Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:4793
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.35088 einduitspraak na tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.J. Verwers), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. M.R. Stuart). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: - de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Samenvatting 1. Deze einduitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez (een zogenoemd Chavez-verblijfsrecht). De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 11 juli 2025 geoordeeld dat de minister de afwijzing van de aanvraag niet goed heeft gemotiveerd en hem in de gelegenheid gesteld om dat te herstellen. In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank of de minister het vastgestelde motiveringsgebrek voldoende heeft hersteld. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister het motiveringsgebrek voldoende heeft hersteld. De minister heeft alsnog voldoende uitgelegd waarom tussen eiser en zijn Nederlandse minderjarige zoon [naam zoon] geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam zoon] de Europese Unie moet verlaten als de aanvraag wordt afgewezen, en heeft ook alsnog voldoende uitgelegd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet in het voordeel van eiser is uitgevallen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat wat de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft geoordeeld en onder 4 staat hoe de minister het motiveringsgebrek heeft hersteld. Vanaf overweging 5 volgt de beoordeling van de aanvullende motivering van de minister. Aan het einde van de einduitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om een verblijfsdocument ingediend, omdat hij bij zijn Nederlandse minderjarige zoon [naam zoon] wil verblijven. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft zijn partner [naam partner] als getuige naar de zitting meegenomen. 2.3. De rechtbank heeft op 11 juli 2025 een tussenuitspraak gedaan. Zij heeft in deze tussenuitspraak een motiveringsgebrek geconstateerd en de minister in de gelegenheid gesteld om dit gebrek binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. 2.4. De minister heeft op 4 augustus 2025 een aanvullende motivering van het bestreden besluit gegeven. Eiser heeft hier op 22 september 2025 op gereageerd. Vervolgens heeft de minister op 12 januari 2026 een aanvullend verweerschrift uitgebracht. 2.5. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 22 januari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft daarnaast zijn partner [naam partner] als getuige naar de zitting meegenomen. Beoordeling door de rechtbank De tussenuitspraak van 11 juli 2025 3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 11 juli 2025. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van een oordeel dat zij in de tussenuitspraak zonder voorbehoud heeft gegeven, behalve als sprake is van een zeer uitzonderlijk geval. De rechtbank blijft daarom bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen, tenzij zij hierna uitdrukkelijk anders overweegt. 3.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoor In het beleid zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit werd voor een Chavez-verblijfsrecht (onder meer) de eis gesteld dat een derdelander-ouder (dat is in dit geval eiser) daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn minderjarige kind en dat tussen de derdelander-ouder en dit kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de derdelander-ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister heeft dit beleid in het bestreden besluit toegepast. Na het nemen van het bestreden besluit en de tussenuitspraak van 11 juli 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het verrichten van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken niet als zelfstandige eis mag worden gesteld voor een Chavez-verblijfsrecht, maar dat bepalend is of tussen de derdelander-ouder en het minderjarige kind een afhankelijkheidsverhouding bestaat. Voor de vraag of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, is het bestaan van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken echter wel van belang. 6.1. De minister heeft in het verweerschrift van 12 januari 2026 laten weten dat hij niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor [naam zoon] verricht en nu aanneemt dat eiser dergelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiser over dit punt daarom niet meer bespreken. Afhankelijkheidsverhouding 7. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat tussen hem en [naam zoon] geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam zoon] eiser naar Irak zou moeten volgen als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Dit standpunt is volgens eiser in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie. De minister heeft in de eerste plaats niet onderkend dat eiser deze afhankelijkheidsverhouding slechts aannemelijk moet maken, en niet moet aantonen . Eiser stelt daarin te zijn geslaagd met de stukken die hij bij de aanvraag en in bezwaar heeft overgelegd. Verder heeft de minister in zijn aanvullende motivering van 4 augustus 2025 het hogere belang van het kind op dit punt nog steeds onvoldoende in de beoordeling betrokken. De minister heeft daarbij onvoldoende waarde gehecht aan de jonge leeftijd van [naam zoon]. Deze jonge leeftijd betekent, anders dan de minister stelt, niet dat [naam zoon] zich ‘gemakkelijk’ kan aanpassen aan een situatie waarin eiser niet meer in zijn nabijheid is: [naam zoon] kent immers geen leven zonder zijn vader en een vertrek van eiser naar Irak is gelet op de leeftijd van [naam zoon] ook niet aan hem uit te leggen. Daarnaast heeft de minister niet onderkend dat [naam zoon] sterk is gehecht aan eiser, zodat het vertrek van eiser uit Nederland ondragelijk en traumatisch zal zijn, en mag niet van eiser en [naam zoon] worden verwacht dat zij hun familieleven opgeven. Het Unierecht garandeert immers een (onbetwistbaar) recht van het kind op regelmatige persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders. 7.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat tussen eiser en [naam zoon] geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam zoon] eiser naar Irak moet volgen en heeft dit standpunt met zijn aanvullende motivering van 4 augustus 2025 voldoende gemotiveerd. In de eerste plaats heeft de minister in zijn beoordeling voldoende betrokken wat eiser bij de aanvraag en in de bezwaarfase heeft overgelegd. Met de enkele verwijzing van eiser naar deze stukken legt hij niet uit waarom die beoordeling onjuist of onvoldoende zou zijn, zodat de rechtbank aan die verwijzing voorbijgaat. Verder heeft de minister het hogere belang van het kind voldoende in zijn beoordeling betrokken. De minister heeft de relevante omstandigheden die in het beleid zijn genoemd voldoende kenbaar in de beoordeling betrokken. De rechtbank kan deze beoordeling ook volgen. De minister stel De minister moet beoordelen of er redenen zijn om aan te nemen dat uitoefening van het gezinsleven in Irak niet mogelijk is. Het reisadvies voor Irak is duidelijk: het ministerie van Buitenlandse Zaken raadt Nederlanders af om naar Irak te reizen. De partner van eiser en [naam zoon] zijn beiden Nederlander, zodat mag worden aangenomen dat dit reisadvies onverkort voor hen geldt. Daar komt nog bij dat de partner van eiser zwanger is van een tweede kind, en mogelijk met een pasgeboren baby naar Irak zal moeten reizen. Het valt dan ook niet in te zien waarom zij wel naar Irak kunnen reizen om daar te gaan wonen en waarom zij in dat geval minder gevaar lopen dan een toerist. Dat het gaat om een advies en dat de partner van eiser samen met eiser reist, doet volgens eiser niet af aan de gevaren die in het reisadvies zijn vermeld. 11.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het negatief reisadvies voor Irak niet maakt dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Irak uit te oefenen en heeft dit met de aanvullende motivering van 4 augustus 2025 alsnog voldoende gemotiveerd. De rechtbank kent daarbij doorslaggevende waarde toe aan de motivering van de minister dat de reisadviezen van het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn geschreven voor toeristen en andere (zaken)reizigers en dat de gezinsleden van eiser in voorkomend geval juist niet in deze hoedanigheid naar Irak zullen reizen, omdat zij samen met eiser – die de Iraakse nationaliteit heeft – zullen reizen. Eiser zet hier op zichzelf genomen terecht tegenover dat reisadviezen specifiek voor Nederlanders zijn geschreven en dat de hoedanigheid waarin een Nederlander naar Irak reist niets zal veranderen aan de in het reisadvies omschreven feitelijke veiligheidssituatie in Irak, maar gaat er daarmee wel aan voorbij dat het reisadvies niet is geschreven met het oog op een (duurzame) vestiging in Irak en/of een reis naar Irak onder begeleiding van iemand met de Iraakse nationaliteit. Het reisadvies kan daarom niet een-op-een worden toegepast op de situatie van