Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:4118
RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/679204 / HA ZA 25-103 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van 1 [eiseres 1] , te [vestigingsplaats 1] , gemeente [gemeente 1] , hierna te noemen: [eiseres 1] , 2. [eiseres 2] , te [vestigingsplaats 2] , gemeente [gemeente 2] , hierna te noemen: [eiseres 2] , eisende partijen, advocaat: mr. G.J.M. de Jager, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) , te Den Haag, gedaagde partij, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. J.S. Procee. [eiseres 1] en [eiseres 2] worden hierna gezamenlijk eiseressen genoemd. 1 Waar deze zaak over gaat 1.1. Eiseressen exploiteren landbouwbedrijven en zijn verplicht op hun landbouwgrond langs waterlopen zogeheten bufferstroken aan te houden waarop bemesting verboden is. Volgens eiseressen is de wetgeving waarin deze bufferstrookverplichting is opgenomen een ongeoorloofde inmenging in hun eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of artikel 17 EU Handvest, en daarmee onrechtmatig. 1.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bufferstrookverplichting niet onrechtmatig is jegens eiseressen. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 27 januari 2025, met de producties 1-9; - de conclusie van antwoord, met de producties 1-19; - de akte aanvullende producties van de Staat, met de producties 20 en 21; - de akte aanvullende producties van eiseressen, met de producties 10, 11 en 12; - het schriftelijk pleidooi van eiseressen, met de producties 13 en 14; - het schriftelijk pleidooi van de Staat. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. 2.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 3 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 3.1. [eiseres 1] is een landbouwbedrijf met als activiteiten akker- en of/tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren. [eiseres 1] is gevestigd aan de [adres 1] . De maatschap bestaat uit drie maten. 3.2. [eiseres 2] is een landbouwbedrijf met als activiteiten teelt van aardappels en overige wortel- en knolgewassen. [eiseres 2] is gevestigd aan de [adres 2] . De maatschap heeft drie maten. 3.3. Zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] houden op hun landbouwgrond bufferstroken aan overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1199c Besluit activiteiten Leefomgeving. 4 Het geschil 4.1. Eiseressen vorderen, na wijziging van eis, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I voor recht verklaart dat het Besluit en de Uitvoeringsregeling voor zover deze strekt(en) tot het in acht moeten nemen van bufferstroken op de bedrijven van eiseressen onverbindend zijn (geweest), althans: a) voor recht verklaart dat de Uitvoeringsregeling jegens hen buiten toepassing gelaten had moeten worden omdat niet is voorzien in een schadeloosstelling; b) voor recht verklaart dat het Besluit jegens hen buiten toepassing moet blijven, zolang niet is voorzien in een adequate compensatie van de schade die eiseressen hebben geleden, lijden en zullen lijden als gevolg van dit Besluit; II alsmede de Staat veroordeelt tot betaling aan eiseressen van de door hen geleden schade, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III de Staat veroordeelt in de kosten van de onderhavige procedure. 4.2. De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eiseressen in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling I. Inleiding 5.1. In deze zaak staat centraal of de bufferstrookverpli De Nitraatrichtlijn hangt nauw samen met de Kaderrichtlijn Water (hierna: de KRW). Ook uit de KRW volgt de verplichting tot het treffen van maatregelen voor een goede waterkwaliteit en van maatregelen die een verdere achteruitgang in de ecologische toestand van grond- en oppervlaktewater voorkomen. De KRW heeft betrekking op emissies, lozingen en stoffenverlies uit alle soorten bronnen, en dus ook uit agrarische bronnen. Om te voldoen aan de doelstelling van de KRW moeten regels worden gesteld voor het gebruik van meststoffen (onder meer vanwege de daarin aanwezige nutriënten fosfor en stikstof) om daarmee de uit- en afspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater te voorkomen en te verminderen. Maatregelen ter uitvoering van de Nitraatrichtlijn