definitief terugkeert naar Suriname. Ook is de minister volgens eiser ten onrechte voorbijgegaan aan de verklaringen van Limor over de gevolgen voor de dochter van eiser, wanneer hij zou worden uitgezet. Volgens eiser is Limor een onafhankelijke deskundige. 12.8. Eiser betoogt verder dat de minister hem in het kader van de belangenafweging niet kan tegenwerpen dat hij een gevaar is voor de openbare orde. Eiser is weliswaar in 2024 definitief veroordeeld voor een misdrijf, maar dit misdrijf heeft in 2016 plaatsgevonden en eiser heeft sindsdien, dus bijna tien jaar, geen strafbare feiten meer gepleegd. Eiser wijst verder op het rapport van de reclassering van 12 september 2024. Eiser betoogt dat de minister had moeten kijken naar de pleegdatum en niet naar de datum waarop eiser definitief is veroordeeld. Eiser heeft deze omstandigheden ook in de bezwaarfase aangehaald maar daarop is door de minister in de besluitvorming niet ingegaan. Eiser wijst er verder op dat hij vervroegd is vrijgelaten. De gevolgen van de afwijzing van eisers verblijfsvergunning zijn volgens hem buitenproportioneel en het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De inmenging is volgens eiser niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Eiser wijst erop dat ingevolgd de arresten van het EHRM Boultif en Üner moet worden gekeken naar de duur van het verblijf in het gastland, waarbij volgens eiser geen sprake hoeft te zijn van legaal verblijf. Verder moet de minister kijken naar het tijdsverloop tussen de strafbare gedraging en de aanvraag. Eiser wijst erop dat hij nu 35 jaar in Nederland verblijft en slechts 19 jaar in Suriname heeft verbleven. Volgens eiser heeft de minister geen rekening gehouden met de binding van eiser met Nederland en het ontbreken van binding van eiser met Suriname. Juridisch kader 12.9. Als de minister heeft vastgesteld dat er familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maakt hij vervolgens een belangenafweging. Daarbij weegt hij het belang van de Nederlandse Staat af tegen het belang van de betrokkenen. Zowel in het geval van een positieve als negatieve verplichting moet het bestuursorgaan een 'fair balance' treffen tussen de belangen van de betrokken individuen en de belangen van de gemeenschap als geheel. Bij die belangenafweging moet de minister alle relevante feiten en omstandigheden betrekken. Dat kunnen ook feiten en omstandigheden zijn die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat sprake is van gezinsleven. In gevallen waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen bij de belangenafweging heeft het EHRM een aantal zogenoemde "guiding principles" gedefinieerd (de Boultif-criteria). In aanvulling daarop heeft het EHRM in zijn arrest van 18 oktober 2006 nog twee criteria genoemd (de Üner-criteria). 12.9.1. De rechter toetst of de minister alle feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Als dit het geval is, toetst de rechter de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend. Het oordeel van de rechtbank 12.10. Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. De minister heeft zich aldus niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn dochter. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dat oordeel is gekomen. De belangeninventarisatie 12.11. De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden ziet voor het oordeel dat de belangen van eiser, zoals eiser betoogt, totaal buiten beschouwing zijn gelaten. Het algemene belang van eiser om bij zijn dochter in Nederland te blijven vormt de basis voor de gehele belangenafweging en is als zodanig ook benoemd in het besluit van 10 juni 2024, waarnaar is verwezen in het primaire besluit in deze procedure. De minister heeft verder bijvoorbeeld overwegingen gewijd aan de aard en intensiteit van het gezinsleven van eiser en zijn dochter, de banden van het gezin met Suriname en Nederland en de belangen van het kind.
