Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:4247
RECHTBANK DEN HAAG BB (B/C) Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag Zaaknummer: 12073048 \ RL EXPL 26-2255 Vonnis in kort geding van 5 maart 2026 in de zaak van [eisende partij] B.V. , te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. S.J. van Leeuwen, tegen [gedaagde partij] B.V. , te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: M. Huisman. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 februari 2026, met producties,- de conclusie van antwoord, met producties,- de mondelinge behandeling van 18 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2 De feiten 2.1. [gedaagde partij] is met [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) een huurovereenkomst aangegaan voor het exploiteren van een houtskoolgrillrestaurant aan de [adres] (hierna: het restaurant). 2.2. Op grond van de Allonge nr. 1, artikel 1, bij de huurovereenkomst zijn partijen een ingangsdatum overeengekomen die is bepaald op 5 januari 2024. 2.3. Op grond van de Allonge nr. 1 bij de huurovereenkomst is [eisende partij] B.V. (hierna: [eisende partij] ) rechtsgeldig in de plaats getreden van [bedrijfsnaam 1] als verhuurder. 2.4. Partijen zijn overeengekomen dat de eerste drie maanden van de huurovereenkomst huurvrij zijn. Daarna bedraagt de huurprijs maandelijks € 20.499,99 exclusief btw. 2.5. Bij de oplevering is [eisende partij] gehouden tot een aantal opleververplichtingen genoemd in de opleverlijst, waaronder het vergroten van de ventilatiecapaciteit in het restaurant, via haar samenwerkende aannemersbedrijf [bedrijfsnaam 2] . Onder ‘Onderdeel’, nr. 4, staat dit genoemd als: “ Ventilatie: extra afblazing via andere units” en onder ‘Uitvoerende partij’ staat “ [bedrijfsnaam 2] ”. 2.6. Op 12 januari 2024 bevestigt een medewerker van [bedrijfsnaam 2] per e-mail aan [gedaagde partij] dat de ventilatiecapaciteit vergroot dient te worden en dat [bedrijfsnaam 2] daarmee bezig is. 2.7. Op 12 januari 2024 reageert [naam] van [gedaagde partij] op deze e-mail dat – samengevat – eerst bekend moet worden gemaakt door [eisende partij] dan wel [bedrijfsnaam 2] waar het afzuigkanaal geïnstalleerd kan worden voordat deze werkzaamheden kunnen beginnen en dat ze steeds lang moet wachten op een reactie vanuit deze partijen. 2.8. Op 7 november 2025 sommeert [eisende partij] [gedaagde partij] tot betaling van de huurachterstand ter hoogte van € 447.224,54, exclusief rente en kosten. 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad: i) ontruiming van het gehuurde aan de [adres] , zo nodig met de sterke arm van politie en justitie, op kosten van [gedaagde partij] , op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag, ii) veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de huurachterstand van € 447.224,54, te vermeerderen met de contractuele boete van € 500,- per dag, iii) veroordeling van [gedaagde partij] om vanaf februari 2026 tot de dag van de beëindiging van de Huurovereenkomst de huurpenningen te voldoen, iv) veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. 3.2. [eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] gehouden is tot de betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Zij stelt dat het restaurant casco diende te worden opgeleverd en dat [eisende partij] hieraan heeft voldaan. De huurachterstand is tot op heden zo ver opgelopen dat dit de ontruiming van het restaurant rechtvaardigt. [eisende partij] heeft geen vertrouwen meer dat de huurachterstand nog kan worden ingelopen en wil deze situatie zo snel mogelijk beëindigen. 3.3. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde partij] voert hiertoe aan dat zij geen overeenkomst is aangegaan met [eisende partij] en dat het restaurant pas open kan als aan de opleververplichtingen van de verhuurder zijn voldaan. Met name het vergroten van de afzuigcapaciteit van de ventilatie is een verplichting waaraan de verhuurder gehouden is, omdat [gedaagde partij] het afzuigkanaal niet zelf aan kan leggen. Het afzuigkanaal moet namelijk via de naburige panden lopen, waartoe [gedaagde partij] geen toegang heeft. Zo lang de ventilatiecapaciteit niet is vergroot, kan het houtskoolgrillgedeelte van het restaurant niet open, terwijl dit het grootste deel van het restaurantconcept is. [gedaagde partij] staat al twee jaar in de wacht, heeft hard gewerkt om gedeeltelijk open te kunnen en staat in de startblokken om ook het restaurant binnen te kunnen openen. Er is nooit onwelwillendheid geweest bij [gedaagde partij] tot het afwerken van de ventilatie of andere delen van het restaurant. Het is juist zo dat de verhuurder lange tijd niets van zich heeft laten horen en dat [gedaagde partij] hierdoor geen kant op kon. [gedaagde partij] heeft daarnaast aangeboden een deel te betalen, omdat zij wel al het buitendeel exploiteerde, maar dit aanbod heeft [eisende partij] geweigerd. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. 4.2. Vaststaat dat [gedaagde partij] met [eisende partij] een huurovereenkomst is aangegaan. Uit de eerste allonge bij de huurovereenkomst blijkt namelijk dat [eisende partij] als partij de overeenkomst rechtsgeldig heeft overgenomen van het eerder genoemde [bedrijfsnaam 1] . Het verweer van [gedaagde partij] dat zij geen huurovereenkomst is aangegaan met [eisende partij] slaagt dan ook niet. Deze huurovereenkomst is ingegaan op 5 januari 2024. 4.3. Onder een van de verplichtingen van de verhuurder valt een deugdelijke oplevering zoals [gedaagde partij] heeft ontvangen in de opleverlijst van 5 januari 2024. Een van de opleverwerkzaamheden die nog moest worden verricht is het vergroten van de afblaascapaciteit. Partijen zijn het eens over het feit dat [eisende partij] als verhuurder via zijn aannemer [bedrijfsnaam 2] heeft toegezegd aan [gedaagde partij] de afblaascapaciteit te zullen vergroten. Voor [gedaagde partij] als houtskoolgrillrestaurant is deze afblaascapaciteit van essentieel belang, nu dit een vereiste is voor het openen van het restaurant en zij anders het restaurant niet kan uitbaten op de manier hoe zij van plan was. 4.4. Om onduidelijke redenen is de verhuurder niet overgegaan tot haar verplichting met betrekking tot het vergroten van de afblaascapaciteit, zelfs niet nadat [gedaagde partij] daar meerdere keren om heeft gevraagd. Momenteel zijn partijen op het punt beland dat [eisende partij] dit niet meer wil doen omdat de huurachterstand zodanig is opgelopen en zij niet nog extra geld willen investeren en [gedaagde partij] geen huur betaalt omdat [eisende partij] niet aan haar opleververplichtingen heeft voldaan. Het is op dit moment niet meer uit te maken aan wie het gelegen heeft dat de afzuigcapaciteit, die zo belangrijk is voor het openen van het houtskoolgrillrestaurant, niet is vergroot. [eisende partij] stelt dat het lag aan het niet reageren van [gedaagde partij] , terwijl [gedaagde partij] stelt dat het lag aan het niet reageren van [eisende partij] . Ten opzichte van wat er weersproken is door [gedaagde partij] , heeft [eisende partij] deze stelling onvoldoende onderbouwd. 4.5.