maken daarom ook deel uit van het maatregelenprogramma dat op grond van de KRW moet worden opgesteld. Eutrofiëring van oppervlaktewater en het belang van bufferstroken 5.11. De Nitraatrichtlijn richt zich onder meer op het voorkomen van eutrofiëring van oppervlaktewater. Eutrofiëring is een proces van toename van nutriënten in het water, waardoor de planten- en dierensamenstelling niet aan de gewenste situatie voldoet. Oppervlaktewater is kort gezegd eutroof wanneer dat veel stikstof en/of fosfaat bevat en de biologie niet op orde is. Eutrofiëring leidt tot een eenzijdige plantengroei (met name algen), waardoor het zuurstofgehalte daalt en de biodiversiteit onder waterplanten en waterdieren afneemt. 5.12. Zowel nitraten als fosfor kunnen dergelijke eutrofiëring veroorzaken. De lidstaten zijn verplicht om maatregelen te nemen ter voorkoming of bestrijding van eutrofiëring van het oppervlaktewater door nitraat, maar ook door fosfor. De parameters en eisen die voor eutrofiëring van oppervlaktewater gelden, zijn gebaseerd op de verplichtingen uit de KRW. Ook op dit punt hangt de Nitraatrichtlijn dus nauw samen met de KRW. 5.13. Stroken langs waterlopen zijn een belangrijk middel om de doelen van de Nitraatrichtlijn en KRW te bereiken. Als die stroken niet worden bemest, kan dit de effecten van uitspoeling en afspoeling vanuit de landbouw op oppervlaktewater verminderen. Dergelijke stroken kunnen op die manier bijdragen aan het bestrijden en/of voorkomen van eutrofiëring van oppervlaktewater. De derogatiebeschikking 5.14. De onder de Nitraatrichtlijn vast te stellen actieprogramma’s bevatten in ieder geval de verplichte maatregelen in bijlage III van de Nitraatrichtlijn. Eén van die verplichte maatregelen is het beperken van het op of in de bodem brengen van dierlijke meststof (bijlage III, onder 2, eerste alinea, van de Nitraatrichtlijn). Daarvoor is een gebruiksnorm vastgesteld voor stikstof uit dierlijke mest van 170 kg per hectare per jaar (bijlage III, onder 2, tweede alinea, van de Nitraatrichtlijn). 5.15. Van deze gebruiksnorm voor dierlijke meststof mag een lidstaat alleen onder strikte voorwaarden en met goedkeuring van de Commissie afwijken: de derogatie (bijlage III, onder 2, tweede alinea, sub b, van de Nitraatrichtlijn). Op grond van een derogatie kan per hectare per jaar meer stikstof uit dierlijke mest op of in de bodem worden gebracht dan de norm van 170 kg uit de Nitraatrichtlijn. Voor een derogatie bestaat alleen ruimte als geen afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 1 genoemde doelstellingen van de Nitraatrichtlijn en de voorgestelde afwijkende gebruiksnorm afdoende kan worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria zoals genoemd in bijlage III, onder 2, sub b, van de Nitraatrichtlijn. 5.16. Op verzoek van Nederland heeft de Commissie in 2006 voor het eerst een derogatie verleend. De Commissie heeft de voorwaarden voor de derogatie in de loop der jaren aangescherpt. Op 25 februari 2022 heeft Nederland de Commissie om een nieuwe derogatie verzocht en de Commissie heeft in reactie daarop op 30 september 2022 een derogatiebeschikking gegeven (hierna: de derogatiebeschikking). Door deze derogatiebeschikking mocht tot en met 31 december 2025 onder voorwaarden Bij artikel 4.1199c van het Bal is een tabel gevoegd waarin de minimale breedte van de bufferstrook en de afschalingsmogelijkheden schematisch worden weergegeven: Soort oppervlaktelichaam Minimale breedte van de bufferstrook Basis Afschaling 1: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat Afschaling 2: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook na afschaling 1 meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat Oppervlaktewaterlichaam als aangewezen in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet 500 cm n.v.t. n.v.t. Krw-oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving 500 cm 300 cm 100 cm als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van ten hoogste 1.000 cm gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam n.v.t. als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van meer dan 1.000 cm Oppervlaktewaterlichaam dat onder normale omstandigheden voor de zomer droogvalt en ten minste in de periode van 1 april tot en met 1 oktober droog staat 100 cm n.v.t. n.v.t. Overige oppervlaktewaterlichamen 300 cm 100 cm 50 cm Bufferstroken als conditionaliteit voor rechtstreekse betalingen op grond van het GLB 5.24. Landbouwers kunnen op grond van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) aanspraak maken op ‘rechtstreekse betalingen’, een vorm van inkomenssteun (in de vorm van subsidies) voor landbouwers. Het gaat om de subsidies: 1) basispremie en extra betaling eerste 40 hectare; 2) eco-regeling; 3) extra betaling jonge langbouwers; 4) behoud zeldzame landbouwhuisdierrassen en 5) brede weersverzekering. 