Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:4416
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,854 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:4416 text/xml public 2026-03-06T08:57:37 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-03 NL25.5593, NL25.5598, NL25.5600, 25.5596 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4416 text/html public 2026-03-06T08:45:26 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4416 Rechtbank Den Haag , 03-03-2026 / NL25.5593, NL25.5598, NL25.5600, 25.5596 Asiel, Dublin Kroatië – De minister heeft ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mogen uitgaan – Beroep op het C.K.-arrest. Mede onder verwijzing naar de onderbouwing van de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond, is de rechtbank van oordeel dat de weerslag van de overdracht niet kan worden beperkt tot enkel de weerslag van de reis zelf. De minister had de volledige weerslag van het overdrachtsbesluit op de gezondheid van eiseres moeten beoordelen – Het BMA-advies is onvoldoende inzichtelijk – De minister heeft het standpunt dat het beroep van eisers op artikel 17 van de Dublinverordening niet slaagt, onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd – Beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.5593 (beroep) NL25.5598 (beroep) NL25.5600 (beroep) NL25.5596 (beroep) V-nummers: [v nummer 1] [v nummer 2] [v nummer 3] [v nummer 4] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag 1] 1999, eiser [eiseres 1] , geboren op [geboortedag 2] 2000, eiseres [eiseres 2] , geboren op [geboortedag 3] 2001, eiseres en [eiseres 3] , geboren op [geboortedag 4] 2003, eiseres allen van Syrische nationaliteit hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten van 30 januari 2025, waarin de minister de asielaanvragen van eisers niet in behandeling heeft genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling. 1.1. Bij het instellen van de beroepen hebben eisers ook om een voorlopige voorziening verzocht. De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 21 mei 2025 op zitting behandeld. [eiseres 2] is tijdens deze zitting onwel geworden. De rechtbank heeft toen een voorlopige voorziening getroffen en de bodemzaken aangehouden tot een nader te bepalen tijdstip om eisers in de gelegenheid te stellen om nadere medische stukken in te dienen en de minister in de gelegenheid te stellen om eventueel advies te vragen van het BMA . 1.2. Vervolgens hebben eisers een brief van 3 juli 2025 van [persoon] , praktijkondersteuner [bedrijf] , overgelegd. De minister heeft daarop aangegeven geen BMA-advies te zullen opvragen, omdat uit de brief van 3 juli 2025 niet blijkt dat [eiseres 2] onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. 1.3. De rechtbank heeft partijen opnieuw uitgenodigd voor een zitting op 29 oktober 2025. Op 22 oktober 2025 hebben eisers een brief van 22 september 2025 van [bedrijf] overgelegd waarin [eiseres 2] wordt uitgenodigd voor een intakegesprek met een GZ-psycholoog. Hierop heeft de minister de rechtbank verzocht om de behandeling van de beroepen aan te houden om de minister in de gelegenheid te stellen een BMA-onderzoek op te starten. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Op 23 januari 2026 heeft het BMA een medisch advies uitgebracht. Hierin staat dat [eiseres 2] alleen kan reizen als haar zus met haar meereist. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , [eiseres 1] en [eiseres 3] , mr. M.J.A. Rinkes als waarnemer van de gemachtigde van eisers, J. Labban als tolk in de taal Arabisch-Syrisch en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de buitenbehandelingstelling van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. Eisers hebben op 17 oktober 2024 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 7 oktober 2024 illegaal via Kroatië het grondgebied van de lidstaten zijn ingereisd en hier vervolgens een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. 4.1 De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 4 december 2024 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 19 december 2024 aanvaard. Heeft de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mogen uitgaan? 