Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:4363
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 23/3317, SGR 23/3320 en SGR 23/4995 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaken tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn) en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. R.E. Helder). Samenvatting 1. Eiseres heeft op 20 april 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van de woning [adres] door het plaatsen van een dakopbouw die met het besluit van 12 juni 2018 is verleend. 1.1. Deze uitspraak gaat over drie besluiten van het college die alle verband houden met de vergunde dakopbouw: In de eerste plaats gaat het om het besluit van het college om de omgevingsvergunning in te trekken waarmee de dakopbouw is vergund. In de tweede plaats gaat het om een besluit van het college om de dakopbouw met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang te laten verwijderen. Tot slot gaat het om het besluit waarbij het college de kosten van de zeer spoedeisende bestuursdwang aan eiseres in rekening heeft gebracht; de kostenbeschikking. 1.2. In bezwaar is het college niet teruggekomen op zijn standpunten over de intrekking van de omgevingsvergunning en de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten op bezwaar. Aan de hand van de gronden die eiseres heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of die besluiten op bezwaar juist zijn. 1.3. Het beroep van eiseres dat ziet op de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang heeft op grond van het recht mede betrekking op de kostenbeschikking. 1.4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het volgende oordeel. Het bestreden besluit over de intrekking wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan worden in stand gelaten. Het bestreden besluit over de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang wordt vernietigd, zodat ook de kostenbeschikking niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn. Procesverloop Voornemen en zienswijze 2. Op 9 september 2022 heeft het college door middel van een conceptbesluit aan eiseres kenbaar gemaakt het voornemen te hebben om de omgevingsvergunning in te trekken. In dit voornemen is een overzicht van geconstateerde gebreken opgenomen. De dakopbouw verkeert op sommige punten in onveilige staat, voldoet het niet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 en wijkt ook af van de omgevingsvergunning, aldus het college. 2.1. Eiseres heeft op het voornemen gereageerd met een zienswijze. Daarin heeft zij aangegeven welke werkzaamheden zij in reactie op de lijst van gebreken in het voornemen heeft verricht en welke werkzaamheden zij nog moet verrichten. In verband hiermee heeft eiseres het college verzocht om haar een laatste kans bieden als bedoeld in artikel 5.19, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) om haar handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de omgevingsvergunning. Het college heeft daartoe geen aanleiding gezien vanwege de eerdere keren dat eiseres is gewezen op gebreken in de bouw, wat niet tot verbetering heeft geleid. Het college ziet daarom geen aanleiding te veronderstellen dat eiseres daar binnen afzienbare tijd wel aan kan voldoen. Besluitvorming 2.2. Met het besluit van 29 september 2022 heeft het college de omgevingsvergunning ingetrokken met toepassing van artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo (intrekkingsbesluit). 2.3. Met het besluit van 24 oktober 2022 heeft het college met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang de dakopbouw door een van gemeentewege ingeschakelde aannemer laten verwijderen. 2.4. Met de bestreden besluiten op bezwaar van 24 maart 2023 heeft het college de bezwaren van eiseres tegen het intrekkingsbesluit (het bestreden besluit 1) en de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang (het bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. 2.5. Met de kostenbeschikk Ook is daarin geen termijn bepaald. Nu door het college dus niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 5.19, derde lid, van de Wabo, had het college ook niet op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo tot intrekking van de omgevingsvergunning kunnen overgaan. 5.3. Dat betekent dat het bestreden besluit 1, waarbij het intrekkingsbesluit door het college is gehandhaafd, een gebrek vertoont. De onherstelbare aard van dit gebrek verzet zich tegen toepassing van artikel 6:22 van de Awb of een bestuurlijke lus. Het bestreden besluit 1 kan niet in stand worden gelaten en moet daarom worden vernietigd. De beroepsgrond slaagt. 5.4. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit 1 in stand te laten. Redengevend daartoe is het volgende. In het rapport van Broersma Bouwadvies van 11 oktober 2022 is geconcludeerd dat de bouwfouten in de dakopbouw zo substantieel en veelvoudig zijn dat het geen reële oplossing is om de reeds aangebrachte constructie te versterken dan wel deels te vervangen. Geadviseerd wordt om de dakopbouw in zijn geheel te verwijderen en opnieuw op te bouwen. De rechtbank leidt hieruit af dat ook als de termijn van artikel 5.19, derde lid, van de Wabo wel zou zijn gegeven, herstel van de in het voornemen genoemde gebreken binnen een redelijke termijn geen reële mogelijkheid zou zijn geweest. De rechtbank betrekt daarbij dat de herstelwerkzaamheden die eiseres in reactie op het voornemen heeft ondernomen ontoereikend waren en zelfs hebben geleid tot het stilleggen van de bouwwerkzaamheden om verdere verergering van de situatie te voorkomen. De toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang 6. Eiseres