Volledig
De door eiser aangevoerde gronden inzake de openbare orde heeft de minister ook bij het daarop betrekking hebbende deel van de belangenafweging betrokken. Eiser is mede door middel van een ambtelijke hoorzitting van 21 januari 2024 ruim voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn belangen voor zover nodig te benoemen en toe te lichten. Eiser heeft weliswaar betoogd dat bepaalde belangen volgens hem ten onrechte niet door de minister bij de belangenafweging zouden zijn betrokken, maar heeft niet concreet gemaakt welke dat zijn. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiser dat de minister (een deel van) zijn belangen niet bij de beoordeling zou hebben betrokken. De zorgvuldigheid van de belangenafweging Objectieve belemmering 12.12. Dat de minister geen objectieve belemmering aanneemt voor eiser om het gezinsleven met zijn dochter in Suriname uit te oefenen brengt voorts, anders dan eiser betoogt, niet reeds met zich mee dat daarmee een afhankelijkheidsverhouding is gegeven zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. De rechtbank verwijst in dat verband naar het onder 8.1. en verder overwogene. De minister wijst er immer slechts op dat de theoretische mogelijkheid om in Suriname te gaan wonen niet is uitgesloten. Dit staat in beginsel los van de daadwerkelijke relatie tussen eiser en zijn dochter en de vraag welke keuze zij zou maken, mocht eiser worden teruggestuurd naar Suriname. 12.12.1. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat de belangenafweging met betrekking tot zijn dochter op dit punt onzorgvuldig is geweest. De rechtbank volgt niet het betoog dat de minister eiser niet mag tegenwerpen dat geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. De minister heeft in de besluitvorming erkend dat de situatie in Suriname minder goed is dan in Nederland. De minister geeft ook aan dat de dochter van eiser ervoor zou kunnen kiezen om daarom in Nederland te blijven. Dat maakt echter, anders dan eiser betoogt, niet dat daarom kennelijk een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. Dit is immers niet onmogelijk. Dat dit moeilijk of onwenselijk is, maakt dat niet anders. Eiser heeft geen gronden gericht tegen de overige motivering die de minister ten grondslag legt aan zijn standpunt dat niet is gebleken van een objectieve belemmering, zoals bijvoorbeeld de motivering van de minister dat eiser en de moeder van zijn dochter beiden de taal spreken en de cultuur kennen. De minister heeft eiser daarom niet ten onrechte tegengeworpen dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. Openbare orde 12.13. De rechtbank bespreekt hieronder de belangenafweging van de minister voor zover die het aspect openbare orde betreft. De rechtbank zal dit deel van de afweging bespreken aan de hand van de onder 12.9 genoemde Boultif- en Üner-criteria. 12.14. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich met betrekking tot het aspect openbare orde niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van de Nederlandse overheid om de openbare orde te beschermen in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eiser om gezinsleven met zijn dochter in Nederland te kunnen uitoefenen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen en zal waar nodig de gronden van eiser bespreken. De aard en ernst van de misdrijven 12.15. De minister heeft niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat hij tussen 28 december 2005 en 26 maart 2024 zeven keer onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank constateert dat eiser zes keer is veroordeeld voor de datum van de aanvraag en één keer na die datum. Daarbij wijst de minister erop dat eiser in 2018 onherroepelijk is veroordeeld tot 18 maanden celstraf voor het opzettelijk uitlokken van moord door inlichtingen te verschaffen en dat hij daarnaast op 26 maart 2024 tot een celstraf van 11 maanden en twee weken is veroordeeld voor kindermisbruik. De minister kwalificeert deze misdrijven niet ten onrechte als ernstige misdrijven waardoor de openbare veiligheid en openbare orde is aangetast. De minister weegt de omstandigheid dat eiser gedurende deze periode meerdere zware misdrijven heeft gepleegd niet ten onrechte zeer zwaar mee in eisers nadeel. Duur van het verblijf in Nederland 12.16. De minister weegt verder niet ten onrechte in het nadeel van eiser mee dat hij al ruim 35 jaar in Nederland verblijft, maar nooit een verblijfsrecht heeft gehad en dat aan hem een inreisverbod is opgelegd. Zoals de minister niet ten onrechte stelt heeft eiser er daarom nooit op mogen vertrouwen dat hij in Nederland familie- of gezinsleven zou mogen uitoefenen met zijn dochter. Het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van eiser sinds die tijd 12.17. De minister erkent dat, hoewel de veroordelingen van later datum zijn, het laatste door eiser gepleegde strafbare feit dateert van 2016 en