Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:3678
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,107 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:3678 text/xml public 2026-03-05T14:51:16 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-22 C/09/694252 / JE RK 25-1897 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3678 text/html public 2026-03-05T14:49:04 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3678 Rechtbank Den Haag , 22-01-2026 / C/09/694252 / JE RK 25-1897 ots + muhp + zelfstandigverzoek o.g.v. 1:262b BW en 1:259 BW RECHTBANK DEN HAAG Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/09/694252 / JE RK 25-1897 Datum uitspraak: 22 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. L.E. de Vries te Amsterdam. [de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, en [de pleegvader] , hierna te noemen: de pleegvader, hierna ook tezamen te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Bij beschikking van 8 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het verzoek van de gecertificeerde instelling voor een deel aangehouden. Op de zitting kon de vaste jeugdbeschermer niet aanwezig zijn vanwege de weersomstandigheden en de daarmee samenhangende verkeersveiligheid. De moeder en de advocaat van de moeder hebben ingestemd om de zitting te verplaatsen. Met het oog op de expiratiedatum en de eerst mogelijke zittingsdatum heeft de kinderrechter gedeeltelijk beslist op het verzoek. De behandeling van het verzoek voor het overige deel is aangehouden tot deze zitting. 1.2. De kinderrechter neemt nu ook de beschikking van 8 januari 2026 mee in de beoordeling. 1.3. Op 22 januari 2026 heeft op een zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel onderhavig verzoek als het verzoek van de gecertificeerde instelling tot vaststelling van een omgangsregeling, geregistreerd met het kenmerk C/09/694260 / JE RK 25-1899. Hierop zal in een afzonderlijke beschikking worden beslist. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling; - de pleegouders. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting pleitnotities overlegd. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 8 januari 2026. 3 De verzoeken Verzoeken van de gecertificeerde instelling 3.1. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 13 december 2026. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot 13 december 2026. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek over de ondertoezichtstelling als volgt gemotiveerd. Ondanks dat het goed gaat met [minderjarige] in de situatie bij de pleegouders zijn er nog steeds ernstige zorgen. Begin oktober 2025 heeft [minderjarige] bij de jeugdbeschermer aangegeven dat er zich situaties hebben voorgedaan waardoor [minderjarige] wilde stoppen met het contact met zijn moeder. Na de zomervakantie hebben er geen tot weinig positieve contactmomenten plaatsgevonden tussen [minderjarige] en zijn moeder. [minderjarige] wil al geruime tijd meer contact met zijn oma vaderszijde (hierna: oma). En ondanks dat de oma een belangrijk hechtingsfiguur in het leven van [minderjarige] is, kan [minderjarige] tot nu toe geen onbelast contact met zijn oma hebben. [minderjarige] moet altijd eerst toestemming vragen aan zijn moeder. [minderjarige] volgt therapie en hij heeft aangegeven dat hij de gesprekken als prettig ervaart. De behandelaar van [minderjarige] ziet dat er meer ruimte ontstaat voor andere emoties dan alleen boosheid. Daarentegen valt het de behandelaar ook op dat het uitblijven van voldoende contact met [minderjarige] zijn oma een steeds groter frustratiepunt voor hem wordt. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij blijft werken aan zijn rouwverwerking en het uiten van zijn gevoelens. De verlenging van de ondertoezichtstelling is nog steeds noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] in de gaten te houden, met name in het contact met alle volwassenen om hem heen. Er moet met alle betrokkenen gekeken blijven worden naar hoe naar een situatie kan worden toegewerkt waarbij het gedwongen kader niet meer nodig is. 3.3. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing als volgt gemotiveerd. Er is een opvoedvisie vastgesteld waarin het huidige perspectief van [minderjarige] ligt in het opgroeien op een neutrale plek. [minderjarige] staat al langer dan anderhalf jaar op de wachtlijst voor een gezinshuis waardoor een plek in een gezinshuis niet haalbaar lijkt. [minderjarige] verblijft bij pleegouders waar hij zich fijn voelt, goed ontwikkelt en veilig voelt. De huidige pleegouders hebben aangegeven het pleegzorgcontract voor een jaar te willen verlengen maar met de kanttekening dat er gezocht blijft worden naar een andere passende plek. Omdat de pleegouders het niet in het belang van [minderjarige] vinden dat hij naar een crisisplek moet, willen de pleegouders graag betrokken