Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:3589
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 24/6852 en 24/6853 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [eisers I] , uit [woonplaats] , eisers I (SGR 24/6852), [eiseres II] , uit [woonplaats] , eiseres II (SGR 24/6853) tezamen: eisers en het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht , het college (gemachtigde: mr. P.J. van Bruggen). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [vestigingsplaats] , vergunninghoudster (gemachtigden: mr. L. de Jeu en mr. R.D. van Oevelen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen een omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw met zorgappartementen op het perceel [adres] . Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen daarom geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 17 maart 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een gebouw met zorgappartementen aan de [adres] . 2.1. Met het besluit van 21 juni 2023 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. 2.2. Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op de bezwaren van eisers heeft het college het primaire besluit herroepen en opnieuw op de aanvraag beslist. De omgevingsvergunning is hierbij andermaal verleend. 2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij de rechtbank Rotterdam. 2.4. De rechtbank Rotterdam heeft de zaken met toepassing van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Den Haag. 2.5. Met het besluit van 4 december 2025 heeft het college een herstelbesluit genomen waarmee de motivering van het bestreden besluit is aangevuld ten aanzien van het aspect archeologie. 2.6. De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers I zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Eiseres II is verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . De gemachtigden van vergunninghoudster zijn verschenen, vergezeld door [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] . Beoordeling door de rechtbank 3. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Overgangsrecht Omgevingswet 4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 4.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft. Feiten en omstandigheden 5. Het perceel aan de [adres] bevindt zich in een woonwijk. Eisers zijn omwonenden van dit perceel. Op het perceel stond voorheen een schoolgebouw. Dit schoolgebouw is twaalf jaar geleden gesloopt en sindsdien is het terrein onbebouwd. Vergunninghoudster is voornemens op het perceel een gebouw met zorgappartementen te bouwen voor mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking die momenteel in voor hen ongeschikte woningen wonen. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De verleende omgevingsvergunning ziet op de ac Eisers voeren verder aan dat niet alle parkeerplaatsen op eigen terrein zijn voorzien, omdat deze parkeerplaatsen buiten het kadastrale perceel liggen waarop het bouwplan wordt gerealiseerd. Bovendien is in de wijk volgens eisers al sprake van een overbelaste parkeersituatie en zal deze door het bouwplan verder verslechteren. 12.1. Op grond van vaste rechtspraak moet bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Bij het bepalen van de parkeereis heeft het college daarom terecht uitsluitend gekeken naar het aantal parkeerplaatsen dat als gevolg van het bouwplan gerealiseerd moet worden. 12.2. Uit de situatietekening van 21 september 2023 die deel uitmaakt van het bestreden besluit, blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat ten behoeve van het bouwplan wordt voorzien in meer dan de vereiste 18 parkeerplaatsen. Op deze tekening zijn 24 parkeerplaatsen zichtbaar rond het bouwplan. Uit de toelichting die is weergegeven op de tekening volgt dat de met A en B aangeduide parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de buurt. Verder zijn 11 parkeerplaatsen voorzien voor bezoekers (parkeerplaatsen 1 t/m 11) en 7 parkeerplaatsen voor eigen gebruik (parkeerplaatsen 12 t/m 18). De parkeerplaatsen die op de tekening zijn weergegeven met nummers 19 t/m 22 zijn extra. Gelet op deze situatietekening ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Dat, zoals eisers hebben aangevoerd, ten onrechte twee bestaande parkeerplaatsen zijn meegerekend doet, wat hiervan verder ook zij, hieraan niet af. Zelfs als deze twee parkeerplaatsen niet zouden zijn meegenomen, resteren immers nog steeds meer dan de 18 parkeerplaatsen die voor het bouwplan vereist zijn. 12.3. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de parkeerplaatsen niet op eigen terrein worden gerealiseerd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat bij nieuwbouwlocaties parkeerplaatsen in de openbare ruimte mogen worden meegerekend, mits deze openbare ruimte deel uitmaakt van het projectgebied. Dit volgt uit artikel 4, onder b, van de parkeernota. Ter zitting heeft het college onweersproken toegelicht dat de parkeerplaatsen rond het gebouw worden gerealiseerd en dat deze zich binnen het projectgebied bevinden. 12.4. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat in de buurt nog vijf andere parkeerplaatsen zullen verdwijnen, overweegt de rechtbank dat het mogelijk verdwijnen van deze parkeerplaatsen niet het gevolg is van het bestreden besluit. Het college heeft hieraan bij het nemen van het bestreden besluit daarom geen gewicht kunnen toekennen. 13. Het betoog van eisers slaagt niet. Mocht worden afgeweken van de bouwregels uit het bestemmingsplan? 