Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:4962
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,978 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4962 text/xml public 2026-03-20T09:31:14 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-10 NL23.26627 en NL24.10093 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4962 text/html public 2026-03-20T09:30:48 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4962 Rechtbank Den Haag , 10-03-2026 / NL23.26627 en NL24.10093 Derdelander Oekraïne - Richtlijn Tijdelijke Bescherming - beroepen niet-ontvankelijk en ongegrond - proceskostenvergoeding wegens ingetrokken beschikking RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL23.26627 en NL24.10093 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. M. van Boheemen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de aan hem opgelegde terugkeerbesluiten. 2. Verweerder heeft met het besluit van 22 augustus 2023 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2023 Nederland dient te verlaten. Eiser heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaaknummer NL23.26627. 2.1. Met de brief van 31 januari 2024 heeft verweerder de beschikking van 22 augustus 2023 ingetrokken. 3. Verweerder heeft met het besluit van 28 februari 2024 wederom aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en hierbij bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland moet verlaten. Eiser heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaaknummer NL24.10093. 3.1. Op 21 maart 2024 heeft deze rechtbank een voorlopige voorziening getroffen met de strekking dat het terugkeerbesluit van 28 februari 2024 wordt geschorst en eiser niet uitgezet mag worden totdat op het beroep met zaaknummer NL24.10093 is beslist. 3.2. Op 12 augustus 2025 heeft verweerder het besluit van 28 februari 2024 ingetrokken en vervangen met een nieuw terugkeerbesluit. Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit. 4. Met toestemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 5. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn). 6. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd op 22 augustus 2023 en dit besluit vervolgens ingetrokken. Daarna heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd op 28 februari 2024 en dit vervolgens vervangen met een nieuw terugkeerbesluit op 12 augustus 2025. Redengevend voor de intrekkingen was dat eiser op 22 augustus 2023 en 28 februari 2024 nog rechtmatig verblijf had op grond van de facultatieve tijdelijke bescherming. Wat vindt eiser in beroep? 7. Eiser stelt nog altijd belang te hebben bij een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 31 januari 2024, omdat deze intrekking op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Wat betreft het terugkeerbesluit van 12 augustus 2025 voert eiser aan dat dit prematuur is genomen, omdat aan eiser een voorlopige voorziening is toegewezen, de beroepsprocedure nog loopt en eiser onder de bevriezingsmaatregel valt. Wat is het oordeel van de rechtbank? De beëindiging van de facultatieve bescherming onder de Richtlijn 8. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij vanaf 4 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn. De hoogste bestuursrechter is tot deze uitspraken gekomen onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 en naar het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie. 9. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter en het arrest Kaduna en Abkez volgt ook dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De hoogste bestuursrechter heeft daarom geoordeeld dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het opleggen van een terugkeerbesluit. Het beroep met zaaknummer NL23.26627 10. Nu het bestreden besluit van 22 augustus 2023 is ingetrokken en daarmee de gewenste vernietiging van dat besluit is bereikt, is verweerder in zoverre aan het beroep van eiser tegemoetgekomen en heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden. De rechtbank stelt hierbij vast dat – anders dan eiser heeft gesteld – aan hem geen nieuw terugkeerbesluit is opgelegd in de brief van 31 januari 2024. Ook de stelling dat eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn verblijfsrecht, maakt – ook gelet op de ontwikkelingen sinds eiser zijn beroep heeft ingesteld – niet dat hij belang heeft bij de beoordeling van dit ingetrokken besluit. Het beroep dient om die reden niet-ontvankelijk verklaard te worden. Het beroep met zaaknummer NL24.10093 11. Gelet op de hierboven besproken jurisprudentie was verweerder op 12 augustus 2025 bevoegd een terugkeerbesluit op te leggen aan eiser. Het procedureel rechtmatig verblijf van eiser, de getroffen voorlopige voorziening en de bevriezingsmaatregel, maken dit niet anders. Deze omstandigheden doen er namelijk niet aan af dat de tijdelijke bescherming van eiser is geëindigd. Conclusie 12. Het beroep met zaaknummer NL23.26627 is niet-ontvankelijk. 13. Het beroep met zaaknummer NL24.10093 is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 12 augustus 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 28 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb. 14. Nu verweerder in beide procedures het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer NL23.26627 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep met zaaknummer NL24.10093 ongegrond; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. NL24.10095. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:57 van de Awb.