Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:3621
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,115 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:3621 text/xml public 2026-03-06T03:02:15 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-03 C/09/697658 / JE RK 26-61 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3621 text/html public 2026-03-05T11:43:22 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3621 Rechtbank Den Haag , 03-02-2026 / C/09/697658 / JE RK 26-61 Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/697658 / JE RK 26-61 Datum uitspraak: 3 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland , gevestigd te Gouda , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat mr. D.J. Prins uit Leiden. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, en [de vader] , hierna te noemen: de vader gezamenlijk wonende in [woonplaats] , advocaat mr. B.J. de Bruijn uit Den Haag. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2026; - de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 29 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - [minderjarige] met haar advocaat; - de moeder met haar advocaat en bijgestaan door J. Laakia, tolk Berbers en Arabisch; [naam 1] , namens de gecertificeerde instelling, [naam 2] , de begeleider van [minderjarige] bij [zorginstelling] , als toehoorder. De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van haar begeleider en advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn met elkaar gehuwd. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] . 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 november 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 5 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De gecertificeerde instelling verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt tevens een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij [zorginstelling] voor de duur van drie maanden. 3.2. De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 13 januari 2026 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen. Ook is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname. 3.3. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. Er is al langere tijd sprake van ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . In het verleden heeft [minderjarige] zichzelf herhaaldelijk in onveilige situaties bevonden. De ouders waren niet in staat om hier voldoende toezicht op te houden of haar hierin te begrenzen. Binnen eerdere gesloten plaatsingen liet [minderjarige] groei zien door de duidelijke kaders en structuur die de geslotenheid bood. Tegelijkertijd is gebleken dat bij de afbouw van deze kaders het risico op wegloopgedrag en onveiligheid direct toeneemt. In een open en minder gesloten setting is het niet gelukt om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen, doordat zij zich niet aan afspraken hield en herhaaldelijk wegliep. Hierdoor is gebleken dat een volledig open setting op dit moment nog onvoldoende bescherming biedt. De huidige gesloten plaatsing verliest echter steeds meer haar begrenzende werking. Hoewel [minderjarige] op bepaalde vlakken een positieve ontwikkeling laat zien, loopt zij binnen de geslotenheid nog regelmatig weg. Hoewel zij telkens terugkeert, blijft het risico op onveilige situaties buiten aanwezig. Een voortzetting van een volledig gesloten verblijf zonder perspectief werkt demotiverend en draagt onvoldoende bij aan haar verdere ontwikkeling. Een volledige thuisplaatsing is op dit moment ook nog niet in het belang van [minderjarige] . De moeder wil dat [minderjarige] thuis opgroeit en erkent dat er hulp nodig is. In de praktijk blijkt echter dat de moeder onvoldoende in staat is om duidelijke grenzen en regels te stellen en deze vast te houden. Ook heeft zij weinig zicht op de contacten van [minderjarige] . [minderjarige] ’ vader is door zijn gezondheid onvoldoende in staat om actief in de zorg voor [minderjarige] te delen. [minderjarige] verblijft op dit moment wel in de weekenden bij de ouders. [minderjarige] ervaart dit als prettig en motiverend. De gewijzigde aanpak, waarbij [minderjarige] vertrouwen krijgt en vervolgens laat zien dat zij met vrijheden om kan gaan, lijkt vooralsnog een positief effect te hebben. De vraag blijft echter of de moeder de draagkracht heeft om de gehele zorg voor [minderjarige] op zicht te nemen. [minderjarige] is ook wisselend in haar wens over waar zij wil wonen. De inzet van gecertificeerde instelling is altijd gericht geweest op een zo’n volledig mogelijke thuisplaatsing, maar een plaatsing in een open setting van Jeugdformaat wordt ook als passend gezien. [minderjarige] heeft ook aangegeven bij een open groep van Jeugdformaat te willen wonen, waar nu