Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:3973
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/77 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2026 in de zaak tussen Vereniging Vrienden van Vlietland, te Leidschendam, verzoekster (gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen), en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, het college (gemachtigden: mr. B.H.A.J. Mariën en mr. drs. A. Pap). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Dutch Lake Residence C.V. , te Maassluis, belanghebbende (gemachtigde: mr. drs. Y. Sela). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een door verzoekster ingediend (preventief) handhavingsverzoek tegen werkzaamheden die belanghebbende wenst uit te voeren in het recreatiegebied Vlietland. Verzoekster heeft daar bezwaar tegen gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd de werkzaamheden bij wijze van voorlopige voorziening te laten staken. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Het college moet de werkzaamheden per direct stilleggen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster zwaarder dan het belang van belanghebbende om de werkzaamheden nu voorafgaand aan de beslissing op bezwaar uit te voeren. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 19 mei 2025 heeft verzoekster het college verzocht preventief handhavend op te treden tegen de werkzaamheden die belanghebbende naar verwachting uit zal voeren in het recreatiegebied Vlietland, omdat daardoor de verbodsbepalingen ten aanzien van ter plaatse aanwezige beschermde diersoorten dreigen te worden overtreden. 2.1. Met het bestreden besluit van 24 december 2025 heeft het college dit handhavingsverzoek afgewezen . Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. Op 13 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een ordemaatregel afgewezen. 2.3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft hierop desgevraagd gereageerd. Belanghebbende heeft ook een reactie ingediend. Het college en verzoekster hebben nadere stukken overgelegd. 2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], de gemachtigden van het college, vergezeld door [naam 3], en de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door [naam 4]. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. 3.1. Volgens verzoekster is het spoedeisend belang van de door haar gevraagde voorlopige voorziening gelegen in het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuurwaarden, waaronder aan leefgebied van beschermde soorten, zoals de boommarter, steenmarter, bosuil, ransuil, sperwer, buizerd, boomvalk, havik en meerdere vleermuissoorten. 3.2. Het college betwijfelt of sprake is van een spoedeisend belang, omdat de op dit moment in uitvoering zijnde onderhoudswerkzaamheden grotendeels zijn afgerond en er nog geen concrete werkzaamheden zijn gestart of gepland die betrekking hebben op het pr Handhaving is dan ook niet noodzakelijk. Daarbij betrekt het college dat belanghebbende de OZHZ op 2 december 2025 heeft gemeld voornemens te zijn onderhoudswerkzaamheden uit te voeren ten aanzien van de lage beplanting van de bosschages in enkele vakken in het projectgebied. Alvorens deze reguliere onderhoudswerkzaamheden uit te voeren, is ecologisch onderzoek uitgevoerd en zijn door ecologen inspecties verricht. Daaruit is geconcludeerd dat de onderhoudswerkzaamheden niet leiden tot een vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit. Specifiek ten aanzien van boommarters zijn geen geschikte verblijf- of rustplaatsen aangetroffen in de bosschages. Onder meer op 6 december 2025 en 17 december 2025 hebben inspecteurs van de OZHZ de projectlocatie bezocht. Bij deze controles zijn geen overtredingen geconstateerd. Buiten de gemelde reguliere onderhoudswerkzaamheden zijn geen andere activiteiten waargenomen. Is sprake van een (dreigende) overtreding? 6. Verzoekster betoogt dat niet is uitgesloten dat de voortzetting van de werkzaamheden leidt tot overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. Gelet op de aard van de werkzaamheden, het oordeel van deskundige H. van Daalen - die op 11 december 2025 tijdens een onderzoek ter plaatse heeft geconstateerd dat de ecologisch meest waardevolle houtige gewassen zijn verwijderd - alsmede de tot nog toe onbestreden aanwezigheid van beschermde vogelsoorten en zoogdieren in het gebied, is sprake van activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren. Daarmee is naar de mening van verzoekster sprake van een vergunningplichtige activiteit zonder dat daarover wordt beschikt. Daarnaast kan het bestreden besluit volgens verzoekster geen stand houden, omdat niet is ingegaan op een vermeende klaarblijkelijke dreiging van een overtreding van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 11.27 van het Bal. 6.1. In de Natuurtoets van Antea Group (Antea) van 31 oktober 2025, die is uitgevoerd voor het planvoornemen om verblijfsrecreatie te creëren in het noorden van recreatiegebied Vlietland, is op pagina 11 vermeld dat voor vleermuizen drie functies van het leefgebied van groot belang zijn, te weten: verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Tijdens het terreinbezoek is een boom met holtes aangetroffen, die geschikt kan zijn als verblijfplaats voor boom-bewonende vleermuizen. Overige geschikte bomen met verblijfplaatsen voor boom-bewonende soorten kunnen in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. Binnen het planvoornemen worden er geen bomen gekapt, waardoor potentiële verblijfplaatsen van boom-bewonende soorten niet fysiek worden aangetast, aldus de Natuurtoets. 6.2. Op pagina 14 van de Natuurtoets staat dat het plangebied geschikt habitat voor boommarters en steenmarters bevat. Binnen het plangebied zijn struwelen en takkenhopen aanwezig waar marterachtigen een verblijfplaats kunnen hebben. Tevens zijn er voldoende mogelijkheden voor marterachtigen om te foerageren binnen het plangebied, aangezien prooidieren van marterachtigen, waaronder veldmuizen en woelmuizen, ook kunnen voorkomen. In 2023 is er onderzoek gedaan naar de boommarter en steenmarter binnen het plangebied, waaruit naar voren is gekomen dat de boommarter aanwezig is in het gebied. In de Natuurtoets is vermeld dat verblijfplaatsen en andere elementen van de boommarter behouden blijven binnen het planvoornemen, omdat er geen bomen of opstaande vegetatie verwijderd worden. Datzelfde geldt blijkens pagina 15 van de Natuurtoets voor de eekhoorn. 6.3. In de memo Ecologische vrijgave onderhoudswerkzaamheden Vlietland van Antea van 3 december 2025 is vermeld dat de onderhoudswerkzaamheden enkel bestaan uit het onderhoud van de onderbeplanting in de bosschages. Er zullen geen bomen worden gekapt of worden aangetast. Omdat er geen bomen gekapt zullen worden in de vakken, zullen potentiële nesten van eekhoorns en boommarters in de bomen geen hind