Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:3696
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.38990 [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1981, van Belarussische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. S.L. Sarin), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. Bij het besluit van 12 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Ook heeft verweerder geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM aan eiser verleend. 1.1. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van beide partijen en mevrouw A. Avakyan-Gouloyan als tolk in de Russische taal. Beoordeling van de rechtbank Achtergrond 2. Eiser heeft de Belarussische nationaliteit en is 44 jaar. Hij heeft op 11 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 2.1. Eiser heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij is gevlucht uit Belarus nadat hij in juni 2024 een oproep tot mobilisatie kreeg. Daarna is er tweemaal een rekruteringsofficier aan zijn deur verschenen. Hij heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep, vreest bij terugkeer gemobiliseerd te worden en vreest ingezet te worden in het conflict in Oekraïne of bij weigering van de dienstplicht gevangengenomen te worden. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. oproep tot mobilisatie. 3.1. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser is opgeroepen tot mobilisatie. Eiser heeft dit asielmotief niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. Verweerder ziet geen reden om dit asielmotief toch geloofwaardig te achten, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en d, van de Vw . Eiser heeft namelijk geen verschoonbare reden gegeven waarom hij het origineel van de mobilisatieoproep niet heeft overgelegd. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over wanneer de rekruteringsofficier langs is geweest. Ook acht verweerder de verklaringen van eiser over zijn uitreis uit Belarus niet aannemelijk. Tot slot is het volgens verweerder weinig plausibel dat eiser, gelet op zijn leeftijd, zal worden opgeroepen voor militaire dienst en dat hij vervolgens zal worden ingezet voor gevechtsacties in Oekraïne. Samenwerkingsverplichting Standpunt eiser 4. Eiser meent dat verweerder, naar aanleiding van de ingebrachte oproep tot mobilisatie, nader onderzoek had moeten doen naar de situatie in Belarus in het kader van de samenwerkingsverplichting. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op onvoldoende actuele landeninformatie, namelijk het algemene ambtsbericht over Belarus van 6 december 2021. Het ambtsbericht dateert namelijk van voor de Russische inval in Oekraïne en volgens eiser is de situatie in Belarus sindsdien sterk veranderd. Oordeel van de rechtbank 4.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn mogen lidstaten van de vreemdeling verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient, maar ook dat op de lidstaat de taak rust om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen (ook wel genoemd “de samenwerkingsverplichting”). De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval heeft voldaan aan de samenwerkingsverplichting. Het is in eerste instantie aan eiser om zijn vrees voor vervolging vanwege mobilisatie aannemelijk te maken. Eiser heeft enke Ook de beroepsgrond over de vrees van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest vanwege dienstweigering slaagt gelet op het voorgaande niet. 5.3. Gelet op het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft de asielaanvraag niet ten onrechte afgewezen als ongegrond. In zoverre is het beroep ongegrond. Reguliere verblijfsvergunning Standpunt eiser 6. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat hij is getrouwd met een vrouw die de Nederlandse nationaliteit bezit. In de beroepsprocedure heeft eiser daartoe een originele huwelijksakte overgelegd. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij en zijn vrouw op 27 juli 2024 zijn getrouwd in Belarus en ook al drie jaar samenwonen. Oordeel van de rechtbank 6.1. Op grond van artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a van het Vb beoordeelt verweerder bij de afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve of aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM een verblijfsvergunning regulier moet worden verleend. 6.2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gezinsleven met zijn echtgenote heeft als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De door eiser overgelegde huwelijksakte betreft namelijk een kopie die niet op echtheid kan worden gecontroleerd. 6.3. In beroep heeft eiser een huwelijksakte overgelegd en ook foto’s die de gezinsband volgens eiser moeten onderbouwen. Op de zitting heeft verweerder verklaard dat Bureau Documenten de overgelegde huwelijksakte positief op echtheid heeft beoordeeld. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat dit niet maakt dat het bestaan van familieleven tussen eiser en zijn echtgenote moet worden aangenomen, omdat eiser zijn huwelijksrelatie onvoldoende heeft onderbouwd, bijvoorbeeld met bonnetjes, rekeningen, verzekeringen, reisroutes of actuele foto’s met een omschrijving. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het bestaan van gezinsleven niet aannemelijk acht. In het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc , staat dat verweerder in ieder geval aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen echtgenoten in een reëel huwelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in dit geval ondanks de echt bevonden huwelijksakte en de door eiser overgelegde foto’s toch het bestaan van gezinsleven niet aannemelijk acht. Het standpunt dat er sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen eiser en zijn echtgenote en dat er door eiser slechts enkele foto’s zonder omschrijving zijn overgelegd, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Het bestreden besluit bevat dan ook een motiveringsgebrek. Conclusie 7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond voor zover dat ziet op het niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan eiser. Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep gegrond voor zover dat ziet op de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. In zoverre vernietigt de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet hierbij opnieuw beoordelen en motiveren of er sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenoot en indien het bestaan van familie- en gezinsleven wordt aangenomen, dient verweerder een gemotiveerde belangenafweging te maken. 7.1. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond voor zover dat ziet op het niet verlen