Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:3593
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,414 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:3593 text/xml public 2026-03-06T10:05:07 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-20 SGR 23/2625 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3593 text/html public 2026-03-05T11:01:06 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3593 Rechtbank Den Haag , 20-02-2026 / SGR 23/2625 Omgevingsvergunning voor het vergroten van de woning door het maken van een dakopbouw; volledige heroverweging; 6:22 Awb; anti-dubbeltelbepaling; bouwverordening; redelijke eisen van welstand; beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/2625 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. P. Yildirim). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van de woning aan de [adres 1] door het maken van een dakopbouw. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk. Het beroep is daarom ongegrond. Het college moet wel het griffierecht en de proceskosten aan eisers vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 28 februari 2022 is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van de woning aan de [adres 1] door het maken van een dakopbouw. 2.1. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 17 augustus 2022 verleend. Met het besluit van 28 februari 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers en het college hebben nadere stukken ingediend. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. 2.5. Met de heropeningsbeslissing van 5 september 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, om het college in de gelegenheid te stellen te reageren op de ter zitting door [naam] aangevoerde argumenten. 2.6. Het college heeft hierop een schriftelijke reactie gegeven. Eisers hebben daar schriftelijk op gereageerd. 2.7. Nadat desgevraagd geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting wenselijk te achten, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 3.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 februari 2022. Dat betekent dat in deze zaak de Wabo van toepassing blijft. Is sprake van een volledige heroverweging? 4. Eisers betogen dat het college in het bestreden besluit niet of onvoldoende is ingegaan op hun bezwaar met betrekking tot de anti-dubbeltelbepaling in de bouwverordening en dat het bestreden besluit daarom in strijd is met artikel 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat met het bestreden besluit een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Het college verwijst hierbij naar de volgende zin uit het advies van de bezwarencommissie: “De commissie overweegt ook dat het bestreden besluit niet in strijd is met de toepasselijke regels of met enig beginsel van behoorlijk bestuur” 4.2. De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het bezwaar van eisers met betrekking tot de anti-dubbeltelbepaling in artikel 2.5.2 van de bouwverordening niet slaagt. Het enkel aangeven dat het bestreden besluit niet in strijd is met de toepasselijke regels of met enig beginsel van behoorlijk bestuur is niet afdoende. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. 4.3. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eisers en andere belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Eisers hebben in beroep tegen het bestreden besluit immers alsnog de gelegenheid gehad om dit betoog naar voren te brengen en uit de hierna volgende beoordeling blijkt dat het betoog niet slaagt. Staat de reeds verleende omgevingsvergunning voor zonnepanelen in de weg aan vergunningverlening? 5. Eisers betogen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 22 van de regels van het bestemmingsplan en artikel 2.5.2 van de bouwverordening. Aan eisers is immers reeds een omgevingsvergunning verleend voor zonnepanelen op het dak, zodat er geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een dakopbouw. 5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met de genoemde bepalingen en dat daarom sprake is van een gebonden beschikking, waarbij eventuele privaatrechtelijke belemmeringen geen rol spelen. 5.2. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (bestemmingsplan). Op grond van artikel 22 van de planregels blijft grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 5.3. Op grond van artikel 2.5.2 van de bouwverordening mag terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de anti-dubbeltelbepalingen van het bestemmingsplan en de bouwverordening niet aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staan. Geen rechtsregel verzet zich er tegen dat twee omgevingsvergunningen worden aangevraagd en verleend voor één perceel, ook niet wanneer uiteindelijk maar één van die omgevingsvergunningen zal worden gebruikt. De anti-dubbeltelbepalingen voorkomen dat grond voor de bouwmogelijkheden, bijvoorbeeld bij de toepassing van een maximaal bebouwingspercentage, meermalen in aanmerking mag worden genomen. Dit betekent dat bij feitelijke functie- of gebruiksveranderingen, zoals een kadastrale splitsing, geen extra bouwmogelijkheden ontstaan. Die situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor. 5.5. Het betoog slaagt niet. Is het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand? 6. Eisers betogen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Eisers hebben ter ondersteuning van dit betoog een contra-expertise van [naam] van [bedrijfsnaam] overgelegd. Volgens de contra-expertise heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met de ensemblewaarde van de panden [adres 3] [adres 4] [adres 5] en is het ten onrechte uitgegaan van een individuele benadering van de woning aan de [adres 1] . Ter zitting heeft [naam] dit betoog nader onderbouwd. Volgens [naam] vertoont de dakopbouw onvoldoende samenhang met de structuur van de onderliggende gevel.
