Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:4825
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Den Haag PV/c Zaak-/rolnrs.: 11240463 RL EXPL 24-14537 (hoofdzaak) 11519963 RL EXPL 25-2218 (vrijwaringszaak) 10 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: in de hoofdzaak [eiser] , wonende te [woonplaats],eisende partij,gemachtigde: voorheen L. Nederpel, thans mr. A.S. Kik-Hartog, tegen INNOVA ENERGIE B.V. , gevestigd te Den Haag,gedaagde partij,gemachtigde: mr. E.A.H. ten Berge, in de vrijwaringszaak INNOVA ENERGIE B.V. , gevestigd te Den Haag,eisende partij,gemachtigde: mr. E.A.H. ten Berge, tegen MR. [curator], IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN CURATOR IN HET FAILLISSEMENT VAN SEPA GREEN ENERGY B.V. , kantoorhoudende te [plaats],gedaagde partij,gemachtigde: mr. G.L.E. Kemerink op Schiphorst. Partijen worden hierna [eiser], Innova en de curator genoemd. 1 Kern van de zaak 1.1. Het is niet duidelijk of bij een vrijwillige overname van het klantenbestand van een failliete energieleverancier ook de bestaande contracten overgaan. Ook is niet duidelijk wat de rechtsverhouding is tussen de nieuwe leverancier en de klant wanneer het contract niet mee overgaat. In een eerder tussenvonnis is het voornemen geuit om hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en zijn vijf conceptvragen geformuleerd. [eiser] en Innova hebben hierop gereageerd. In dit vonnis zal de kantonrechter de definitieve prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen. 2 Procedure 2.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - het tussenvonnis van 18 november 2025 en de daarin genoemde stukken; - de akte uitlaten van [eiser]; - de akte uitlating prejudiciële vragen van Innova. 3 Verdere beoordeling in de hoofdzaak Partijen hebben gereageerd op het voornemen en de in concept geformuleerde vragen 3.1. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 18 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) aangegeven voornemens te zijn prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Beide partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich uit te spreken over dit voornemen en over vijf conceptvragen die door de kantonrechter zijn geformuleerd. 3.2. Partijen hebben bij akte van deze gelegenheid gebruik gemaakt. [eiser] staat positief tegenover het voornemen om prejudiciële vragen te stellen en refereert zich wat betreft de geformuleerde vragen aan het oordeel van de kantonrechter. Innova heeft geen bezwaren tegen het voornemen en heeft in haar akte enkele opmerkingen en aanvullingen op de te stellen vragen opgenomen. In deze zaak worden de prejudiciële vragen gesteld 3.3. Zoals aangegeven in het tussenvonnis, lopen er bij deze kantonrechter naast deze zaak nog drie vrijwel identieke zaken, waarbij Innova eveneens de gedaagde partij is. Deze zaken zijn gezamenlijk behandeld. In deze zaken is bij tussenvonnissen van 18 november 2025 eveneens aangekondigd prejudiciële vragen te stellen en zijn dezelfde conceptvragen voorgelegd. De partijen in die zaken hebben zich hierover uitgelaten. In een van de zaken is namens eisende partijen inhoudelijk gereageerd op de vragen en zijn enkele toevoegingen voorgesteld. Innova heeft steeds een akte ingediend die gelijkluidend is aan haar akte in deze zaak. 3.4. De kantonrechter heeft ervoor gekozen om die andere zaken aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen en alleen in deze zaak prejudiciële vragen te stellen, omdat deze zaak qua feiten het minst gecompliceerd is. De kantonrechter zal hieronder per vraag de suggesties en voorstellen bespreken. Daarbij neemt de kantonrechter ook suggesties en voorstellen mee van andere eisende partijen dan [eiser]. Het gaat er immers om dat de vragen zo goed mogelijk zijn geformuleerd om een duidelijk antwoord te kunnen krijgen op de kwestie waar het hier over gaat, óók ten behoeve van de zaken van de andere eisende partijen. Op suggesties en voorstellen die niet zijn toegelicht of louter tekstuele suggesties of voorstellen, zal de kantonrechter niet steeds