ook een aanmelding voor is gedaan. Wanneer deze plaatsing niet mogelijk is, zal worden ingezet op een thuisplaatsing met zo intensief mogelijke hulpverlening. Gelet op hetgeen nog moet worden uitgezocht, acht de gecertificeerde instelling een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, waarbij [minderjarige] in een open setting bij [zorginstelling] verblijft (hybride machtiging), noodzakelijk. Deze vorm maakt het mogelijk om de veiligheid van [minderjarige] te blijven borgen, terwijl zij tegelijkertijd ruimte krijgt om stappen te zetten richting meer zelfstandigheid en een eventuele thuisplaatsing. De geslotenheid blijft hierbij als juridische en feitelijke waarborg beschikbaar, mocht haar veiligheid opnieuw in het geding komen. De duur van drie maanden wordt passend geacht, omdat dit voor [minderjarige] overzichtelijk is en ruimte biedt om het persoonlijkheidsonderzoek af te ronden, haar perspectief verder te onderzoeken en om de effecten van meer thuis zijn, zorgvuldig te monitoren. Hiernaast kan de inschrijving op school voor [minderjarige] geregeld worden. De betrokken jeugdbeschermer verwacht echter ook dat twee maanden eventueel genoeg zijn om het voornoemde te regelen. 4 De standpunten 4.1. Er is door en namens [minderjarige] verweer gevoerd tegen het verzoek. [minderjarige] is in de afgelopen weken niet meer weggelopen en het gaat goed op school. Ze heeft alle mensen die een slechte invloed hadden op haar geblokkeerd en ze gaat niet meer met hen om. [minderjarige] heeft het fijn thuis en wil daar graag weer wonen. De moeder kan haar locatie volgen op haar telefoon zodat ze kan zien waar [minderjarige] is als ze niet thuis is. Een plaatsing bij [zorginstelling] met een voorwaardelijke machtiging voor de duur van drie maanden is te lang. Een plaatsing bij [zorginstelling] met een voorwaardelijke machtiging voor de duur van één tot twee maanden zou passender zijn. [minderjarige] heeft verder ter zitting aangegeven niet naar een open groep van Jeugdformaat te willen. 4.2.
Volledig
Er is door en namens de moeder naar voren gebracht dat het beter gaat met [minderjarige] en dat zij zich niet meer gedraagt zoals zij deed. De moeder zou aan de bel trekken als er iets zou gebeuren dat [minderjarige] in gevaar zou brengen. De moeder zou [minderjarige] graag weer thuis hebben, maar heeft ook vertrouwen in de jeugdbeschermer en heeft er begrip voor als nog even de tijd genomen wordt om naar een thuisplaatsing toe te werken. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Buiten de gesloten accommodatie kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. 5.2. De kinderrechter is blij te horen dat [minderjarige] in de afgelopen periode een aantal positieve stappen heeft gezet. [minderjarige] is al tijdje niet weggelopen, gaat elke dag naar school en gaat niet meer om met mensen die een slechte invloed op haar hebben. Zij houdt zich aan de afspraken en heeft steeds meer vrijheden gekregen. Ook heeft de moeder aangegeven dat het beter gaat in de weekenden dat [minderjarige] thuis is en dat zij ziet dat [minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hoewel [minderjarige] een prille stijgende lijn laat zien, blijven de zorgen over haar kwetsbaarheid en opvoedsituatie nog wel bestaan. Gebleken is dat aan de hand van de resultaten van haar persoonlijkheids- en IQ-onderzoek nog vast dient te worden gesteld welke plek het meest passend is voor [minderjarige] om op te groeien. Daarnaast is met betrekking tot de opvoedvaardigheden van de moeder nader onderzoek en monitoring nog noodzakelijk. Gebleken is echter ook dat de gesloten plaatsing niet langer passend is voor [minderjarige] , nu zij niet meer lijkt te profiteren van de geboden kaders. De kinderrechter overweegt dat ter zitting is besproken dat [minderjarige] toestemming heeft gekregen om samen met haar ouders twee weken naar [land] te gaan, en dat de betrokken jeugdbeschermer hierna nog anderhalve maand nodig zal hebben om duidelijkheid te krijgen over het voornoemde en om de schoolgang voor [minderjarige] te regelen. [minderjarige] heeft kenbaar gemaakt de jeugdhulp te aanvaarden, zoals opgenomen in het overgelegde hulpverleningsplan. Tevens heeft [minderjarige] zich bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, en de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een open setting in [zorginstelling] , verlenen voor de duur van twee maanden. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 3 februari 2026 tot 3 april 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld; 6.2. verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij [zorginstelling] van 3 februari 2026 tot 3 april 2026; 6.3. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 6.1.4, tweede lid, Jeugdwet (Jw).