5. Eisers voeren aan dat ten opzichte van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat er pushbacks plaatsvinden en er een tekort aan opvangplekken is. In dit kader is bij de zienswijze een brief van VluchtelingenWerk overgelegd waarin verschillende bronnen worden aangehaald die het standpunt van eisers ondersteunen dat er pushbacks plaatsvinden over het gehele grondgebied van Kroatië en dat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen die zich daar al in de asielprocedure bevinden en andere vreemdelingen. Eisers lopen bij terugkeer dan ook het risico om slachtoffer te worden van een pushback. Dat eisers terugkeren onder de Dublinverordening is geen garantie dat zij daar ook daadwerkelijk opgevangen zullen worden. Er is in Kroatië namelijk geen vaste procedure voor vreemdelingen die onder de Dublinverordening vallen. Deze vreemdelingen worden vaak aan hun lot overgelaten zodra ze op het vliegveld aankomen. Daarbij wijzen eisers op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 oktober 2024. In deze uitspraak staat volgens eisers dat nog altijd niet gegarandeerd is dat er geen push-backs van Dublinterugkeerders plaatsvinden, zodat aan het oordeel van de Afdeling over de veiligheidssituatie in Kroatië kan worden getwijfeld. Tot slot verwijzen eisers naar een aantal passages uit het AIDA-rapport van augustus 2025 over Kroatië. 6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat zij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest . Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hier niet in geslaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 , die daarna meerdere keren is bevestigd , volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. In de uitspraak van de Afdeling is aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van Dublinterugkeerders, dat er geen obstakels zijn voor Dublinterugkeerders om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij ook feitelijke toegang krijgen tot opvang. Wat betreft de informatie van VluchtelingenWerk die eisers bij de zienswijze hebben overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de minister in de bestreden besluiten heeft mogen tegenwerpen dat eisers niet hebben aangegeven op welke gedeelten uit de rapporten zij een beroep doen om hun standpunt te onderbouwen. In beroep hebben eisers dit ook niet aangegeven.
Volledig
Wat betreft de uitspraak van de zittingsplaats Zwolle waarnaar eisers verwijzen, overweegt de rechtbank dat deze uitspraak geen objectieve informatie over de situatie in Kroatië behelst die een ander beeld geeft dan de landeninformatie die de Afdeling in haar uitspraak heeft betrokken. Tot slot ziet de rechtbank in de passages uit het AIDA-rapport van augustus 2025 die eisers aanhalen, geen aanleiding om anders te oordelen. Eisers hebben niet toegelicht waarom uit deze informatie blijkt dat zij als Dublinterugkeerders bij overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De rechtbank concludeert daarom dat de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan. 6.2. De beroepsgrond slaagt niet. Had de minister de volledige weerslag van het overdrachtsbesluit op de gezondheid van eiseres moeten beoordelen? 7. Eisers voeren aan dat de minister, door met het BMA-advies enkel te onderzoeken of [eiseres 2] kan reizen en onder welke voorwaarden, niet heeft voldaan aan de eisen van het arrest C.K. Het BMA concludeert dat [eiseres 2] niet in staat is om te reizen, tenzij haar zus met haar meereist. Er wordt enkel uitgesloten dat tijdens de feitelijke reis naar Kroatië geen schending van artikel 4 van het Handvest optreedt. De minister heeft ten onrechte niet de volledige weerslag van de overdracht op de gezondheidssituatie van [eiseres 2] onderzocht. Eisers verwijzen daarbij naar de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in de uitspraak van 22 oktober 2025 heeft gesteld. Eisers stellen zich op het standpunt dat de casus die diende bij de zittingsplaats Roermond vergelijkbaar is met die van [eiseres 2] . Ook omstandigheden voorafgaand aan en na de overdracht kunnen leiden tot een verslechtering van de gezondheidstoestand van [eiseres 2] en dus een schending van artikel 4 van het Handvest. Alleen al de eventuele aankondiging van de overdracht zal leiden tot een risico voor een ernstige en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidssituatie van [eiseres 2] . Eisers overleggen ter onderbouwing van dit standpunt een brief van 3 juli 2025 van [persoon] , praktijkondersteuner [bedrijf] . In de brief staat onder andere: ‘ Mevrouw [eiseres 3] heeft zich 6 februari 2025 voor het eerst gemeld bij het GZA. Na enkele gesprekken met een verpleegkundige is ze 24 februari 2025 voor de eerste keer bij mij gekomen. Ik heb als praktijkondersteuner [bedrijf] 6 gesprekken met haar gevoerd. Ze heeft angst-, paniek, depersonalisatie en stemmingsklachten en slaapproblemen als gevolg van traumatische ervaringen. Door het overlijden van haar zus, waar ze een hechte band mee had, zijn haar klachten verergert. Er is sprake van een verhoogd suïciderisico zonder dat er op dit moment een acuut risico is. Ik verwacht dat het bericht van terugkeer naar Kroatië een sterk negatief effect zal hebben op haar klachten, waaronder een sterk verhoogd suïciderisico. ’ 7.1. Op de zitting verklaren eisers dat [eiseres 2] flashbacks en paniekaanvallen krijgt