5.25. Sinds 1 januari 2023 geldt op grond van het GLB een ‘verzwaarde baseline’ voor dergelijke rechtstreekse betalingen/subsidies. Die verzwaarde baseline houdt in dat landbouwers aan een aantal randvoorwaarden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen/subsidies uit hoofde van het GLB. Deze randvoorwaarden worden ook wel ‘conditionaliteiten’ genoemd. 5.26. De conditionaliteiten bestaan uit normen en eisen en worden ook wel omschreven als Goede Landbouw- en Milieucondities (hierna: GLMC). In Nederland zijn de rechtstreekse betalingen en de bijbehorende conditionaliteiten geïmplementeerd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023. De ervaring leert dat het overgrote deel van de landbouwers in Nederland – waaronder eiseressen – een beroep doet op het GLB en rechtstreekse betalingen ontvangt. 5.27. De conditionaliteiten GLMC 4 (Bufferstroken langs waterlopen) en GLMC 10 (Bufferstroken langs droge waterlopen) bevatten verplichtingen om bufferstroken aan te houden (hierna: de bufferstrookconditionaliteiten). Deze zijn in Bijlage 4, paragraaf 4, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 neergelegd. De voorwaarden en afmetingen van de bufferstrookconditionaliteiten komen (materieel) overeen met de bufferstrookverplichting op grond van de derogatiebeschikking. Vanwege de overlap en verwevenheid van deze twee bufferstrookverplichtingen heeft de wetgever deze aan elkaar gelinkt door bij de bufferstrookconditionaliteiten te verwijzen naar artikel 4.1199c van het Bal. 5.28. Qua grootte komen de bufferstrookverplichting en bufferstrookconditionaliteiten met elkaar overeen. Op beide soort stroken is bemesting niet toegestaan. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en/of biociden is onder de bufferstrookverplichting uit de derogatiebeschikking wel toegestaan, maar niet onder de bufferstrookconditionaliteiten. Het niet voldoen aan de conditionaliteiten heeft gevolgen voor de hoogte van de GLB-subsidie. Teeltvrije zones 5.29. Op grond van artikel 4.723d van het Bal wordt met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen langs een oppervlaktewaterlichaam een teeltvrije zone aangehouden. Deze verplichting geldt al sinds 1 januari 2000, dus al meer dan twintig jaar voo Juridisch kader voor inbreuk op eigendom door de Staat Artikel 1 EP EVRM 5.37. Artikel 1 EP bij het EVRM, luidt als volgt (in de Engelse authentieke tekst): ‘Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law. The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions of penalties’. en in de officiële Nederlandse vertaling: ‘Bescherming van eigendom Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.’ 5.38. Artikel 1 EP EVRM waarborgt het recht op het ongestoord genot van eigendom, beschermt tegen de ontneming van eigendom en regelt de mogelijkheid van regulering van eigendom. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de nationale rechtspraak is af te leiden dat de toetsing aan dit artikel plaatsvindt volgens het volgende besluitvormingsschema: i. i) is sprake van een ‘ possession ’ (eigendom) in de zin van deze bepaling? ii) is sprake van ‘ interference ’, dat wil zeggen ontneming of regulering van het eigendomsrecht? Is aan deze beide voorwaarden voldaan, dan wordt onderzocht of de volgende vereisten in acht zijn genomen: iii) is de inbreuk ‘ lawful ’ (rechtmatig), dat wil zeggen bij wet voorzien; iv) zo ja, heeft de inbreuk een legitieme doelstelling die dient ter bevordering van het ‘ general interest ’ (het algemeen belang), en v) zo ja, is sprake van een ‘ fair balance ’. Bij laatstbedoelde ‘ fair balance -toets’ geldt dat daaraan niet is voldaan, indien sprake is van een individuele en buitensporige last (‘ individual and excessive