Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:453
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63005 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. De minister heeft eiser op de juiste grondslag opgehouden, een eventuele onjuiste bekendmaking van het overdrachtsbesluit kan niet afdoen aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring en de minister heeft voldoende uitgelegd waarom in het geval van eiser een significant risico op onderduiken bestaat. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft op 22 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Is eiser op de juiste grondslag opgehouden? 3. Eiser betoogt dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling niet op de juiste grondslag is opgehouden. Vóór de inbewaringstelling is aan eiser de mededeling verstrekt dat hij na ontslag uit zijn (voorlopige) strafrechtelijke detentie zou worden opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, of artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 (de zogenoemde M122). Hieruit leidt eiser af dat de politie van mening was dat zijn identiteit voldoende vaststond. Nadien is eiser echter opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Eiser vindt dat in het licht van de M122 onbegrijpelijk en stelt daarom dat hij niet op de juiste grondslag is opgehouden. 3.1. Dit betoog slaagt niet. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Voor de vraag of deze grondslag juist was en de ophouding rechtmatig was, is van belang of wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze bepaling staan vermeld. In dit geval is de voorwaarde dat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De minister wijst er in dat verband terecht op dat eiser in Duitsland onder meerdere aliassen bekend staat en eiser niet in het bezit is van een identiteitsdocument, zodat zijn identiteit niet kon worden vastgesteld. Daarmee was artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 de juiste grondslag voor de ophouding van eiser en was de ophouding ook rechtmatig. Gelet daarop was de minister niet gehouden om eiser een M122 uit te reiken. Dat dit wel is gebeurd en dat in deze M122 een andere grondslag voor de ophouding is vermeld dan waarop de ophouding uiteindelijk is gebaseerd, leidt niet tot een ander oordeel. Afgezien nog van het feit dat pas op het moment van een ophouding zelf kan worden bepaald op welke grondslag een vreemdeling kan worden opgehouden, doet deze stelling er feitelijk niet aan af dat aan de voorwaarde voor toepassing van de uiteindelijk gebruikte grondslag was voldaan en de ophouding alleen al daarom rechtmatig was. Is eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld? 4. Eiser betoogt dat hij niet op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000 met het oog op een overdracht aan Duitsland in het kader van de Dublinverordening. In dit kader heeft de m