eiser en zijn gezinsleden. De minister had aan het reisadvies daarom niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Intensiteit van het gezinsleven 12. Eiser betoogt verder dat de minister de intensiteit van het gezinsleven onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken. [naam zoon] is aan eiser gehecht en een scheiding van eiser zou ondragelijk en traumatisch zijn. Gelet op het feit dat het belang van het kind de eerste overweging moet vormen, dient hieraan een aanzienlijk gewicht te worden toegekend in de belangenafweging. Daar komt nog bij dat de partner van eiser zwanger is van een tweede kind, en de geboorte hiervan de afhankelijkheid en de intensiteit van het gezinsleven alleen maar sterker zal maken. 12.1. Dit betoog slaagt niet. De minister heeft de intensiteit van het gezinsleven voldoende in de belangenafweging betrokken. De minister heeft, kort samengevat, uitgelegd dat het aannemen van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken de intensiteit van het familie- en gezinsleven wat zwaarder doet wegen dan in het bestreden besluit, maar dat dit – onder meer gelet op het ontbreken van een objectieve belemmering en de openbare-ordeantecedenten van eiser – de belangenafweging niet in het voordeel van eiser doet uitvallen. Met een enkele verwijzing naar de mate van hechting tussen eiser en [naam zoon] en de enkele (niet-onderbouwde) stelling dat een scheiding ondragelijk en traumatisch zou zijn legt eiser niet uit waarom de intensiteit van het gezinsleven zwaarder in zijn voordeel had moeten worden gewogen dan de minister nu heeft gedaan. Dat zijn partner nu zwanger is van een tweede kind, maakt dat niet anders. Nog daargelaten dat de rechtbank het bestreden besluit moet beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals bekend ten tijde van het nemen van dat besluit, heeft de minister zich op de zitting op het Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is gegrond, omdat de rechtbank in haar tussenuitspraak gebreken in de motivering van het bestreden besluit heeft vastgesteld. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister deze gebreken met zijn aanvullende motivering van 4 augustus 2025 in voldoende mate heeft hersteld. Dat betekent dat eiser uiteindelijk geen gelijk krijgt en zijn aanvraag om een Chavez-verblijfsrecht afgewezen blijft. 15.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Voor het beroep bedraagt deze vergoeding bedraagt € 3.269, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt van € 934), aan de zitting van 4 juni 2025 heeft deelgenomen (1 punt van € 934), na de tussenuitspraak op de aanvullende motivering van de minister heeft gereageerd (0,5 punt van € 467) en aan de zitting van 22 januari 2026 heeft deelgenomen (1 punt van € 934). Voor het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn bedraagt deze vergoeding € 467, omdat de gemachtigde van eiser dit verzoek heeft gedaan en de rechtbank hieraan een wegingsfactor van 0,5 toekent (1 punt van € 934 met een wegingsfactor van 0,5 maakt € 467). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Dat betekent dat de rechtbank de minister veroordeelt in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en/of de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en/of de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. HvJEU 10 mei 2017, C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 ( Chavez-Vilchez ). Rb. Den Haag (zp Arnhem) 11 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4535. Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:646, r.o. 3. Zie paragraaf B10/2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) (oud). ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344, r.o. 3.3. Eiser verwijst dan naar ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235, r.o. 7. Eiser wijst ter onderbouwing op de verklaringen van de partner van eiser. Eiser wijst op artikel 24, derde lid, van het EU-Handvest en op de arresten HvJEU 5 mei 2022, C-451/19 en C-532/19, ECLI:EU:C:2022:354 ( XU & QP ), r.o. 66; HvJEU 23 december 2009, C-403/09, ECLI:EU:C:2009:810 ( Detiček ), r.o. 54-55. Zie paragraaf B10/2.5.1.3.1 van de Vc 2000 en het Informatiebericht 2023/31, p. 8. Rb. Den Haag (zp Arnhem) 11 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4535, r.o. 10.1-10.2. Vergelijk ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, r.o. 12.1. Eiser wijst in dit verband op de Werkinstructie (WI) 2020/16. Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6005, r.o. 10.2. ABRvS 29 januari 2