Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:5061
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/8749 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, en [eiseres] B.V. , de werkgever, samen: eisers (gemachtigde: mr. C. Nieuwesteeg), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S. Kuster). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva). 1.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juni 2024 afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het besluit van 20 maart 2025 (bestreden besluit) heeft de minister dat bezwaar ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, haar kantoorgenoot A. van Rosmalen, [persoon1] (arbeidsdeskundige), [persoon2] (namens de werkgever), de gemachtigde van de minister en [persoon3] (namens het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen; UWV). Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een gvva aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waar gaat deze zaak over? 4. Eiser werkt als [functie A] bij de Servische vestiging van [eiseres] B.V. Zijn werkgever wil hem als specialist overplaatsen naar de Nederlandse vestiging, in de functie van [functie B] . De werkgever heeft daarom een aanvraag voor een gvva voor eiser ingediend, met verblijfsdoel ‘overplaatsing binnen een onderneming’ als bedoeld in artikel 3.30d, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), in samenhang met artikel 3, aanhef en onder f, van de richtlijn Intra Corporate Transferees (Richtlijn 2014/66/EU, hierna: ICT-richtlijn). 5. De minister heeft aan het bestreden besluit een advies van het UWV van 18 maart 2025 ten grondslag gelegd. Volgens het UWV-advies, voor zover hier van belang, is eiser geen specialist in de zin van de ICT-richtlijn. De minister stelt zich daarom op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarden in artikel 3.30d van het Vb. 6. Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben in beroep een rapport van deskundige [persoon1] van 8 mei 2025 (contra-expertise) overgelegd. Is eiser een specialist in de zin van de ICT-richtlijn? 7. Het geschil is thans beperkt tot de vraag of eiser een specialist is in de zin van artikel 3, aanhef en onder f, van de ICT-richtlijn. 8. Het UWV is op grond van artikel 3.30d, vierde lid, van het Vb de wettelijk adviseur van de minister in dit soort zaken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een advies van het UWV een deskundigenadvies is aan de minister voor de uitvoering van zijn bevoegdheden. De minister mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is ten aanzien van de wettelijk adviseur neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. 9. De contra-expertise die eisers hebben ingebracht biedt co