dat niet is gebleken dat eiser sindsdien strafbare feiten heeft gepleegd. De minister heeft zich hierover niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit aspect daarom niet in eisers nadeel, maar ook niet in zijn voordeel kan meewegen, omdat het niet plegen van strafbare feiten vanzelfsprekend hoort te zijn. De rechtbank volgt gezien voorgaande ook niet het betoog van eiser dat hij vervroegd is vrijgelaten vanwege goed gedrag en dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat er een laag-gemiddeld risico op recidive bestaat. Gezien de aard van de door eiser gepleegde misdrijven en de lange periode waarin deze hebben plaatsgevonden ziet de rechtbank, voor zover eiser daarop doelt, overigens ook geen aanleiding voor het oordeel dat het feit dat eiser misdrijven heeft gepleegd door de minister helemaal buiten beschouwing had moeten worden gelaten. De nationaliteit van alle betrokkenen 12.18. De minister weegt verder niet te onrechte in het voordeel van eiser mee dat zijn dochter de Nederlandse nationaliteit heeft, maar dat eiser de Surinaamse nationaliteit heeft. De gezinssituatie van eiser 12.19. De minister wijst er verder terecht op dat niet is gebleken van een afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez tussen eiser en zijn dochter en gaat er daarom terecht van uit dat geen sprake is van een intensief gezinsleven. De rechtbank volgt niet het betoog dat eiser, dat hij vanwege het gezag dat hij heeft over zijn dochter, de belangrijkste keuzes in haar leven voor haar moet maken. De minister heeft zich daarover immers terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken van eiser voor zijn dochter. Dit heeft hij in de belangenafweging daarom niet ten onrechte in eisers nadeel meegewogen. 12.20. De minister heeft gezien voorgaande terecht geconcludeerd dat gezien alle omstandigheden niet is gebleken dat het gezinsleven tussen eiser en zijn dochter erg intensief is (geweest). De minister wijst er daarom ook terecht op dat niet aannemelijk is dat het toch al niet intensieve gezinsleven tussen eiser en zijn dochter niet eventueel op afstand zou kunnen worden voortgezet. Gezien deze omstandigheden tezamen stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de belangen van het kind van eiser in dit geval niet prevaleren boven de belangen van de Nederlandse staat. De vraag of er kinderen uit de relatie zijn geboren en, als dit het geval is, hun leeftijd 12.21. De minister heeft niet ten onrechte in eisers nadeel meegewogen dat zijn minderjarige dochter is geboren terwijl eiser geen verblijfsrecht had en gedurende de periode dat hij een inreisverbod had van tien jaar, en dat eiser er dus niet op had mogen vertrouwen dat hij het familie- of gezinsleven in Nederland zou kunnen uitoefenen. Het belang en welzijn van de kinderen, in het bijzonder de ernst van de problemen die kinderen waarschijnlijk zouden ondervinden in het land van herkomst van de vreemdeling 12.22.
Volledig
De minister heeft niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat hij ooit met zijn dochter heeft samengewoond en dat hij ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor haar heeft verricht. Daaruit volgt namelijk dat ook niet aannemelijk is dat eisers dochter hem naar Suriname zou volgen, mocht hij worden uitgezet. De rechtbank bespreekt daarom, in navolging van de minister, de vraag of het gezinsleven eventueel op afstand zou kunnen worden uitgeoefend en welke gevolgen dat mogelijk zou hebben voor eisers dochter. 12.23. De dochter van eiser heeft sterke banden heeft met Nederland en niet met Suriname. De minister wijst er niet ten onrechte op dat niet is gebleken dat het gezinsleven niet op afstand kan worden uitgeoefend en dat dit ook het geval is geweest toen eiser gedetineerd was. Dat het vertrek van eiser gevolgen zal hebben voor de geestesgesteldheid van zijn dochter is aannemelijk, maar zoals gezegd heeft eiser niet met medische stukken onderbouwd wat de gevolgen zullen zijn voor zijn dochter, mocht hij moeten terugkeren naar Suriname. De rechtbank wijst wederom op het onder 8.16 en 8.17 overwogene. De rapportages van Limor 12.24. Ook volgt de rechtbank niet het betoog van eiser dat de minister ten onrechte is voorbijgegaan aan of onvoldoende rekening heeft gehouden met de rapportages van Limor en dat hij, zoals de rechtbank dit betoog van eiser leest, onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. Zoals hiervoor onder 8.3. en 8.15. is overwogen is Limor niet aan te merken als onafhankelijke medisch deskundige en kan Limor in die hoedanigheid dan ook geen uitlatingen doen over de door eiser gestelde impact op het geestelijke welzijn van en de ontwikkeling van zijn dochter, mocht eiser moeten terugkeren naar Suriname. Eiser heeft, zoals daar ook is overwogen, ook niet met medische stukken aannemelijk gemaakt welke impact het vertrek van eiser mogelijk zal hebben op de ontwikkeling van zijn dochter als zij in Nederland zou achterblijven. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat bovendien niet is gebleken dat niet meer voor zijn dochter zou kunnen worden gezorgd mocht eiser worden uitgezet naar Suriname. De minister wijst er in dat kader terecht op dat niet is gebleken dat er geen instanties zijn die de moeder van eisers dochter zouden kunnen helpen met de opvoeding. De minister wijst er verder op dat niet is gebleken dat gedurende de periode die eiser in detentie heeft doorgebracht de zorg voor zijn dochter is tekortgeschoten. Dat eiser de 18 maanden detentie waarover de minister heeft gesproken pas heeft afgerond na de aanvraag kan aan die tegenwerping op zichzelf niet afdoen omdat niet in geschil is dat eiser bijvoorbeeld ook van juli 2017 tot 4 januari 2018 in detentie heeft verbleven. De hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de vreemdeling met het gastland en met zijn land van herkomst 12.25. Over de band van eiser met Nederland overweegt de minister dat eiser heeft aangegeven geen contact meer te hebben met zijn familie in Nederland en dat hij buiten zijn gezin om geen sociale kring heeft in Nederland. De minister wijst er verder op dat hij weliswaar al 35 jaar in Nederland verblijft, maar dat hij hier nooit een verblijfsrecht heeft gehad en desondanks gezinsleven is aangegaan en een dochter heeft gekregen terwijl hij er nooit van heeft mogen uitgaan dat hij in Nederland het gezinsleven zou mogen uitoefenen. Daarnaast is eiser, zoals is gebleken, veelvuldig veroordeeld dan wel vervolgd voor een aantal misdrijven waaronder in ieder geval twee zeer ernstige misdrijven. De minister heeft daaruit de conclusie mogen trekken dat eiser geen sterke band heeft met Nederland. Dit heeft de minister niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Het betoog van eiser dat hij al 35 jaar in Nederland verblijft en dat geen sprake hoeft te zijn van legaal verblijf kan aan dit standpunt niet afdoen, nu dit onvoldoende is om in het licht van de hiervoor beschreven omstandigheden te kunnen spreken van een sterke band met Nederland. 12.25.1. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser tot aan zijn 19’e levensjaar in Suriname heeft verbleven, daar naar school is gegaan en de taal en de cultuur kent. De rechtbank volgt de minister echter niet in zijn standpunt dat de band van eiser met Suriname sterker moet worden geacht dan die met Nederland. Gezien het feit dat de band met Nederland door de minister terecht als niet sterk is aangemerkt maakt die omstandigheid niet dat de minister dit aspect daarom in het voordeel of niet in het nadeel van eiser had moeten meewegen. 12.26. De rechtbank ziet met betrekking tot het aspect openbare orde tot slot ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet alle omstandigheden die in de bezwaarfase zijn aangehaald bij de besluitvorming heeft betrokken of dat de inmenging in het gezinsleven van eiser met zijn dochter niet noodzakelijk zou zijn in een democratische samenleving. De overige tegenwerpingen van de minister 12.27. De rechtbank constateert in aanvulling op voorgaande dat eiser geen expliciete gronden heeft gericht tegen de tegenwerping van de minister dat eiser in Nederland nooit een verblijfsrecht heeft gehad, dat het daarom een eerste toelating betreft en dat eiser er daarom nooit op heeft mogen vertrouwen dat hij het gezinsleven met zijn dochter in Nederland mocht uitoefenen. De minister heeft dit aspect niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Verder heeft eiser in zijn beroepschrift geen expliciete gronden gericht tegen de omstandigheid dat de minister ook het economisch belang van de Staat in het nadeel van eiser meeweegt. Eindconclusie en gevolgen 13. De rechtbank concludeert dat het beroep van eiser ongegrond is. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een Chavez-verblijfsrecht en dat hij ook niet in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht bij zijn gestelde partner. Tot slot heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het onthouden van een verblijfsrecht aan eiser niet in strijd is met het recht op familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummer AWB 16/26109, niet gepubliceerd. Op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en HvJEU 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:352 (arrest Chavez-Vilchez). Uitspraak van 19 mei 2021, zaaknummer AWB 19/7573 (niet gepubliceerd). Uitspraak van 15 juli 2021, zaaknummer 202103759/1/V1 (niet gepubliceerd). Op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraak in de zaak met nummer NL22.23085. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1466. Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16651. ECLI:NL:RVS:2021:2095. Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 1 augustus 2024, zaaknummer NL23.29495 (niet gepubliceerd). Zie voetnoot 2.