blijven totdat er een passende vervolgplek is gevonden. De pleegouders vinden het van belang dat de oma vaderszijde meegenomen wordt als optie om [minderjarige] te laten opgroeien. [minderjarige] heeft aangegeven dat zodra hij achttien wordt, hij bij zijn oma gaat wonen. Zelfstandige verzoeken van de moeder 3.4. De moeder heeft, bij monde van haar advocaat, een zelfstandig verzoek ingediend. Op verzoek van de moeder hebben de pleegouders de zittingszaal tijdelijk verlaten zodat de moeder vrijuit kon spreken. De pleegouders stemden hiermee in. De moeder heeft verzocht, op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), om bij een toewijzing van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing expliciet te benoemen dat [minderjarige] niet bij zijn oma wordt geplaatst maar dat hij bij de pleegouders blijft, dan wel dat hij naar een neutrale plek gaat. 3.5. Tevens heeft de moeder verzocht om de huidige gecertificeerde instelling te vervangen voor Stichting Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: Leger des Heils) op grond van artikel 1:259 BW. De moeder acht vervanging noodzakelijk omdat het vertrouwen tussen haar en de huidige gecertificeerde instelling onherstelbaar is geschaad en samenwerking niet langer mogelijk is. 3.6. De moeder motiveert het verzoek op grond van artikel 1:262b BW als volgt. De moeder meent dat een overplaatsing naar de oma in de procedure van [minderjarige] ook kan worden verboden op basis van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 april 2024 (ECLl:NL:RBMNE:2024:3177). Mocht de gecertificeerde instelling [minderjarige] toch willen overplaatsen naar de oma, dan dient de gecertificeerde instelling de overplaatsing te laten toetsen door de kinderrechter en kan de overplaatsing niet plaatsvinden op basis van de te verlenen machtiging tot uithuisplaatsing binnen een voorziening van pleegzorg. 3.7. De moeder motiveert het verzoek op grond van artikel 1:259 BW als volgt. Sinds de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling is de situatie omtrent [minderjarige] niet verbeterd.
Volledig
Vanaf het begin is er geadviseerd om een stevige jeugdbeschermer naast de moeder te zetten zodat [minderjarige] het gezag van zijn moeder zou gaan accepteren. Uit de stukken van de Raad voor de Kinderbescherming, het CJG, de politie en de hulpverlening blijkt dat de moeder in staat is om op gepaste wijze aan te sluiten bij [minderjarige] en hem te begrenzen. Echter heeft [minderjarige] moeite om het gezag van zijn moeder te accepteren. De gecertificeerde instelling heeft zich handelingsverlegen getoond en enkel beslissingen genomen gebaseerd op de wensen van [minderjarige] , zonder eigen visie of deskundige afweging en zonder enige communicatie met de moeder. De gecertificeerde instelling heeft [minderjarige] meermaals laten bepalen waar hij mocht wonen door hem niet te motiveren naar huis terug te keren. Vervolgens heeft de gecertificeerde instelling voor een netwerkplaatsing gekozen, ondanks de toezegging dit niet nogmaals te doen. De gecertificeerde instelling heeft daarbij steeds aangegeven [minderjarige] neutraal te zullen plaatsen. Vervolgens, buiten alle adviezen om, wordt dan het verzoek enkele dagen voor de zitting gewijzigd naar een netwerkplaatsing. Het voorgaande maakt de samenwerking voor de moeder zeer onprettig omdat zij niet op het woord van de gecertificeerde instelling kan vertrouwen. Ook heeft de handelswijze van de gecertificeerde instelling ertoe geleid dat er bij [minderjarige] het idee bestaat dat hij steeds zijn doel kan bereiken door weg te lopen omdat de gecertificeerde instelling steeds het verzoek aanpast op verzoek van [minderjarige] onder de dreiging dat hij anders weg zal lopen. De gecertificeerde instelling heeft ook nagelaten om [minderjarige] te motiveren voor noodzakelijke hulpverlening en te onderzoeken wat hij nodig heeft om de systeemtherapie of begeleide omgang te hervatten. De handelswijze van de gecertificeerde instelling blijkt ook uit het indienen van een verzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming tot onderzoek naar een gezag beëindigende maatregel, enkel omdat [minderjarige] dat wenst. De gecertificeerde instelling heeft dit niet vooraf met de moeder besproken en heeft ook geen gesprek gevoerd met [minderjarige] over waar zijn gevoel vandaan komt dat moeder ‘misbruik maakt van haar macht’. De moeder heeft immers nooit haar toestemming geweigerd of bepaalde zaken tegengewerkt, wat ook bekend is bij de gecertificeerde instelling. De moeder verwijst naar de uitspraak van rechtbank Limburg van 4 september 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:5302) en de rechtbank Rotterdam van 23 december 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:12488) waaruit blijkt dat een bereidverklaring van een beoogde gecertificeerde instelling niet noodzakelijk is alvorens deze als vervanger aangewezen kan worden. Gelet op voorgaande zaken is het vertrouwen van de moeder in de gecertificeerde instelling verdwenen. Ondanks dat de moeder zich coöperatief heeft opgesteld en alle adviezen heeft opgevolgd ervaart de moeder dat de gecertificeerde instelling enkel handelt naar de wens van [minderjarige] , maar niet vanuit zijn belang. 