14. De rechtbank stelt vast dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan op het perceel waarop het bouwplan is voorzien, omvangrijke bebouwing is toegestaan. Het bouwvlak op het perceel heeft een oppervlakte van 933 m2, waarvan op grond van het bestemmingsplan 80% (746 m2) bebouwd mag worden. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op grond van het bestemmingsplan 5 meter en 10 meter. 15. Vaststaat dat het bouwplan op een aantal punten in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan. Het vergunde bouwplan heeft binnen het bouwvlak een oppervlakte van 816 m2. Dat betekent dat binnen het bouwvlak 70 m2 meer wordt gebouwd dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Verder wordt 13 m2 van het bouwplan buiten het bouwvlak gerealiseerd en is de maximale bouwhoogte 10,5 meter. Ook de toegestane goothoogte wordt op een aantal plaatsen overschreden, tot maximaal 8,3 meter. 16. Het college heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt om van de bouwregels af te wijken. Voor de overschrijding van h De rechtbank wijst hiervoor terug naar overweging 10-13, waarin is overwogen dat het college terecht heeft aangenomen dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en dat daarom geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan “Parapluherziening parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht”. 18.1. Ook het betoog van eiseres II dat zij door de te realiseren parkeerplaatsen met haar auto niet meer uit haar garagebox aan het garageplein kan draaien, slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de situatietekening van 21 september 2023 blijkt dat de afstand tussen de parkeerplaatsen en de garagebox 7 meter bedraagt. Ter zitting heeft de verkeersdeskundige van de gemeente onweersproken toegelicht dat een afstand van 5,4 meter volstaat om de garagebox met een auto te kunnen gebruiken. De rechtbank ziet in wat eiseres II heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen. 18.2. Het betoog van eiseres II dat vergunninghoudster heeft toegezegd dat bij het garageplein geen parkeerplaatsen zouden worden gerealiseerd, kan in deze procedure niet aan de orde komen. In deze procedure ligt het bestreden besluit van het college ter beoordeling voor. Niet gebleken is dat het college op enig moment heeft toegezegd dat op deze locatie geen parkeerplaatsen gerealiseerd zouden worden. 18.3. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het college heeft miskend dat in de huidige situatie reeds sprake is van een verkeersonveilige situatie in de wijk en dat het bouwplan deze situatie verder zal verslechteren. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de [adres] een erftoegangsweg is waar zowel het huidige als het toekomstige aantal voertuigbewegingen ruim onder de 6000 voertuigbewegingen per etmaal blijft dat op dit soort wegen als aanvaardbaar geldt. Verder heeft de weg geen functie voor doorgaand verkeer, maar is deze uitsluitend bedoeld voor verkeer met een herkomst of bestemming in de wijk. De weg is volgens het college 6 meter breed, waarvan 4 meter resteert als aan één zijde van de weg wordt geparkeerd. Volgens het college is dit voldoende breed voor hulpdiensten. Bovendien wordt de doorstroming volgens het college niet gehinderd, nu twee haal- en brengplaatsen zijn voorzien op het eigen terrein bij het bouwplan. Eisers hebben deze standpunten van het college weliswaar bestreden, maar hun betoog niet nader onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De rechtbank ziet in dit betoog daarom geen aanleiding om de standpunten van het college in twijfel te trekken, te meer nu deze standpunten steun vinden in het aanvullend verkeerskundig advies van 14 december 2023 dat deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de bereikbaarheid in de praktijk regelmatig in het geding is omdat vaak fout wordt geparkeerd in de wijk, overweegt de rechtbank dat dit een kwestie van handhaving is en geen gevolg van het bestreden besluit. Het betoog van eisers slaagt niet. Privacy, uitzicht en bezonning 19. Het betoog van eisers dat het bouwplan tot onaanvaardbare aantasting van hun privacy leidt en het uitzicht vanuit hun woningen en de bezonning in hun tuin ontoelaatbaar aantast, slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen. 19.1. De rechtbank begrijpt dat het bouwplan tot een ingrijpende verandering van de wijk leidt, omdat het bouwplan is voorzien op een terrein dat twaalf jaar lang onbebouwd is geweest. Ontegenzeggelijk zal het bouwplan daarom gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van eisers en leiden tot een ingrijpende verandering van hun uitzicht ten opzichte van de bestaande situatie. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het bouwplan dient echter niet louter te worden gekeken naar de huidige feitelijke situatie, maar ook naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Zoals hiervoor onder 14 is vastgesteld, biedt het bestemmingsplan ruime bouwmogelijkheden op het perceel. Ook zond Dat het terrein twaalf jaar braak heeft gelegen en dat het perceel in de loop der jaren een groene uitstraling heeft gekregen, betekent niet dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet meer benut mogen worden. Het betoog slaagt niet. Participatie 21. Eisers betogen dat zij tijdens het langdurige voortraject van meerdere jaren onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van het bouwplan en dat bovendien onvoldoende is geluisterd naar hun opmerkingen. Eiseres II voert hierbij aan dat zij stelselmatig geen antwoord heeft ontvangen op haar schrijven en dat het college gemaakte afspraken niet is nagekomen. Het bestreden besluit is volgens eisers daarom onzorgvuldig voorbereid. 