Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:3590
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/6148 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen Regionaal Sorteercentrum West B.V., uit Den Haag, eiseres (gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk), en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, het college (gemachtigde: [naam 1]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de door het college opgelegde last onder dwangsom wegens het herhaaldelijk lozen van afvalwater dat niet voldoet aan de in een omgevingsvergunning voorgeschreven concentratie-eis voor sulfaat. Eiseres is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding en procesverloop 2. Eiseres drijft een inrichting aan de [adres] te [plaats] . Tot de inrichting behoort een IPPC-installatie. De inrichting is een type C-inrichting in de zin van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit). 2.1. Met het besluit van 28 juli 2000 heeft het college aan de rechtsvoorganger van eiseres een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend. Aan de revisievergunning zijn voorschriften verbonden. De revisievergunning is verleend voor: I. het opslaan en overslaan alsmede sorteren/scheiden van: - ongesorteerd bouw- en sloopafval - niet specifiek ziekenhuisafval - kantoor-, winkel- en dienstenafval - agrarisch afval - grof huishoudelijk afval - dakafval II. het breken van ongesorteerd bouw- en sloopafval (BSA) III. het uitsluitend op- en overslaan van: - veegvuil: - verontreinigde grond: - gecontamineerd bouw- en sloopafval. 2.2. Op 20 april 2022 heeft een toezichthouder een controle uitgevoerd bij de inrichting van eiseres. Uit het controlerapport van 16 juni 2022 blijkt dat de toezichthouder monsters van het geloosde afvalwater van de inrichting van eiseres heeft genomen en dat is geconstateerd dat deze monsters 400 mg/l sulfaat bevatten. In het rapport is vermeld dat op grond van voorschrift 12.3, onder a, van de revisievergunning, in samenhang bezien met de zorgplicht in artikel 2.1, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder n, van het Activiteitenbesluit, de concentratie aan sulfaat in het geloosde afvalwater maximaal 300 mg/l mag zijn. 2.3. Op 7 december 2022 heeft de toezichthouder opnieuw een controle uitgevoerd, waarvan op 15 december 2022 een controlerapport is opgemaakt. Daaruit blijkt dat de toezichthouder opnieuw monsters van het geloosde afvalwater bij de inrichting van eiseres heeft genomen en dat deze 1.300 mg/l sulfaat bevatten. 2.4. Het college heeft op 9 januari 2023 het voornemen tot het opleggen van lasten onder dwangsom om (onder meer) deze overtreding te beëindigen aan eiseres bekendgemaakt. Eiseres heeft een zienswijze ingediend. 2.5. Het college heeft in de ingediende zienswijze geen aanleiding gezien om van het voornemen af te zien. Met het besluit van 17 maart 2023 (het primaire besluit) heeft het college eiseres gelast om binnen acht weken te voldoen aan voorschrift 12.3 van de revisievergunning, in samenhang bezien met artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), door maatregelen te treffen en de lozing van sulfaat te beperken tot 300 mg/l in enig steekmonster. De dwangsom bedraagt € 5.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat niet aan de last is voldaan, met een submaximum van € 5.000,- per week. Het maximum van de te verbeuren dwangsommen bedraagt € 25.000,-. 2.6. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2023 op het bezwaar van eiseres is het college, onder aanvulling van de motivering, Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een overtreding dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van het college dat sprake is van een overtreding niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank acht daarbij van belang dat vergunningvoorschrift 12.3 met de inwerkingtreding van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2011 op grond van artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gedurende drie jaar als maatwerkvoorschrift is aangemerkt en nadien niet meer geldt, voor zover het Activiteitenbesluit op de inrichting van toepassing is. 5.6. Paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit is van toepassing op het op- en overslaan van inerte goederen. Paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit is bij een drietal categorieën inrichtingen ook van toepassing op het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen. De inrichting van eiseres is niet aan te merken als één van deze inrichtingen. 5.7. Artikel 3.33, vierde lid, van het Activiteitenbesluit geeft regels over het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen. Daarom gold vergunningvoorschrift 12.3 met ingang van 1 januari 2011 ten aanzien van de lozing van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen op grond van artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gedurende drie jaar als maatwerkvoorschrift en nadien niet meer. Vergunningvoorschrift 12.3 was daarom ten tijde van de controles door de toezichthouder in 2022 alleen nog van kracht voor afvalwater dat in contact is geweest met goederen, niet zijnde inerte goederen. Daarop is het Activiteitenbesluit immers niet van toepassing. En in artikel 3.33, vierde lid, van het Activiteitenbesluit is voor het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen geen maximale concentratie aan sulfaat bepaald. 5.8. De rechtbank ziet zich in het licht van het voorgaande voor de vraag gesteld of het college aannemelijk heeft gemaakt dat het geloosde afvalwater van de inrichting van eiseres in contact is geweest met goederen, niet zijnde inerte goederen. Uit de constateringsrapporten van 16 juni 2022 en 15 december 2022 blijkt niet dat is vastgesteld dat het afvalwater van de inrichting van eiseres in contact is geweest met goederen, niet zijnde inerte goederen. De toezichthouder van het college heeft enkel monsters genomen bij het lozingspunt. Het standpunt van het college dat eiseres in strijd heeft gehandeld met vergunningvoorschrift 12.3 is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. 5.9. Voor zover het college stelt dat er op het buitenterrein van de inrichting van eiseres wel goederen, niet zijnde inerte goederen, worden opgeslagen, waarmee het afvalwater in contact moet zijn geweest, overweegt de rechtbank dat het college dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De veronderstelling van het college dat op het buitenterrein van de inrichting van eiseres bouw- en sloopafval wordt opgeslagen is onjuist ge