4 De standpunten Standpunt van de moeder over de verzoeken van de gecertificeerde instelling 4.1. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij het eens is met de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. St anpunt van de pleegouders over de verzoeken van de gecertificeerde instelling 4.2. Door de pleegouders is naar voren gebracht dat het over het algemeen goed gaat met [minderjarige] bij hen thuis. Ondanks dat de pleegouders zich hebben ingezet voor relatieherstel tussen [minderjarige] en zijn moeder zien zij dat tot nu toe niet het beoogde resultaat is behaald. In het begin zagen de pleegouders vooral een boze [minderjarige] . Door samen te werken met [minderjarige] , de jeugdbeschermer en het volgen van therapie is er nu een veilige situatie gecreëerd waarin [minderjarige] zichzelf kan zijn. Afgelopen schooljaar heeft [minderjarige] een spannend jaar gehad. Nu zijn [minderjarige] zijn schoolresultaten dusdanig goed dat hij over kan gaan naar het volgende leerjaar. De pleegouders zijn van mening dat het mogelijk is dat [minderjarige] bij zijn oma kan gaan wonen mits onder de juiste begeleiding van de jeugdbeschermer. Standpunt van de gecertificeerde instelling over de zelfstandige verzoeken van de moeder 4.3. Door de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat vervanging van de huidige gecertificeerde instelling naar het Leger des Heils niet in het belang van [minderjarige] is. Er is een vertrouwensband opgebouwd tussen [minderjarige] en de jeugdbeschermer. Ook heeft er eerder al een wisseling van de jeugdbeschermer plaatsgevonden. De huidige jeugdbeschermer ervaart dat de gesprekken met de moeder respectvol verlopen, ondanks de verschillen in visie. 5 De beoordeling Beoordeling verzoeken van de gecertificeerde instelling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds ernstig bedreigd gezien zijn problematiek en de nog bestaande zorgen. Enerzijds heeft [minderjarige] positieve stappen gezet waarbij [minderjarige] rustiger en minder boos is bij de pleegouders. Anderzijds zijn er nog steeds problemen aanwezig, zoals het loyaliteitsconflict waarin hij zit en de druk die hij ervaart vanuit zijn moeder. De kinderrechter is positief gesteld over de veiligheid en liefde die [minderjarige] ervaart bij de pleegouders. De kinderrechter merkt op dat [minderjarige] zich goed kan verwoorden en goed weet wat hij wil. In het komende jaar is het belangrijk dat er gezocht wordt naar een oplossing voor het contact tussen [minderjarige] en zijn oma. De kinderrechter is van oordeel dat het contact tussen [minderjarige] en zijn oma van groot belang is nu zij een belangrijk hechtingsfiguur in het leven van [minderjarige] is. Het is belangrijk dat [minderjarige] het komende jaar onbelast contact kan hebben met zijn oma. Daarnaast is het in het belang van [minderjarige] dat de jeugdbeschermer blijft zoeken naar een perspectief biedende woonplek voor [minderjarige] . Het is belangrijk dat de jeugdbeschermer de situatie bij de oma gaat onderzoeken om te kunnen beoordelen of [minderjarige] uiteindelijk bij zijn oma kan gaan wonen. Het is namelijk [minderjarige] zijn grootste wens om weer bij zijn oma te gaan wonen. De hulpverlening heeft tot nu toe onvoldoende kunnen leiden tot een duurzame verbetering in de situatie. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. 5.3. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 december 2026. De kinderrechter acht de duur tot 13 december 2026 passend gelet op de zorgen en wat er allemaal nog moet gebeuren. 5.4. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De moeder kan [minderjarige] niet de opvoedomgeving bieden die hij nodig heeft. Hij woont al langere tijd bij zijn pleegouders bij wie hij zich thuis en veilig voelt en die hem de liefde en aandacht geven die hij nodig heeft. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg op dit moment noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] is. 5.5. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 5.6. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Beoordeling zelfstandige verzoeken van de moeder 5.7. De kinderrechter verklaart het verzoek van de moeder, op grond van artikel 1:262b BW, waarbij een verbod wordt gevraagd om [minderjarige] bij zijn oma te plaatsen, niet-ontvankelijk. De kinderrechter benadrukt dat met de huidige machtiging tot uithuisplaatsing in de categorie voorziening pleegzorg [minderjarige] niet zomaar naar een andere plek kan worden overgeplaatst. 5.8.
