Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:4938
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4938 text/xml public 2026-03-23T10:00:21 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-09 NL25.23112 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4938 text/html public 2026-03-19T16:32:11 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4938 Rechtbank Den Haag , 09-03-2026 / NL25.23112 Vreemdelingenrecht - ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.23112 (beroep) en NL25.23113 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van verweerder dat eiser geen verblijfsrecht in Nederland heeft op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn) en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. 1.1. Met het besluit van 11 oktober 2024 heeft verweerder meegedeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het besluit van 11 oktober 2024 gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en mr. D.F. Oberman als waarnemer van gemachtigde, deelgenomen. Als tolk is verschenen N.O. Honcharova-de Kok. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Oekraïense nationaliteit. Op 26 september 2024 heeft eiser kenbaar gemaakt aanspraak te willen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn. 3. Verweerder heeft aan eiser medegedeeld dat hij geen aanspraak kan maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn, omdat eiser Oekraïne vóór de peildatum van 27 november 2021 – te weten op 21 november 2021 – heeft verlaten en hij voor die datum niet in Nederland verbleef. Hij verbleef in die periode in Tsjechië. Eiser is na zijn vertrek uit Oekraïne wel daarnaar teruggekeerd, maar volgens verweerder had hij niet de intentie zich daar duurzaam te vestigen. Verder heeft eiser volgens verweerder onvoldoende onderbouwd dat hij tijdens het uitbreken van het conflict een duurzame relatie had met mevrouw [naam] , zijn gestelde partner. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst vindt eiser dat hij bij terugkeer naar Oekraïne wel de intentie had zich daar duurzaam te vestigen. Eiser vindt daarbij van belang dat hij bij zijn vertrek uit Oekraïne geen intentie had zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen. Eiser moet daarom als ontheemde worden gezien in de zin van de Richtlijn. Verder vindt eiser dat verweerder de Richtlijn te strikt toepast. Eiser is Oekraïens en zijn verblijf in Oekraïne wordt door de oorlog onmogelijk gemaakt. Dat eiser zes dagen vóór het peilmoment van 27 november 2021 is vertrokken mag niet in de weg staan dat hem bescherming moet worden geboden op grond van de Richtlijn. Als eiser zelf geen recht heeft op bescherming als bedoeld in de Richtlijn, stelt hij dat hij een duurzame relatie heeft met mevrouw [naam] – die wel onder de richtlijn valt – en daarmee als gezinslid moet worden gezien zoals bedoeld in de Richtlijn. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden heeft beoordeeld dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Nederland op grond van de Richtlijn Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit. 6. De rechtbank stelt vast dat artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) in de eerste plaats ziet op personen die ná de invasie in Oekraïne op 24 februari 2022 uit Oekraïne zijn vertrokken, of van wie het vertrek kort vóór 24 februari 2022, verband heeft gehouden met oplopende spanningen en de ontwikkelingen voorafgaand aan de invasie in Oekraïne. Deze personen zijn Oekraïne ‘ontvlucht’ en zijn om die reden ontheemd geraakt. Maar artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV heeft een ruimere strekking. Ook personen die Oekraïne kort voor de invasie hebben verlaten maar van wie het vertrek geen verband hield met de oplopende spanningen en ontwikkelingen voor de invasie, worden aangemerkt als personen die Oekraïne zijn ‘ontvlucht’ en krijgen tijdelijke bescherming. Het gaat hier bijvoorbeeld om personen die voor een tijdelijk doel, zoals familiebezoek, in deze periode naar een ander land zijn vertrokken. Ook deze personen zijn ontheemd: zij verbleven tijdelijk in een ander land, maar konden als gevolg van de oorlog niet meer naar hun woning in Oekraïne terugkeren. In artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV is wel een begrenzing in tijd aangebracht: deze bepaling ziet alleen op personen die tussen 27 november 2021 en 24 februari 2022 Oekraïne hebben verlaten. Voor dit tijdvak is bewust gekozen. Dit betreft namelijk de visumvrije termijn van 90 dagen voor Oekraïners. De redenering die hieraan ten grondslag ligt, zo heeft de gemachtigde van verweerder in een eerdere zaak op zitting toegelicht, is dat bij een langer verblijf dan de visumvrije termijn buiten Oekraïne geen sprake meer is van een tijdelijk verblijf in het buitenland. Bij een dergelijke verblijfsduur buiten Oekraïne neemt verweerder aan dat de persoon in kwestie de intentie had zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen. Daarom kan hij niet meer als ontheemde worden aangemerkt en is er geen reden om de Richtlijn toe te passen. 6.1. Verweerder neemt aan dat een persoon die vóór de peildatum van 27 november 2021 al uit Oekraïne was vertrokken niet als ontheemd kan worden aangemerkt, omdat hij ten tijde van de invasie zijn hoofdverblijf niet meer in Oekraïne had. 6.2. Niet in geschil is dat eiser vóór de peildatum van 27 november 2021 al was vertrokken uit Oekraïne naar Tsjechië. Verweerder heeft dus vervolgens terecht beoordeeld of eiser de intentie had om zich na terugkeer uit Tsjechië (weer) duurzaam in Oekraïne te vestigen. Dat eiser slechts voor een korte periode Oekraïne heeft verlaten en dat zijn terugkeer naar Oekraïne binnen de visumvrije termijn van 90 dagen plaatsvond, doet aan het voorgaande niet af. De vraag is namelijk niet of eiser de intentie heeft gehad om bij zijn eerdere vertrek zijn hoofdverblijf te verplaatsen uit Oekraïne, maar of eiser bij zijn terugkeer naar Oekraïne de intentie had zich daar weer duurzaam te vestigen. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser dat laatste niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft slechts medische documenten aangeleverd waaruit blijkt dat hij van 9 tot 19 maart 2022 in Oekraïne in het ziekenhuis lag. Dit is een korte periode en van het ziekenhuisbezoek heeft verweerder terecht gesteld dat dit niet duidt op de intentie om duurzaam in een land te verblijven. Verder heeft verweerder terecht betrokken dat eiser zelf heeft verklaard tijdens de hoorzitting in bezwaar dat hij niet de intentie had om zich na zijn terugkeer uit Tsjechië duurzaam in Oekraïne te vestigen en dat hij het idee had om naar Europa te verhuizen. 6.3. Dat verweerder de Richtlijn te strikt interpreteert door nadruk te leggen op het vertrek net vóór de peildatum – te weten slechts 6 dagen ervoor – volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft met de implementatie van de facultatieve bepaling al gekozen voor een ruimere strekking van onderdanen die op bescherming kunnen rekenen dan slechts de onderdanen die vóór het in beginsel gehanteerde peilmoment van 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven. 7. Tot slot heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiser onvoldoende bewijs heeft aangeleverd wat aantoont dat hij ten tijde van het uitbreken van het conflict een duurzame relatie had met mevrouw [naam] .