Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:4254
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,344 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4254 text/xml public 2026-03-05T14:00:20 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-03 NL25.16918 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4254 text/html public 2026-03-04T13:57:06 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4254 Rechtbank Den Haag , 03-03-2026 / NL25.16918 Einduitspraak na tussenuitspraak – geen reactie verweerder – beroep gegrond – vernietiging bestreden besluit - proceskostenveroordeling. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.16918 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] , eiser 1 [eiseres] , eiseres [eiser 2] , eiser 2 [eiser 3] , eiser 3, hierna samen: eisers V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] en [V-nummer 4] (gemachtigde: mr. A. Heida), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Sanchéz-Rhemrev). Procesverloop Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van de rechtbank van 20 november 2025 verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken mee te delen of van de gelegenheid gebruik wordt gemaakt om binnen zes weken na plaatsing van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak. Verweerder heeft hier, ook na rappel, niet op gereageerd. Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen Voor een beschrijving van de feiten, de eerder ingenomen standpunten van partijen en overwegingen van de rechtbank verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit ten aanzien van eiser 2 lijdt aan een motiveringsgebrek, omdat verweerder niet tijdig is overgegaan tot een herbeoordeling van Noord-Macedonië als veilig land van herkomst, zoals bedoeld in de Afdelingsjurisprudentie. Verweerder is derhalve uitgegaan van een verkeerd beoordelingskader en is onvoldoende ingegaan op eisers betoog dat hij geen bescherming van de autoriteiten in Noord-Macedonië kan verkrijgen. Verweerder heeft niet kenbaar gemaakt dat hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep voor zover deze ziet op eiser 2 gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op het voornoemde onderdeel wegens strijd met de vereiste zorgvuldigheid (artikel 3:2 van de Awb ) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder alsnog het juiste beoordelingskader dient toe te passen en dient te motiveren op welke wijze eisers betoog over de bescherming van de autoriteiten wordt betrokken in de beoordeling van zijn asielaanvraag. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat verweerder immers niet heeft aangegeven het gebrek te willen herstellen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. 5. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser 2 een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1). 6. Ten aanzien van de overige eisers geldt dat hun beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard, zoals reeds is geoordeeld in rechtsoverweging twee van de tussenuitspraak. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor eiser 1, eiser 3 en eiseres; - verklaart het beroep gegrond voor zover deze ziet op eiser 2; - vernietigt het bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 2 tot een bedrag van €1.868,-. Deze uitspraak is gedaan op 3 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:22059. Algemene wet bestuursrecht.