Volledig
De kinderrechter wijst het zelfstandige verzoek van de moeder, op grond van artikel 1:259 BW, om vervanging van de gecertificeerde instelling af. De kinderrechter heeft geluisterd naar de moeder die naar voren heeft gebracht dat haar vertrouwen in de gecertificeerde instelling is geschaad. De kinderrechter heeft ook geluisterd naar [minderjarige] , die verteld heeft dat hij voor het eerst het gevoel heeft dat hij serieus wordt genomen en dat er naar zijn wensen wordt geluisterd. Hierdoor is een vertrouwensband ontstaan tussen [minderjarige] en de jeugdbeschermer. Gelet op het voorgaande vindt de kinderrechter het niet in het belang van [minderjarige] om de gecertificeerde instelling te vervangen. De kinderrechter vindt het spijtig dat de moeder haar vertrouwen heeft verloren in de jeugdbeschermer maar merkt daarbij op dat zij ook geen vertrouwen had in de voorgangers van de jeugdbeschermer. Een vervangende gecertificeerde instelling zou bovendien opnieuw veranderingen met zich meebrengen die niet in het belang van [minderjarige] zijn. 5.7. De kinderrechter heeft een brief geschreven aan [minderjarige] waarin zij de beslissing toelicht. Deze brief wordt gelijktijdig met de beschikking verzonden. De inhoud ervan luidt als volgt. Beste [minderjarige] , Op 21 januari 2026 hebben wij elkaar op de rechtbank gesproken. Jij vertelde toen dat jij het naar je zin hebt bij jouw oom en tante maar dat jij het liefst weer bij jouw oma wil wonen. Ook heb jij verteld dat je graag zelf wil weten wanneer jij contact hebt met jouw oma en de familie van jouw vader. Op 22 januari 2026 heb ik ook gesproken met jouw moeder, haar advocaat, jouw oom en tante en met de jeugdbeschermer. Omdat ik vind dat het heel goed gaat met jou bij jouw oom en tante en omdat zij heel goed voor jou zorgen en jou een veilige en warme plek bieden, heb ik besloten dat jij daar in ieder geval nog een jaar blijft wonen. Ook heb ik de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, zodat de jeugdbeschermer nog langer betrokken blijft en (onder andere) kan onderzoeken of het in jouw belang is dat jij in de toekomst bij jouw oma gaat wonen, wat jouw grote wens is. Ook heb ik besloten dat jij en je oma minimaal één keer per week contact hebben met elkaar. En ook dat jij naar jouw eigen behoefte en in overleg met jouw oom en tante en de jeugdbeschermer, contact kunt hebben met de rest van de familie van jouw vaders kant. Ik heb dit besloten omdat ik het belangrijk vind dat jij onbelast contact kunt hebben met de familie van jouw vaders kant en jij niet altijd toestemming hoeft te vragen aan jouw moeder, zodat je je hopelijk vrijer gaat voelen en dit allemaal niet meer in de weg staat in het contact tussen jou en je moeder, zodat jullie in de toekomst hopelijk ook weer kunnen gaan bouwen aan jullie band. Ik hoop dat ik mijn beslissing op deze manier goed aan je heb uitgelegd. Ik wens jou het allerbeste. Met vriendelijke groet, De kinderrechter 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 december 2026; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 december 2026; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. wijst af het zelfstandig verzoek van de moeder tot vervanging van de gecertificeerde instelling; 6.5. verklaart de moeder niet-ontvankelijk voor het overige deel van haar zelfstandige verzoek Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. van der Laken als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW. Artikel 2 Besluit gezagsregisters.