zodra het woord ‘Kroatië’ valt, ook in het bijzijn van haar zus. 8. De minister stelt zich op het standpunt dat wel is voldaan aan de vereisten van het arrest C.K. De minister verwijst naar werkinstructie 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K. De minister ziet geen aanleiding om tot een andere handelswijze te komen naar aanleiding van de prejudiciële vragen die de zittingsplaats Roermond heeft gesteld. Op 29 oktober 2025 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan in een soortgelijke zaak. In overweging 2.3 overweegt de Afdeling dat het arrest C.K. niet gaat over de aankondiging van de feitelijke overdracht op het moment dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft. De minister meent daarom dat middels het BMA-advies is voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest C.K. 9. De rechtbank volgt het standpunt van de minister niet. De rechtbank stelt vast dat [eiseres 2] met de brief van de praktijkondersteuner aannemelijk heeft gemaakt dat (een aankondiging van) een overdracht aan Kroatië een sterk negatief effect zal hebben op haar klachten, waaronder een sterk verhoogd suïciderisico. De rechtbank merkt dit aan als een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Uit het arrest C.K. volgt dat de autoriteiten, waaronder begrepen de rechterlijke autoriteiten, in dat geval iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidssituatie van de betrokken derdelander moeten wegnemen. 9.1. Mede onder verwijzing naar de onderbouwing van de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond, is de rechtbank van oordeel dat de weerslag van de overdracht niet kan worden beperkt tot enkel de weerslag van de reis zelf. De weerslag van de overdracht en de gevolgen van de overdracht kunnen zich, omdat [eiseres 2] kampt met zeer ernstige psychische en psychiatrische problematiek die zich uit in een reële suïcidedreiging, immers ook openbaren op een ander moment dan gedurende de feitelijke overdracht. Zoals tijdens de aankondiging van de feitelijke overdracht of in een onbewaakt moment voorafgaand aan de vlucht naar Kroatië. 9.2. [eiseres 2] moet tegen deze weerslag op kunnen komen. Zij heeft namelijk het recht om een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen tegen het overdrachtsbesluit en een grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte. De rechtbank kan uitsluitend waarborgen dat het overdrachtsbesluit voor [eiseres 2] niet uitmondt in een reëel risico dat zij wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, indien de rechtbank alle gevolgen van het nemen van het overdrachtsbesluit voor de bijzonder slechte gezondheidstoestand van [eiseres 2] in ogenschouw kan nemen bij de rechterlijke controle van dit besluit. Een reëel risico op suïcide laat zich niet vangen in juridische waterschotten. 9.3. Naar het oordeel van de rechtbank vereist artikel 4 van het Handvest dan ook dat de volledige weerslag van het nemen van een overdrachtsbesluit op de gezondheidssituatie van [eiseres 2] wordt beoordeeld. Het beperken van de feiten en omstandigheden die in ogenschouw moeten worden genomen verdraagt zich niet met het absolute karakter van artikel 4 van het Handvest. De rechtbank ziet zich gesteund in dit oordeel door de verklaring voor recht van het Hof in het arrest X van 22 november 2022 dat artikel 5 en artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de bevoegde nationale autoriteit de gevolgen van de verwijderingsmaatregel zelf voor de gezondheidstoestand van een derdelander alleen in aanmerking neemt om te onderzoeken of de derdelander in staat is om te reizen. 9.4 Dat, zoals de minister heeft aangegeven, de Afdeling in de uitspraak van 29 oktober 2025 heeft geoordeeld dat het arrest C.K. niet gaat over de aankondiging van de feitelijke overdracht op het moment dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft en die aankondiging gebeurt wanneer de vreemdeling nog in Nederland is en ook geen onderdeel is van de overdracht zelf, maakt het voorgaande dan ook niet anders. 9.5. Door enkel te beoordelen of en hoe [eiseres 2] naar Kroatië kan reizen, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank dus ten onrechte niet iedere ernstige twijfel weggenomen over de volledige weerslag van het nemen van het overdrachtsbesluit op de gezondheidssituatie van [eiseres 2] . 9.5. De beroepsgrond slaagt. Heeft de minister zich bij de besluitvorming mogen baseren op het BMA-advies? 10. Aangezien eisers aanvoeren dat het BMA-advies onvolledig is en dat ook omstandigheden voorafgaand en na de overdracht kunnen leiden tot een verslechtering van de gezondheidstoestand van [eiseres 2] , ziet de rechtbank zich ook voor de vraag gesteld of de minister zich bij de besluitvorming heeft mogen baseren op het BMA-advies.