burden’ ) voor de betrokken persoon. Daarbij dienen alle omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw te worden genomen. Artikel 17 EU Handvest 5.39. Artikel 17, eerste lid, van het EU Handvest bepaalt dat een ieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist. 5.40. Artikel 17 EU Handvest heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 1 EP EVRM en moet op dezelfde wijze worden toegepast en uitgelegd. Dat is ook niet in geschil. De rechtbank zal hierna in haar overwegingen alleen artikel 1 EP EVRM betrekken, maar die overwegingen zijn, ook zonder dat dit steeds wordt vermeld, overeenkomstig van toepassing op artikel 17 EU Handvest. IV. Beoordeling van de rechtmatigheid van de bufferstroken 5.41. Voordat de rechtbank toekomt aan toetsing van artikel 4.1199c van het Bal, zal zij eerst aandacht besteden aan de derogatiebeschikking. De derogatiebeschikking 5.42. Eiseressen hebben aan hun vorderingen - sterk samengevat - ten grondslag gelegd dat de bufferstrookverplichting op grond van artikel 4.1199c van het Bal een onrechtmatige inbreuk is op hun eigendomsrecht. In dat kader hebben eiseressen naar voren gebracht dat de positieve effecten van d Vervolgens is aan de orde of artikel 4.1199c van het Bal voorziet in een ‘ fair balance ’. Een fair balance vereist ‘ a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim pursued ’, ofwel een redelijke mate van evenredigheid tussen het te dienen doel en de gekozen middelen. Bij de keuze van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe. Aan het vereiste van een ‘ fair balance ’ is niet voldaan als een betrokkene een individuele en buitensporige last te dragen heeft als gevolg van de wettelijke maatregelen. Bij de vraag of in een fair balance is voorzien neemt de rechtbank alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, in ogenschouw. Fair balance toets op regelgevingsniveau 5.50. De fair balance toets vindt eerst op het niveau van het Bal als zodanig plaats en daarna op individueel niveau. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, is artikel 4.1199c van het Bal een implementatie van de derogatiebeschikking, waarbij aan de Staat geen enkele beoordelingsruimte toekwam. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de derogatiebeschikking in het licht van artikel 1 EP EVRM. Op dit punt hebben eiseressen slechts aangevoerd dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de diversiteit aan agrarische bedrijven in Nederland. Eiseressen hebben het uitvoerige betoog van de Staat over de afwegingen van de Commissie die ten grondslag liggen aan de derogatiebeschikking en de daarin opgenomen bufferstrookverplichting echter niet weersproken. Aangezien de derogatiebeschikking in het licht van artikel 1 EP EVRM als rechtmatig moet worden aangemerkt, moet hetzelfde worden geoordeeld over artikel 4.1199c van het Bal. Fair balance toets op individueel niveau 5.51. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de fair balance toets op het individuele niveau. Volgens eiseressen is de bufferstrookverplichting voor hen een individuele en buitensporige last. Zij hebben hiertoe, samengevat, de volgende omstandigheden aangevoerd: i) de bufferstroken zijn bij eiseressen niet nodig. Uit het 7e actieprogramma volgt dat wanneer de waterkwaliteit op orde is, bufferstroken niet nodig zijn. Bij eiseressen is de waterkwaliteit al op orde; ii) de bufferstroken zijn bij eiseressen niet effectief. Uit milieuonderzoeken die (mede) ten grondslag hebben gelegen aan het 7e actieprogramma blijkt dat het hanteren van bufferstroken langs waterlopen niet overal even effectief is. Dit wordt verklaard door locatie-specifieke geohydrologische factoren die ervoor zorgen dat het nutriëntentransport niet door de bufferstroken voert. Bij eiseressen hebben de bufferstroken vrijwel geen effect op de waterkwaliteit, omdat zij telen op kleigrond, hun percelen zijn voorzien van buisdrainage en zij gewassen telen die de afspoeling van meststoffen beperken; iii) de bufferstroken hebben impact op de bedrijven van eiseressen. Zij kunnen als gevolg van de bufferstroken minder grond exploiteren, zodat eiseressen inkomsten derven. 5.52. De rechtbank is van oordeel dat de Staat met de bufferstrookverplichting ook jegens eiseressen heeft voorzien in een fair balance. Dit wordt als volgt toegelicht. 