betoogt dat ten onrechte zeer spoedeisende bestuursdwang is toegepast. In het rapport van Broersma Bouwadvies (verder: Broersma) van 24 oktober 2022 wordt aangegeven dat tijdens de inspectie op 29 september 2022 is geconcludeerd dat de beplating is verzadigd met water, waardoor die geen schijfwerking meer kan genereren. Deze conclusie kon het college derhalve al bekend zijn sinds de inspectie door Broersma op 29 september 2022 en in ieder geval ten tijde van het rapport van Broersma van 11 oktober 2022, waarin al staat dat de wand – kennelijk - zo slecht was dat daar geen schijfwerking/constructieve eigenschappen – meer – aan ontleend konden worden. Het college had derhalve reeds op 29 september 2022 op de hoogte kunnen zijn van de -vermeende- spoedeisende situatie en heeft bijna een maand heeft gewacht met de toepassing van bestuursdwang. Er was derhalve geen sprake van een spoedeisende karakter en het college was dan ook niet bevoegd om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Zij betoogt verder dat het college haar de mogelijkheid en een begunstigingstermijn had moeten bieden om de dakopbouw of delen daarvan, zelf te verwijderen. Eiseres vindt verder dat het college zich, gelet op het advies in het rapport van 24 oktober 2024, had moeten beperken tot stabiliserende maatregelen. 6.1. Zoals in het verweerschrift nader toegelicht, stelt het college stelt dat de externe adviseurs van DGMR Bouw en Broersma de bevindingen van de inspectie op 29 september 2022 in de rapporten van respectievelijk 4 en 7 oktober 2022 op schrift hebben gesteld. Deze adviseurs concludeerden dat sprake is van essentiële constructiefouten die niet zonder het afbreken van de dakopbouw te repareren zijn. Deze rapporten vormden niet de grondslag om spoedeisende bestuursdwang toe te passen maar wel om de dakopbouw vervolgens nader te inspecteren op dinsdag 4 oktober, vrijdag 14 oktober en vrijdag 21 oktober. Bij deze laatste inspectie bleek dat de constructieve staat van de dakopbouw zeer instabiel was. Zo was de OSB-beplating van de dakopbouw totaal verzadigd en brak deze bij een simpele handeling direct af. Dit leidde tot grote zorgen. Daarom is aan Broersma met verzocht om met spoed te onderzoeken of de constructieve staat van het bouwwerk nog voldoende veilig was. Dat bleek niet het geval. U Dat het college naar aanleiding van de inspectie op 29 september 2022 en het rapport van 11 oktober 2022 niet onmiddellijk om een advies heeft gevraagd over de stabiliteit en veiligheid van het bouwwerk, neemt niet weg dat pas op basis van het berekeningsrapport van 24 oktober 2022 voldoende duidelijk was dat de situatie zodanig onveilig was dat onmiddellijk handhavend optreden geboden was. 6.6. De rechtbank volgt het college echter niet in het standpunt dat toepassing van spoedeisende bestuursdwang door middel van onmiddellijke verwijdering van de dakopbouw, zonder aan eisers een begunstigingstermijn te bieden, gerechtvaardigd was. In het berekeningsrapport van 24 oktober 2022 wordt niet geadviseerd om de dakopbouw onmiddellijk te verwijderen doch alleen om “zo gauw mogelijk maatregelen te treffen bij de H.S.B-wanden in as 1 en 2”. Welke maatregelen dat zijn vermeldt het berekeningsrapport niet. Ook blijkt niet dat het college aan Broersma Bouwadvies gevraagd heeft welke maatregelen dat zouden moeten zijn. Dat het college op 24 oktober 2022 geen andere mogelijkheid (meer) had dan met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang de dakopbouw volledig te laten verwijderen, volgt niet uit het hiervoor bedoelde advies en is door het college ook anderszins niet onderbouwd. Het rapport laat expliciet ruimte dat met minder vergaande (stabiliserende) maatregelen kan worden volstaan. Nu het gaat om een zeer ingrijpende en kostbare maatregel, had het college eerst nader moeten onderzoeken of en onderbouwen dat algehele en onmiddellijke verwijdering de enige optie was. 6.7. Het college heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de situatie niet meer toeliet om de spoedeisende bestuursdwang te beperken tot het treffen van (stabiliserende) maatregelen bij de OSB-wanden in as 1 en 2, overeenkomstig het advies in het berekeningsrapport, en om aan eiseres een korte begunstigingstermijn te gunnen om de dakopbouw zelf te verwijderen. 6.8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang, zoals het college dat heeft gedaan, niet gerechtvaardigd was. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit 2 moet worden vernietigd. De kostenbeschikking 7. Het voorgaande betekent dat ook de kostenbeschikking voor vernietiging in aanmerking komt. Conclusie en gevolgen 8. De beroepen tegen de bestreden besluiten en de kostenbeschikking zijn gegrond. De bestreden besluiten en de kostenbeschikking worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 worden in stand gelaten. 8.1. Het college moet het in de beroepen tegen de bestreden besluiten betaalde griffierecht van 2 × € 365,- aan eiseres vergoeden. 8.2. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend (1 punt), aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt) en schriftelijke inlichtingen heeft gegeven in reactie op de brief van de rechtbank over het beroep van rechtswege tegen de kostenbeschikking (0,5 punt), met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten en de kostenbeschikking gegrond; vernietigt het bestreden besluit 1; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand blijven; vernietigt het bestreden besluit 2; vernietigt de kostenbeschikking; bepaalt dat het college het griffierecht van 2 × € 365,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uits