Volledig
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister zich ervan moet vergewissen dat een advies van het BMA naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is, voordat hij zo’n advies aan zijn besluitvorming ten grondslag kan leggen. 10.1. De rechtbank stelt vast dat het BMA de brief van de praktijkondersteuner [bedrijf] van 3 juli 2025 niet kenbaar heeft betrokken in het BMA-advies. De stelling van de minister dat de brief wel in de opsomming van de documenten op pagina 1 van het BMA-advies staat, maakt dit niet anders. Daaruit blijkt namelijk niet dat het BMA het door de praktijkondersteuner geconstateerde sterk verhoogde suïciderisico kenbaar heeft betrokken in de beoordeling. Weliswaar heeft het BMA geadviseerd dat [eiseres 2] door haar zus moet worden begeleid tijdens de reis, maar niet is duidelijk hoe de ter zake niet deskundige zus het sterk verhoogde suïciderisico bij [eiseres 2] kort voorafgaand, tijdens en kort na de reis kan indammen. Het BMA-advies is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende inzichtelijk. De minister heeft de besluitvorming daarom niet mogen baseren op het BMA-advies. 10.2. De beroepsgrond slaagt. Heeft de minister het standpunt dat het beroep van eisers op artikel 17 van de Dublinverordening niet slaagt, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd? 11. Eisers voeren aan dat de minister hun asielaanvragen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. In het geval van eisers is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan een overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Uit het medisch dossier van [eiseres 2] blijkt namelijk dat zij, mede door haar ervaringen in Kroatië, lijdt aan een post-traumatische stressstoornis. Ter zitting hebben de zussen en broer van [eiseres 2] verklaard dat de huidige psychische toestand van [eiseres 2] zich pas heeft gemanifesteerd na hun korte verblijf in Kroatië. 12. De minister stelt zich op het standpunt dat in de besluitvorming voldoende is ingegaan op de aangevoerde omstandigheden. Deze omstandigheden zijn niet relevant bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Deze hebben namelijk betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. In het besluit is al overwogen dat hiervoor geen concrete aanwijzingen zijn. 13. De rechtbank is van oordeel dat de minister de omstandigheid dat [eiseres 2] lijdt aan een post-traumatische stressstoornis onvoldoende kenbaar heeft betrokken in de beoordeling. Deze omstandigheid is niet kenbaar betrokken in de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister kon daarom voor de beoordeling of deze omstandigheid maakt dat de minister de asielaanvragen van eisers aan zich moet trekken, niet terugverwijzen naar de overwegingen in de bestreden besluiten ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stelling van de minister op de zitting dat het BMA-advies de situatie niet anders maakt dan in het besluit naar voren is gekomen en dat er in Kroatië sprake is van adequate medische zorg, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt zich niet verhoudt tot het vereiste van een zorgvuldige besluitvorming. Het standpunt van de minister is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. 13.1. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 14. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten zijn onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd, in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb . Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. 15. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen. 16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 17. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1,5, omdat sprake is van vier samenhangende zaken). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bureau Medische Advisering. Verordening (EU) nr. 604/2013. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RBDHA:2024:17485. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218. ECLI:NL:RVS:2024:4037. Zoals in de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4664, 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076, 6 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:919 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127. ECLI:NL:RBDHA:2025:19325. ECLI:NL:RVS:2025:4774. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127, overweging 76. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2022 in de zaak C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2226, onder 3.1. Algemene wet bestuursrecht.