Volledig
Zij stelt dat de onderliggende gevel symmetrie vertoont doordat de gevelopeningen gecentreerd zijn op twee verticale lijnen. De gevelopeningen van de vergunde dakopbouw wijken af van die lijnen en vertonen daarom onvoldoende samenhang met de structuur van de onderliggende gevel. Verder stelt [naam] dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom de dakopbouw van [adres 2] (aan de overzijde van de straat) bepalend is voor de vergunde dakopbouw, nu de welstandscriteria en de waarden van het beschermd stadsgezicht zoals aangeduid in het aanwijzingsbesluit daar geen aanleiding toe geven. Daarin komt geen bijzondere waarde toe aan de entree van de straat. Bovendien is de dakopbouw van [adres 2] eigenlijk geen dakopbouw maar de oorspronkelijke kapverdieping. Deze kapverdieping heeft, anders dan de vergunde dakopbouw, geen setback en is naar het zich laat aanzien lager dan de vergunde dakopbouw. [naam] verwacht daarom dat geen sprake zal zijn van een symmetrische entree van de straat. Volgens [naam] is het voor de beoordeling op dit punt bovendien noodzakelijk om te beschikken over tekeningen waarop zowel de dakopbouw op [adres 3] als de bestaande kapverdieping op [adres 2] te zien zijn, terwijl die ontbreken. Tot slot voeren eisers aan dat de dakkapel aan de zijkant van de dakopbouw een mogelijke (toekomstige) dakopbouw op nummer 4 belemmert. Ook hier wijst [naam] erop dat tekeningen waarmee een eventuele toekomstige doorstempeling beoordeeld kan worden, ontbreken. 6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand. De welstands- en monumentencommissie heeft positief over het bouwplan geadviseerd. Na verschillende aanpassingen naar aanleiding van eerdere adviezen stemt de commissie in met het bouwplan, omdat de dakopbouw aansluit op de historische bebouwing in het straatbeeld en passend is binnen het rijksbeschermd stadsgezicht. 6.2. In de brief van 26 augustus 2025 en de e-mail van 15 oktober 2025 heeft het college de reacties van een beleidsmedewerker van de Afdeling Monumentenzorg en Welstand op het betoog van eisers weergegeven. Het college stelt, onder verwijzing naar die reacties, dat op grond van de Welstandsnota Den Haag 2017 wordt gekeken naar de samenhang binnen het straatbeeld, het architectonisch ensemble en het pand zelf. Dat wil zeggen of het ontwerp passend is bij de bestaande architectuur en de context. Volgens het college heeft het pand aan de [adres 3] een asymmetrische opbouw, met een smalle beuk ter plaatse van de toegang en een brede beuk met een erker over twee verdiepingen. De gevel heeft op de verschillende verdiepingen een andere invulling qua gevelopeningen, maar vormt toch binnen de architectuur en de architectonische taal van het pand een geheel. Dit past bij de architectuur uit deze periode, die zich niet kenmerkt door een strenge symmetrie. Volgens het college bestaat de straat uit verschillende eenheden die samen een geheel vormen. De eenheden in de straat kunnen van elkaar verschillen en toch tot dezelfde architectonische familie behoren. Voor de beoordeling of het bouwplan past bij de cultuurhistorische waarden heeft het college de typeringen en waardering zoals in het aanwijzingsbesluit voor het beschermd stadsgezicht opgenomen meegewogen. Het college acht het bouwplan passend, omdat het aansluit op de historische bebouwing in de straat en voortbouwt op de aanwezige verfijnde luchtlijn. Het past binnen het karakter van de straat met individuele panden met een gedifferentieerde plasticiteit die met elkaar een ensemble vormen. Ook sluit het ontwerp en met name ook de architectonische detaillering aan bij de bestaande architectuur in de wijk van neorenaissance en overgangsarchitectuur. Tot slot wijst het college erop dat de dakopbouw is voorgegeven met een setback, zodat de naastliggende panden van dit ensemble (nummers 4 en 6) straks een samenhangende opbouw kunnen realiseren, waarbij rekening is gehouden met het schuine gevelvlak in de voorgevel bij deze panden. 6.3. De Welstandsnota Den Haag 2017 vermeldt over dakopbouwen het volgende: Dakopbouw - Een dakopbouw volgt in hoofdvorm, positionering en architectuur (bestaande) dakopbouwen op hetzelfde bouwblok. Door een dakopbouw conform (bestaande) dakopbouwen op hetzelfde bouwblok te ontwerpen, d.w.z. met een gelijke hoofdvorm, positionering en architectuur, ontstaat een doorgaande extra bouwlaag die de eenheid van de architectuur van het bouwblok benadrukt. - Een dakopbouw vertoont samenhang met de architectuur van de onderliggende gevel. Een dakopbouw kan zich op drie manieren verhouden tot de onderliggende gevels. Deze drie manieren onderscheiden zich in de positie en de vormgeving van de gevels van de dakopbouw ten opzichte van elk van de onderliggende gevels: 1. Een gevel in de vorm van een dakschild; 2. Een gevel die terug ligt ten opzichte van de onderliggende gevel; 3. Een gevel die wordt opgetrokken vanuit de onderliggende gevel. De hoofdvorm van een dakopbouw wordt bepaald door de keuze voor één of een combinatie van deze manieren. Het uiterlijk van de dakopbouw (de vormgeving, de materialen, de detaillering en de kleurstelling) moet passen in de architectuur van de onderliggende gevels. In het geval van een dakschild spelen de dakhelling en de dakbedekking hierbij een belangrijke rol; bij een terugliggende gevel de schaal, de indeling en de gekozen materialen. In het geval van een doorgetrokken gevel moeten de bestaande gevel en de gevel van de dakopbouw een nieuwe eenheid vormen. - Een dakopbouw is alzijdig ontworpen, d.w.z. alle zichtbare gevels (inclusief wachtgevels) zijn ontworpen. 