Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:474
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: NL24.3161 en NL24.3173 Einduitspraak uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1982, Albanese nationaliteit, V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. N. Joseph). Procesverloop Verweerder heeft op 4 januari 2024 een terugkeerbesluit vastgesteld en op 9 januari 2024 een inreisverbod met een duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser heeft op 27 februari 2024 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit (NL24.3161) en tegen het inreisverbod (NL24.3173). Eiser heeft tevens verzoeken om een voorlopige voorziening hangende deze beroepprocedures aanhangig gemaakt (NL24.3162 en NL24.3177). De rechtbank heeft de beroepen op 23 oktober 2025 op zitting behandeld en op 24 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2025:19505). Beide partijen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft geboden om een standpunt in te nemen over de vraag of een ex tunc rechterlijke controle van het terugkeerbesluit en inreisverbod verenigbaar is met het Unierecht. Partijen hebben niet aangegeven een voorzetting van het onderzoek ter zitting te wensen. De rechtbank heeft het onderzoek in beide beroepprocedures gesloten op 12 januari 2026. Overwegingen 1. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij in haar tussenuitspraak van 24 oktober 2025 heeft overwogen. 2. Verweerder heeft op 4 januari 2024 een terugkeerbesluit vastgesteld en om een onttrekkingsrisico en daarmee het onthouden van een termijn voor vrijwillig vertrek te onderbouwen, twee zogenoemde zware gronden en drie zogenoemde lichte gronden opgevoerd. Omdat verweerder geen termijn voor vrijwillig vertrek heeft bepaald, heeft verweerder op 9 januari 2024 een inreisverbod opgelegd. 3. Eiser heeft één van de lichte gronden betwist. Eiser heeft tevens aangegeven inmiddels een aanvraag toetsing EU-te hebben ingediend. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij grotendeels bij zijn huidige partner verblijft, die tevens de moeder is van zijn dochtertje. Het gezin woont samen en eiser en zijn partner dragen samen de dagelijkse zorg voor hun dochtertje. Daarnaast verzorgt eiser tevens de zoon van zijn partner en is hij overgegaan tot erkenning van deze zoon. Eiser is van mening dat hij op grond van Chavez-Vilchez rechtmatig verblijf heeft en het terugkeerbesluit ten onrechte werd opgelegd en dat door het opleggen van een inreisverbod zijn rechten die hij ontleent aan artikel 8 EVRM worden geschonden. 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij het vaststellen van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van het inreisverbod rekening heeft gehouden met alle feiten en omstandigheden die eiser destijds heeft aangedragen en beide besluiten dus rechtmatig zijn. Op vragen van de rechtbank heeft verweerder aangegeven dat ten tijde van het onderzoek ter zitting niet kan worden vastgesteld dat eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft. 5. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 24 oktober 2025 onder meer het navolgende overwogen: (…) 7. Door het vaststellen van een terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod wordt richtlijn 2008/115 ten uitvoer gelegd. Het instellen van een rechtsmiddel tegen deze besluiten is ook geregeld in deze richtlijn en artikel 13, eerste lid, van deze richtlijn bepaalt dat dit rechtsmiddel doeltreffend moet zijn. 8.De verplichting voor de rechter om rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen gelden ook indien zij de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en inreisverbod controleert. (…) 10.Vaststaat dat eiser geen rechtmatig verblijf had ten tijde van het vaststellen van het terugkeerbesluit en ook nu geen rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank overweegt dat op grond van de thans overgelegde stukken niet kan worden vastgest De rechtbank merkt hierbij dat in de onderhavige procedure, anders dan in de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 januari 2026 geen sprake is van ‘een eerste terugkeerbesluit’. Dit laat onverlet dat in beide gevallen een ex nunc beoordeling is vereist van het terugkeerbesluit. Indien het terugkeerbesluit ten tijde van de vaststelling hiervan rechtmatig is, kan een ex nunc beoordeling immers ook leiden tot het oordeel dat de terugkeerverplichting weliswaar is ontstaan, maar de dat de verwijdering op grond van artikel 9 van richtlijn 2008/115 moet worden uitgesteld. 9. De verplichtingen voor de lidstaten die volgen uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 ontstaan zodra een derdelander onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt en zien op de gehele periode waarin richtlijn 2008/115 ten uitvoer wordt gelegd. In artikel 5 van richtlijn 2008/115 heeft de Uniewetgever geen onderscheid gemaakt tussen verplichtingen die gelden bij de vaststelling en rechterlijke controle van een terugkeerbesluit en de uitvaardiging en rechterlijke controle van een inreisverbod. Het inreisverbod treedt evenwel pas in werking op het moment dat het terugkeerbesluit wordt uitgevoerd. De rechtbank merkt hierbij op dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen, anders dan het beginsel van non-refoulement, geen verband houden met absolute grondrechten. Het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, dienen echter zowel bij de beoordeling of een terugkeerbesluit mag en moet worden vastgesteld, als bij de beoordeling van de duur van een uit te vaardigen inreisverbod te worden betrokken. De rechtbank overweegt dat uit richtlijn 2008/115 niet valt af te leiden dat de Uniewetgever een andere rechterlijke controle van deze belangen heeft beoogd al naar gelang de controle een terugkeerbesluit danwel en inreisverbod betreft. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat het ook niet logisch is om deze belangen ex tunc te beoordelen, dan wel om een onderscheid te maken tussen de rechterlijke controle van een terugkeerbesluit en de rechterlijke controle van een inreisverbod. 10. De rechtbank overweegt dan ook dat het Unierecht een ex nunc rechterlijke controle van het terugkeerbesluit en het inreisverbod vereist. De rechtbank ziet hiervoor steun in het arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar (ECLI:EU:C:2025:647, C-313/25 PPU) waarin het Hof onder meer het navolgende heeft overwogen: (…) 79 Artikel 5 van richtlijn 2008/115, dat – zoals in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dat met name onder „juridische overwegingen” in de zin van artikel 15, lid 4, van die richtlijn valt, verplicht de lidstaten om naar behoren rekening te houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken derdelander. Net als met het beginsel van non-refoulement moet met deze belangen in alle stadia van de terugkeerprocedure naar behoren rekening worden gehouden, met name op het moment waarop een terugkeerbesluit, een besluit betreffende een inreisverbod of een verwijderingsmaatregel wordt vastgesteld [zie in die zin arresten van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 104; 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige), C‑441/19, EU:C:2021:9, punt 44; 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 91, en 27 april 2023, M.D. (Inreisverbod voor Hongarije), C‑528/21, EU:C:2023:341, punten 89‑91], of bij bewaring met het oog op verwijdering. 80 Hieruit volgt dat het aan de bevoegde rechterlijke autoriteit staat om bij het onderzoek van de voorwaarden voor de re Eiser heeft tevens op grond van zijn gestelde gezinsleven aangevoerd dat dit in de weg staat aan het uitvaardigen van een inreisverbod. 14. Eiser heeft op 26 augustus 2024 verzocht om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ten tijde van de zitting in de onderhavige procedure op 23 oktober 2025 had verweerder nog niet beslist op deze aanvraag. Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank in staat is om op grond van de overgelegde stukken vast te stellen dat een hem een zogenoemde ‘Chavez-Vilchez-vergunning’ moet worden verleend en heeft de rechtbank ook verzocht om tot deze vaststelling over te gaan. De rechtbank heeft het evenwel noodzakelijk geacht om een tussenuitspraak te doen om partijen in de gelegenheid te stellen om zich schriftelijk nader uit te laten over een door de rechtbank opgeworpen rechtsvraag. 15. Verweerder heeft op 24 november 2025 beslist op de aanvraag van eiser om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en heeft deze aanvraag afgewezen. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit en in dit besluit wordt aan eiser medegedeeld dat het eerder uitgevaardigde inreisverbod van kracht blijft. Eiser stelt dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat deze beschikking mede samenhangt met de onderhavige procedure en stelt dat “de handelwijze van verweerder een ernstige aanwijzing van misbruik van recht is omdat verweerder met het nemen van de beslissing klaarblijkelijk enkel wenst te worden bereikt dat Uw rechtbank zo zich niet langer meer ex nunc over het inreisverbod zou kunnen uitlaten”. De rechtbank volgt dit niet. Eiser heeft op 26 augustus 2024 verzocht om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beslist hier ruim een jaar later op. Dat verweerder een beslissing neemt volgt simpelweg uit zijn verplichting om op elke aanvraag om een verblijfsvergunning te beslissen. Dat verweerder daar ruim een jaar over doet is buitengewoon onwenselijk maar de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat het tijdverloop tussen de aanvraag en de beslissing is ingegeven door de onderhavige procedure en de tussenuitspraak van de rechtbank. Indien verweerder bovendien het moment van beslissen op die aanvraag ‘strategisch’ zou kiezen ligt het veel meer voor de hand om dat besluit te nemen na de einduitspraak van de rechtbank. Dan kan verweerder immers ongeacht de uitspraak van de rechtbank wederom een terugkeerbesluit vaststellen indien dat de uitkomst van zijn beoordeling is. 16. Omdat de rechtbank verplicht is om een ex nunc beoordeling te verrichten van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en het inreisverbod, dient de rechtbank in ogenschouw te nemen dat op 24 november 2025 wederom is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank overweegt voorts dat Albanië nog steeds terecht is aangemerkt als het derde land waar de terugkeerverplichting betrekking op heeft. In het besluit van 24 november 2025 waarbij de aanvraag om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER is afgewezen, is verweerder uitgebreid ingegaan op het door eiser gestelde familie- en gezinsleven en de door eiser overgelegde documenten om dit te onderbouwen. Eiser heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de beslissing van 24 november 2025 en heeft daarvoor argumenten aangedragen. De rechtbank gaat er van uit dat eiser een rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit besluit ondanks dat dat niet is vermeld in de aanvullende gronden beroep na de tussenuitspraak. Doordat op 24 november 2025 wederom een terugkeerbesluit is vastgesteld en de rechtbank een ex nunc-beoordeling verricht, is het aan eiser om feiten en omstandigheden aan te dragen die wijzen op een wezenlijke verandering van zijn persoonlijke situatie die zich sinds de vaststelling van het -laatste- terugkeerbesluit hebben voorgedaan. Eiser heeft dit niet gedaan en heeft evenmin gevraagd om een nadere termijn om dit alsnog te doen. Dit geldt ook voor het inreisverbod. In het besluit van 24 november 2025 is inhoude