5.53. De rechtbank stelt voorop dat, zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd, de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland als geheel nog niet aan de normen voldoet. Het gaat hierbij met name om de stikstof- en de fosfornormen. Als deze normen in de loop van de tijd zijn aangescherpt, wat volgens eiseressen het geval is, verhoogt dat de urgentie om maatregelen te treffen om de waterkwaliteit wel aan de normen te laten voldoen. 5.54. De Staat heeft met rapporten onderbouwd dat in de toestroomgebieden waarin de percelen van [eiseres 2] en [eiseres 1] zijn gelegen, nog niet aan alle relevante normen wordt voldaan. Eiseressen hebben de juistheid van die rapportages niet gemotiveerd bestreden. Uit de rapporten volgt dat in het gebied van [eiseres 2] niet wordt voldaan aan Uit de stellingen van eiseressen en de formulering van hun vordering I a) en b) maakt de rechtbank op dat zij dat ook hebben onderkend. 5.62. In de rechtspraak is de regel ontwikkeld dat de onevenredig nadelige – dat wil zeggen buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of bedrijven drukkende – gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap moeten worden verdeeld. Uit deze regel vloeit een tweetal, naast elkaar bestaande, vereisten voort: er moet sprake zijn van een abnormale last in de zin dat de schade buiten het normale maatschappelijke of normale ondernemersrisico moet vallen; daarnaast moet sprake zijn van een speciale last, wat tot uitdrukking brengt dat een specifieke burger, een specifiek bedrijf of een beperkte groep in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar door een overheidshandeling moet zijn getroffen. 5.63. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, hebben eiseressen niet gesteld of onderbouwd dat de door hen geleden schade boven het normaal maatschappelijk risico, althans het normale ondernemersrisico, uitstijgt (abnormale last). Op dit punt is onder meer van belang dat de Nitraatrichtlijn, waarvan de bufferstrookverplichting een uitvloeisel is, stamt uit 1991 en in 1996 al het eerste actieprogramma is opgesteld. Eiseressen hadden dan ook al langere tijd rekening te houden met overheidsmaatregelen op dit punt. Bovendien kleurt het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ de voorzienbaarheid van de maatregelen in. Als afnemers van dierlijke mest dragen eiseressen ook bij aan de eutrofiëring van het oppervlaktewater. Eiseressen hebben ook niet gesteld dat de bufferstrookverplichting hen bijzonder zwaar treft in vergelijking met anderen in een vergelijkbare positie (speciale last). 5.64. Al deze omstandigheden, in onderling verband beschouwd, leiden de rechtbank tot het oordeel dat de bufferstrookverplichting van artikel 4.1199c van het Bal jegens eiseressen niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM. 5.65. Eiseressen hebben ten slotte nog betoogd dat, aangezien de derogatiebeschikking per 1 januari 2026 is vervallen, er geen grondslag meer bestaat voor de bufferstrook-verplichting. Dit betoog moet worden verworpen, omdat de rechtbank artikel 4.1199c van het Bal zelfstandig heeft getoetst. Dat oordeel geldt ook voor de huidige situatie. Of het wenselijk of nodig is om de bufferstrookverplichting (ongewijzigd) in stand te houden is een vraag van beleid, die door de wetgever moet worden beantwoord. Dat is thans onderwerp van het politieke debat. 5.66. De slotsom is dat de vorderingen van eiseressen worden afgewezen. V. Proceskosten 5.67. Eiseressen zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten worden aan de zijde van de Staat als volgt begroot: - griffierecht: € 714,00 - salaris advocaat: € 1.306,00 (twee punten à € 653,00, volgens tarief II)- nakosten € 189,00 (met de onder de beslissing bedoelde verhoging) Totaal: € 2.209,00 5.68. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. wijst het gevorderde af; 6.2. veroordeelt eiseressen in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moeten eiseressen € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.3. verklaart de veroordeling onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink, mr. M. Knijff en mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. Type: 1554 Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de besc