Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:5018
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,045 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5018 text/xml public 2026-03-20T11:07:18 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-09 C/09/678444 / FA RK 25-218 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5018 text/html public 2026-03-20T11:04:40 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5018 Rechtbank Den Haag , 09-02-2026 / C/09/678444 / FA RK 25-218 Wijziging kinderalimentatie in verband met wijziging hoofdverblijfplaats van de kinderen Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-218 Zaaknummer: C/09/678444 Datum beschikking: 9 februari 2026 Alimentatie Beschikking op het op 10 januari 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B.S. van Haeften te ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Boor te Utrecht. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; het F9-formulier van 19 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 19 december 2025, met bijlage, van de zijde van de man; het F9-formulier van 22 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 24 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw. De minderjarige [minderjarige 1] heeft schriftelijk zijn mening gegeven over het verzoek. Op 9 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Van de zijde van de man is een nader stuk overgelegd. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt nu– met wijziging van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 25 februari 2020 –: met ingang van de datum dat na te melden kinderen feitelijk bij de vrouw wonen (19 mei 2023) en de vrouw aldus feitelijk geen kinderalimentatie aan de man voldoet, althans met ingang van een datum als de rechtbank juist acht, de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen; te bepalen dat de man met ingang van 1 juli 2024, dan wel per datum van indiening van het verzoekschrift, een bedrag van € 930,-- per maand voor beide kinderen (of wel € 465,-- per maand, per kind), althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, aan de vrouw ten aanzien van de kinderalimentatie dient te voldoen; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - Partijen hebben een affectieve relatie gehad. - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] . - Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. - Sinds 19 mei 2023 verblijven de kinderen feitelijk bij de vrouw en sinds 1 juli 2024 staan de kinderen ingeschreven op het BRP-adres van de vrouw. - Bij overeenkomst van 25 februari 2020 zijn partijen overeengekomen – voor zover thans van belang – dat de vrouw vanaf 1 januari 2020 aan de man een kinderalimentatie zal betalen van € 25,-- per maand, per kind. Beoordeling Ontvankelijkheid Een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud kan op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet in geschil is dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen is gewijzigd, zodat is er sprake van een wijziging van omstandigheden. Daarnaast geldt dat op grond van artikel 1:392, eerste lid, sub a, en tweede lid, BW, ook de man onderhoudsplichtig is ten aanzien van de kinderen. De rechtbank zal de vrouw daarom ontvangen in haar verzoeken. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, die rechtvaardigt dat genoemde overeenkomst op het punt van de kinderalimentatie wordt gewijzigd. Nihilstelling van door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om met ingang van de datum dat de kinderen feitelijk bij haar wonen (19 mei 2023) de door haar aan de man te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen, toewijzen. Niet in geschil is dat de kinderen vanaf 19 mei 2023 bij de vrouw wonen en dat de man vanaf die datum geen kosten voor de kinderen meer heeft voldaan. Nu de vrouw bovendien op of omstreeks die datum gestopt is met het betalen van kinderalimentatie aan de man, is er ook geen sprake van dat de man kinderalimentatie aan de vrouw moet terugbetalen. Vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De behoefte van de kinderen In geschil is de behoefte van de kinderen. De vrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behoefte van de kinderen opnieuw moet worden vastgesteld vanwege de inkomensstijging aan de kant van beide ouders, doch in ieder geval aan de kant van de vrouw. De man heeft betwist dat de behoefte opnieuw moet worden vastgesteld. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van inkomensstijging is in het rapport onder 3.2.8. het volgende opgenomen: “ Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw. ” De vrouw heeft niet gesteld en ook niet aangetoond dat de inkomensstijging aan de kant van de man, dan wel aan de kant van de vrouw dusdanig is dat deze hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens de samenleving. De rechtbank is daarom van oordeel dat de behoefte van de kinderen niet opnieuw moet worden vastgesteld. De vrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat van een behoefte van de kinderen uitgegaan moet worden zoals deze in 2014 is vastgesteld, te weten op € 1.063,-- per maand, met dien verstande dat dit bedrag wel geïndexeerd moet worden. De man kan zich hierin vinden. Partijen zijn het erover eens dat in dat geval de behoefte van de kinderen geïndexeerd naar 2026 € 1.509,-- per maand bedraagt. De rechtbank zal gelet op het voorgaande uitgaan van een behoefte van de kinderen van € 1.509,-- per maand. Draagkracht man De man heeft op de zitting zijn jaaropgave 2025 overgelegd. Hieruit volgt dat de man een jaarinkomen in 2025 had van € 83.187,--. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man van dit bedrag uitgaan. De rechtbank zal de algemene heffingskorting en de arbeidskorting in aanmerking nemen. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat daarnaast aan de kant van de man nog rekening gehouden moet worden met een bedrag van € 1.000,-- per maand aan neveninkomsten. De vrouw heeft gesteld dat de man een grote som spaargeld heeft en vraagt zich af of de man geld ontvangt uit beleggingen. Volgens de vrouw had de man zijn aangifte inkomstenbelasting moeten overleggen. De man heeft gemotiveerd betwist dat hij neveninkomsten heeft. De rechtbank zal geen rekening houden met neveninkomsten aan de zijde van de man, nu de vrouw na de gemotiveerde betwisting door de man, haar standpunt niet nader heeft onderbouwd.
Volledig
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2026 op € 4.610,-- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 4.610 – (€ 1.383 + € 1.365)] = € 1.303,- per maand. Draagkracht vrouw De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de vrouw de salarisspecificatie van de vrouw van november 2025 als uitgangspunt nemen, zoals ter zitting besproken. Blijkens deze salarisspecificatie bedraagt het inkomen van de vrouw € 6.349,-- bruto per maand. De vrouw ontvangt daarnaast een eindejaarsuitkering van in totaal € 10.390,-- (€ 4.340 + € 6.050) bruto per jaar. De rechtbank zal de algemene heffingskorting en de arbeidskorting in aanmerking nemen. De vrouw heeft geen recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget in verband met het inkomen van haar nieuwe partner, zoals door de vrouw ter zitting toegelicht. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 4.762,-- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 4.762 – (€ 1.429 + € 1.365)] = € 1.378,-- per maand. De draagkracht van de ouders gezamenlijk bedraagt € 2.681,-- per maand (€ 1.303 + € 1.378). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.303 / 2.681 x 1.509 = € 733,-- Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.378 / 2.681 x 1.509 = € 776,-- samen € 1.509,-- Van de totale behoefte van kinderen komt dus een gedeelte van € 733,-- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 776,-- per maand komt voor rekening van de vrouw. Nu er geen zorgregeling is tussen de man en de kinderen geldt er geen zorgkortingspercentage. De door de man te betalen bijdrage bedraagt daarom het volledige bedrag van € 733,-- per maand, of wel € 367,-- per maand, per kind. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie daarom vaststellen op € 367,-- per maand, per kind. Ingangsdatum De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op de datum van deze beschikking. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de periode dat de kinderen bij de man woonachtig waren de vrouw slechts € 25,-- per maand, per kind, kinderalimentatie aan de man betaalde, ondanks haar goede inkomen en dat de vrouw momenteel samen woont met een verdienende partner met wie zij onder meer haar woonlasten kan delen. De rechtbank vindt het daarom redelijk om de ingangsdatum te bepalen op de datum van deze beschikking. Beslissing De rechtbank – met wijziging in zoverre van genoemde overeenkomst van 25 februari 2020 – : bepaalt de door de vrouw met ingang van 19 mei 2023 aan de man te betalen alimentatie ten behoeve van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] , op nihil; bepaalt de door man met ingang van heden aan de vrouw te betalen alimentatie voor genoemde minderjarigen op € 367,-- per maand, per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 februari 2026.