Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:4558
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,159 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4558 text/xml public 2026-03-06T16:57:35 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-06 NL25.57214 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4558 text/html public 2026-03-06T16:57:02 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4558 Rechtbank Den Haag , 06-03-2026 / NL25.57214 Dublin buiten zitting, kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser is met onbekende bestemming vertrokken, geen procesbelang. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57214 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 september 2025 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. Het verzoek om een voorlopige voorziening staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.57215. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. 1.2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje op 28 oktober 2025 een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 3 november 2025 aanvaard. Procesbelang 4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door de aan de rechtbank gestuurde brief van de minister van 3 februari 2026, waarin wordt verwezen naar een bijlage met daarin een melding van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Uit deze melding blijkt dat eiser op 22 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. 4.1. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 3 februari 2026 verzocht om aan te geven of hij nog contact onderhoudt met eiser en om aan te geven of er nog procesbelang bestaat. De gemachtigde van eiser heeft op 10 februari 2026 aangegeven geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft. 4.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe van moet worden uitgegaan dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. 4.3. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 of van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).