Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:3869
RECHTBANK Den Haag Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/690498 / HA RK 25-438 Beschikking van 5 februari 2026 in de zaak van [verzoekende partij] te [woonplaats], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekende partij], advocaat: mr. A. el Ballouti, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen) te Den Haag, verwerende partij, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. B.M. Vijverberg. 1 De procedure 1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van: het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 16; het verweerschrift, met producties 38.1 tot en met 38.3; de beschikking van 21 augustus 2025 van de rechtbank Midden-Nederland, waarin de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond naar de rechtbank Den Haag is verwezen. 1.2. Op 20 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald. 2 De feiten 2.1. In de periode van 3 maart 2015 tot en met 18 maart 2015 is [verzoekende partij] in verband met een vervangende hechtenis wegens het niet uitvoeren van een werkstraf gedetineerd geweest in de Penitentiaire Inrichting [plaats] (locatie [locatie]) (hierna: de PI). 2.2. Op 5 maart 2015 heeft [verzoekende partij] een klacht ingediend bij de beklagcommissie van de PI naar aanleiding van een geweldsincident dat volgens [verzoekende partij] op de dag van zijn binnenkomst (3 maart 2015) in de PI heeft plaatsgevonden (hierna ook: het incident). In het beklagformulier heeft [verzoekende partij] onder meer het volgende opgenomen: “Ik (…) ben gisteren 03-03-2015 ernstig mishandeld. Ik zelf heb een gebroken kies door een van uw collega’s. Zelf ben ik ernstig toegetakeld bij mijn rug. Ik heb er ernstige last van. Ik heb slappeloze nachten!!!!” 2.3. Op 7 mei 2015 heeft de heer [naam 1] (teamleider beveiliging van de PI) (hierna: [naam 1]) over het incident het volgende verklaard: “Op dinsdag 3 maart 2015 omstreeks 16.15 uur werd ik als leidinggevende van dienst vanuit de badafdeling telefonisch in kennis gesteld dat de nieuwe inkomst gedetineerde [verzoekende partij] niet mee wilde werken aan zijn medische intake. Daarnaast werd mij verteld dat gedetineerde in zijn cel aan het schelden was en daarbij dreigementen uitte aan het adres van het aanwezige personeel. Gezien de gemoedstoestand van gedetineerde is door mij, na mij zelf op de hoogte te hebben gesteld, besloten deze geboeid te laten vervoeren naar de OBS afdeling. Dit omdat ik, gezien de gemoedstoestand van gedetineerde, de veiligheid van het begeleidend personeel niet kon garanderen. Tijdens de verplaatsing bleef gedetineerde personeel uitschelden en bedreigen. Ook waren er door gedetineerde verzetmomenten door met zijn lichaam te draaien en zich te laten vallen waardoor de begeleiders gedetineerde moesten ondersteunen om de verplaatsing te kunnen voltooien. Gezien dit gegeven en het feit dat gedetineerde steeds meer tegenwerkte aan zijn plaatsing, is door mij besloten dat gedetineerde door het aanwezige personeel uitgekleed moest worden. Dit om te voorkomen dat personeel door gedetineerde beschadigd zou worden. Uit mijn rol als locatiecommandant IBT (Intern Bijstand Team) heb ik personeel geïnstrueerd een matras in het midden van de OBS cel te leggen. Dit om te voorkomen dat gedetineerde op enigerlei wijze lichamelijke schade zou ondervinden op het moment dat hij neergelegd zou worden. Vervolgens is gedetineerde volgens IBT procedure ontkleed waarna hij onder begeleiding van twee begeleiders op het matras is neergelegd. Tijdens het ontkleden heeft gedetineerde constant weerstand geboden. (…) Later op de avond is gedetineerde gezien door de medische dienst. Vanuit de medische dienst heb ik geen informatie gekregen dat gedetineerde was beschadigd door de OBS plaa Als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft hij (blijvende) fysieke en psychische klachten opgelopen (namelijk een gebroken kies, klachten aan zijn polsen, rugklachten en psychische klachten). Voor de hieruit voortvloeiende schade is de Staat aansprakelijk, aldus [verzoekende partij]. 3.3. De Staat verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Behandeling in een deelgeschilprocedure? 4.1. [verzoekende partij] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing (i) een deegeschil betreft als bedoeld in artikel 1019w Rv, (ii) die kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit laatste onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv). 4.2. In dit geval heeft [verzoekende partij] de aansprakelijkheidsvraag aan de rechtbank voorgelegd. Dit is een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen (over causaliteit en schade) in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken. Inhoudelijke beoordeling 4.3. De rechtbank moet beoordelen of de Staat aansprakelijk is wegens onrechtmatige geweldsaanwending tegen [verzoekende partij] tijdens zijn detentie in de PI. 4.4. Op [verzoekende partij] rusten in beginsel de stelplicht en de bewijslast van de gestelde mishandeling en de daardoor geleden schade. Dit is anders als uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. In dat geval kan de bewijslast worden omgekeerd. Volgens vaste rechtspraak kan deze uitzondering slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden worden toegepast. 4.5. Anders dan [verzoekende partij] (onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2019 ) betoogt, ziet de rechtbank in de omstandigheden van deze zaak onvoldoende aanleiding om de bewijslast om te keren Weliswaar is, in strijd met het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de Geweldsinstructie penitentiare inrichtingen, geen schriftelijke melding opgemaakt van het incident, maar [verzoekende partij] is hierdoor naar het oordeel van de rechtbank niet in een onredelijk zware bewijspositie geraakt. De Staat heeft namelijk enige tijd na het incident wel andere verklaringen van betrokkenen laten opstellen (zie onder 2.3 en 2.4). Deze verklaringen geven informatie over de toedracht van het incident zoals dat volgens de Staat heeft plaatsgevonden en de Staat heeft aangevoerd dat een schriftelijke melding, als die destijds wel was opgemaakt, inhoudelijk met de afgelegde verklaringen zou zijn overeengekomen. De rechtbank volgt de Staat in dit betoog. De verklaringen geven namelijk duidelijkheid over de redenen die tot het aanwenden van geweld hebben geleid, de daaruit voortvloeiende gevolgen en op wiens last dit aanwenden van geweld heeft plaatsgevonden (hetgeen overeenkomt met het bepaalde in artikel 9 lid 1 van voornoemde Geweldsinstructie). Daarmee heeft de Staat in het kader van dit deelgeschil voldaan aan de op haar onder de gegeven omstandigheden rustende verzwaarde motiveringsplicht. Het ontbreken van de vereiste schriftelijke melding betekent dus niet dat de rechtmatigheid van het toegepaste geweld in deze procedure niet kan worden getoetst. Van het ernstig ondermijnen van de procespositie van [verzoekende partij] is daarom geen sprake. In de (enkele) feitelijke verhouding tussen partijen ziet de rechtbank in dit geval ook onvoldoende grond voor een omker