6.4. In de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het rijksbeschermd stadsgezicht ‘ [bestemmingsplan] ’ zijn onder meer “het goed bewaard gebleven laat-19de-eeuwse architectuurbeeld en de ensemblewaarde van hele straatwanden, waarin de neorenaissance stijl domineert” en “het groot aantal individuele panden met architectuurhistorische waarde” als nadere typering van de te beschermen waarden beschreven. De bebouwing in de [straatnaam] is op de waarderingskaart aangeduid als belangrijke bebouwing door de hoge ensemblewaarde. 6.5. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. 6.6. De rechtbank is van oordeel dat de argumenten die in de contra-expertise zijn ingebracht onvoldoende zijn om te oordelen dat het college niet op de adviezen van de welstandscommissie mocht afgaan. In de contra-expertise wordt het bouwplan weliswaar anders gewaardeerd dan in de welstandsadviezen, maar dit verschil in waardering betekent nog niet dat de welstandsadviezen niet deugdelijk zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat welstandscriteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van de welstandelijkheid van een bouwplan. Nu niet is gebleken dat het welstandsadvies onjuistheden bevat, bestaat geen grond voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. 6.7. Voor zover eisers betogen dat de dakopbouw onvoldoende samenhang vertoont met de structuur van de onderliggende gevel, overweegt de rechtbank dat het college heeft toegelicht dat het pand een asymmetrische opbouw kent.
Volledig
Het college wijst er – in navolging van de welstands- en monumentencommissie – op dat het bouwplan passend is bij de bestaande architectuur van het pand. De rechtbank kan het standpunt van het college, dat het gelet daarop niet nodig is om de gevelopeningen van de dakopbouw exact uit te lijnen met de gevelopeningen van de onderliggende verdiepingen, daarom volgen. 6.8. Anders dan eisers betogen, is de rechtbank van oordeel dat het college – in navolging van de welstands- en monumentencommissie – de architectonische uitwerking en het verfijningsniveau van de dakopbouw heeft mogen laten afstemmen met die van de kapverdieping van [adres 2] . Daarbij betrekt de rechtbank dat de welstandstoets zich niet beperkt tot het pand zelf of tot het ensemble met de naastgelegen panden, maar tot de directe omgeving. Daartoe behoort ook het pand aan de [adres 2] . In het aanwijzingsbesluit van het beschermd stadsgezicht is ook dit pand aangewezen als ‘belangrijke bebouwing door hoge ensemblewaarde’. De positie van beide panden maakt dat zij samen de entree van de straat vormen. Het college heeft deze context naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid mogen laten meewegen bij de beoordeling of het bouwplan passend is in de omgeving. 6.9. De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat de welstands- en monumentencommissie deze context niet kon beoordelen zonder te beschikken over tekeningen waarop zowel de dakopbouw op [adres 3] als de bestaande kapverdieping op [adres 2] te zien zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat dergelijke tekeningen niet behoren tot de indieningsvereisten van artikel 2.5 van de Regeling omgevingsrecht voor de toetsing aan de welstandscriteria. De welstands- en monumentencommissie beschikt over andere mogelijkheden om het effect van het bouwplan op de omgeving te beoordelen, zoals de bouwtekeningen in combinatie met foto’s van de omgeving en een programma genaamd Streetsmart, waarmee obliek beelden van het pand en de omgeving kunnen worden bekeken. 6.10. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat de dakkapel aan de zijkant van de dakopbouw een mogelijke (toekomstige) dakopbouw op [adres 4] belemmert. Het college heeft toegelicht dat de dakopbouw is vormgegeven met een setback, zodat de naastliggende panden van dit ensemble (nummers 4 en 6) in de toekomst een samenhangende opbouw kunnen realiseren. De zijdakkapel bevindt zich geheel op eigen terrein. Een toekomstige opbouw van de buren kan daarom met een zijschild aansluiten zonder de dakkapel te verstoren. 6.11. Voor zover eisers stellen dat voor de beoordeling van de mogelijke verstempeling ten onrechte geen gebruik is gemaakt van tekeningen waarop ook (mogelijke) dakopbouwen op nummers 4 en 6 te zien zijn, overweegt de rechtbank ook hier dat dergelijke tekeningen niet behoren tot de indieningsvereisten van artikel 2.5 van de Regeling omgevingsrecht en dat de welstands- en monumentencommissie beschikt over andere mogelijkheden om dit te beoordelen. 6.12. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Het college mocht de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. Omdat het bestreden besluit wel een gebrek bevat, dat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeert, dient het college het griffierecht te vergoeden en veroordeelt de rechtbank het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De kosten voor het opstellen van de nadere reactie en de contra-expertise komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze stukken zijn opgesteld met betrekking tot de welstandsbeoordeling en niet met betrekking tot de anti-dubbeltelbepalingen, waarop het geconstateerde gebrek ziet. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026. De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3277, r.o. 4.2. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Vergelijk o.m. de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1142, r.o. 7.5.