apart ingaan. Verschillende suggesties en voor Als deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, geldt dan na de overdracht van het bestand van kleinverbruikers aan de overnemende leverancier dat tussen hen a) een nieuw contract tot stand is gekomen op voorwaarden van de overnemende leverancier, waarbij de klant ( stilzwijgend) het aanbod tot levering van gas en elektriciteit heeft aanvaard, of b) een contract tot stand is gekomen als gevolg van wettelijke contractsoverneming dan wel een uit de wet (de Besluiten) voortvloeiende vorm van verbondenheid is ontstaan (verbintenissen uit de wet) die inhoudt dat (de leverancier energie levert en) de klant daarvoor betaalt overeenkomstig de tarieven van die leverancier, of c) op grond van de redelijkheid en billijkheid tussen hen verbintenissen gelden op grond waarvan de energieleverancier gas en elektriciteit moet leveren aan de klant en de klant een redelijk tarief moet betalen aan de energieleverancier voor de aan hem geleverde gas en elektriciteit, of d) sprake is van ongevraagde levering van energie van de overnemende leverancier aan de consument als bedoeld in artikel 7:7 lid 2 BW? 3.7.1. Innova geeft in overweging om vraag 2b te herformuleren, omdat onduidelijk is wat wordt bedoeld met ‘wettelijke contractsoverneming’ en dit begrip zich niet verdraagt met het tot stand komen van een nieuwe overeenkomst. Vraag 2 gaat over de rechtsverhouding tussen de kleinverbruikers en de overnemende energieleverancier voor het geval de Besluiten (oud) niet meebrengen dat tussen hen de leveringsovereenkomsten, dan wel de bestaande voorwaarden en tarieven van de oude energieleverancier, gelden. Met vraag 2a wordt aan de orde gesteld of na de overdracht een nieuwe overeenkomst tot stand komt op de voorwaarden van de nieuwe energieleverancier. Met vraag 2b is bedoeld om de vraag te stellen of sprake is van een (andersoortige) contractuele rechtsverhouding tussen de klant en de nieuwe energieleverancier op diens voorwaarden. In de huidige formulering is vraag 2b onvoldoende duidelijk, mede omdat zij ten onrechte de suggestie wekt dat het gaat om contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW. In het tussenvonnis is geoordeeld dat daarvan in ieder geval geen sprake is. De kantonrechter zal daarom de door Innova voorgestelde herformulering overnemen, met uitzondering van de tussen haakjes geplaatste woorden ‘voor onbepaalde tijd’, nu het voorstel reeds spreekt van ‘op de voorwaarden van de overnemende leverancier’. 3.7.2. Innova stelt voor om tussen vraag 2c en 2d een restvraag op te nemen om ruimte te bieden voor een eventuele andere wettelijke grondslag voor de leverings- en betalingsverplichtingen na overdracht van het bestand aan kleinverbruikers. De kantonrechter zal dit voorstel overnemen. Anders dan Innova kiest de kantonrechter ervoor deze restvraag als een afzonderlijke vraag op te nemen. Dit wordt vraag 3. Vraag 3 3.8. De derde conceptvraag luidt als volgt: 3. Moet bij de beantwoording van vraag 2 onderscheid worden gemaakt tussen de eerste periode van dertig dagen na de overdracht van de klant aan de overnemende leverancier (of zoveel korter als voor de klant een kortere opzegtermijn geldt) en de periode daarna? 3.8.1. De eisende partijen die inhoudelijk hebben gereageerd op de conceptvragen, hebben voorgesteld om in de vraag op te nemen dat het gedurende de geldende opzegtermijn niet is toegestaan over te stappen naar een andere energieleverancier. De kantonrechter ziet tegen deze op verduidelijking gerichte aanpassing geen bezwaar en zal deze daarom overnemen. Vraag 4 3.9. De vierde conceptvraag luidt als volgt: 4. Als sprake is van een nieuw contract a) rusten dan op de overnemende leverancier de (pre)contractuele informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230m BW e.v., en/of b) moet deze dan worden beschouwd als te zijn tot stand gekomen als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193a BW e.v.? 3.9.1. Innova wijst erop dat de wet in artikel 95m Elektriciteitswet 1998 (oud) en artikel 52b Gaswet (oud