21.1. Het college stelt zich op het standpunt dat omwonenden tijdig zijn betrokken in de besluitvorming en dat er altijd naar de omwonenden is geluisterd. Volgens het college hebben er meerdere overleggen plaatsgevonden met eisers, vergunninghoudster en afgevaardigden van het college. 21.2. De rechtbank stelt voorop dat de omgevingsvergunning is voorbereid met de reguliere procedure uit §3.2 van de Wabo. Niet gebleken is dat het college heeft gehandeld in strijd met de eisen die de reguliere voorbereidingsprocedure stelt. Uit het dossier blijkt dat het college in aanvulling hierop op diverse manieren en momenten contact heeft gehad met omwonenden over het bouwplan. Zo zijn er voorlichtingsavonden en digitale overleggen geweest en hebben eisers schriftelijk vragen aan het college kunnen stellen over het bouwplan. Niet in geschil is dat deze participatie vanuit de omgeving ook heeft geleid tot aanpassing van het bouwplan. Dat ook na deze aanpassingen geen sprake is van een voor eisers aanvaardbaar bouwplan, betekent niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het ontbreken van voldoende draagvlak voor het bouwvlak betekent evenmin dat het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Wat eisers hebben aangevoerd over de wijze van totstandkoming van de omgevingsvergunning, leidt daarom niet tot gegrondverklaring van het beroep. Bouwveiligheidsplan 22. Het betoog van eisers dat de (verkeers)veiligheid tijdens de bouwwerkzaamheden onvoldoende is geborgd, slaagt niet. In de voorschriften bij de omgevingsvergunning is vastgelegd dat de bouwwerkzaamheden pas mogen plaatsvinden nadat het college schriftelijk heeft ingestemd met een door vergunninghoudster op te stellen bouwveiligheidsplan. Ter zitting heeft het college toegelicht dat dit bouwveiligheidsplan inmiddels is vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de veiligheid tijdens de bouwwerkzaamheden hiermee niet afdoende is verzekerd. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat op grond van afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving diverse verplichtingen gelden voor degene die bouw- en sloopwerkzaamheden uitvoert om de veiligheid tijdens deze werkzaamheden te borgen en de hinder als gevolg van deze werkzaamheden zoveel mogelijk te beperken. Conclusie en gevolgen 23. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de omgevingsvergunning dus mogen verlenen. Het bestreden besluit, zoals aangevuld met het besluit van 4 december 2025, blijft in stand. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. 23.1. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026. De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger be Artikel 12.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mag worden gebouwd; b. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven bouwhoogte; d. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven goothoogte; e. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de maatvoeringaanduiding aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100% van het bouwperceel; f. bij iedere bestemming mag ten hoogste één dienstwoning met een inhoud van ten hoogste 500 m3worden gebouwd; g. bij iedere woning mag als bijgebouw een huishoudelijke berg- of werkruimte, garage en/of carport, met een grondoppervlakte van ten hoogste 30 m2, een goothoogte van ten hoogste 3 meter en een bouwhoogte van ten hoogste 4,5 meter worden gebouwd; h. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" geldt dat het bepaalde in de Monumentenwet van toepassing is; i. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 10 m. Artikel 12.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van lid 12.2: a. onder b: voor de bouw van bergingen en/of fietsenstallingen buiten het bouwvlak, mits de totale grondoppervlakte van de gebouwen per bestemmingsvlak niet meer dan 50 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 3 m zal bedragen; b. onder b: ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering" voor de bouw van gebouwen buiten het bouwvlak, mits de totale grondoppervlakte van de gebouwen per bestemmingsvlak niet meer dan 100 m2 en de goot- en bouwhoogte niet meer dan 3 en 6 meter zal bedragen; c. onder c en d tot maximaal 50 m voor de bouw van (klokke)torens; d. onder c tot een bouwhoogte van ten hoogste 20 m; e. onder d tot een goothoogte van ten hoogste 15 m; f. onder f voor de bouw van een tweede dienstwoning met een goothoogte van ten hoogste 6 meter en een inhoud van ten hoogste 500 m3; g. onder i tot ten hoogste 20 m. Artikel 30.1, aanhef en onder a en b Burgemeester en wethouders kunnen - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds een omgevingsvergunning voor afwijken kan worden verleend - met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten met ten hoogste 10%. Een omgevingsvergunning voor afwijken wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. Een omgevingsvergunning voor afwijken wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Bestemmingsplan “Parapluherziening parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht” Artikel 4.2 Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden van de in artikel 2.1 genoemde plannen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' (vastgesteld d.d. 8 juli 2019) en diens rechtsopvolger(s). Parkeernota Nieuwe Ontwikkelingen 2018 Artikel 4, onderdeel b Bij nieuwbouwlocaties mogen parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden meegeteld, mits deze openbare ruimte onderdeel is van het projectgebied. Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,