Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:3582
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/883 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college (gemachtigden: S. Aydin en D. van de Graaf). Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats 2] . Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de herroeping van een op 20 april 2023 aan eiser verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw aan de zijkant en een aanbouw aan de achterzijde met dakterras op de locatie [adres] . Eiser is het niet eens met de herroeping van de vergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herroeping van de vergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen herroepen . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 21 november 2022 een aanvraag ingediend voor een “grondige renovatie, verbouw van een cultureel erfgoed” aan de [adres] . De aanvraag ziet op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Met het besluit van 20 april 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Omdat buiten het bouwvlak en op de erfgrens wordt gebouwd, heeft het college de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan “Hazerswoude-Dorp” uit 2007, gedeeltelijk herzien bij het bestemmingsplan “1e partiële herziening Hazerswoude-Dorp” uit 2010. Beide bestemmingsplannen zijn op grond van artikel 1 van de beheersverordening “Hazerswoude-Dorp 2017” van toepassing. Het college heeft daarom de omgevingsvergunning ook verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo. 2.1. Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college de bezwaren van derde-partijen tegen het besluit van 20 april 2023 gegrond verklaard en de omgevingsvergunning herroepen. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 december 2023. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen zijn verschenen. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. In het besluit van 19 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning herroepen. Het college heeft daarbij, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften, het standpunt ingenomen dat de verleende omgevingsvergunning ten onrechte niet ziet op de activiteiten ‘woningsplitsing’ en ‘wijzigen van een gemeentelijk monument’. Het betreft onlosmakelijk samenhangende activiteiten, die tegelijkertijd met de activiteit ‘bouwen’ door eiser hadden moeten worden aangevraagd. Splitsing van het pand in twee woningen is in strijd met artikel 14.4.1, onder d, van het bestemmingsplan “Hazerswoude-Dorp” (bestemmingsplan). De splitsing kan leiden tot extra parkeerdruk en verlies van privacy en uitzicht voor omwonenden. Daarom is voor de splitsing een omgevingsvergunning nodig om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college heeft echter niet getoetst aan artikel 14.6.2 van het bestemmingsplan, dat de toetsingsgronden bevat om af te wijken van dit vereiste, omdat in eerste instantie niet duidelijk was dat splitsing was beoogd. Verder moet het pand worden aangemerkt als een gemeentelijk monument. Het wijzigen van een gemeentelijk monument is in strijd met artikel 11.1, onder a, van de Erfgoedverordening Alphen aan den Rijn 2021 (Erfgoedverordening). Daarom had bij nader inzien o Pas in de bezwaarfase werd het het college voldoende duidelijk dat eiser splitsing van het pand heeft beoogd en toen was de vergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten aanzien van het bouwvlak al verleend. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2908) is geen nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. Naar het oordeel van de rechtbank was in het nu voorliggende geval wijziging van de aanvraag met het oog op splitsing van de woning in twee woningen geen wijziging van ondergeschikte aard. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat toevoeging van een woning in strijd was met artikel 14.4.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan, en dat dus alsnog getoetst zou moeten worden aan artikel 14.6.2 van het bestemmingsplan, dat de toetsingsgronden bevat voor afwijking van het vereiste in artikel 14.4.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat de voorgenomen splitsing niet kon worden betrokken in de lopende bezwaarprocedure, en dat eiser voor de splitsing een nieuwe aanvraag moest indienen. 5.4. De beroepsgrond slaagt niet. Hoe nu verder? 6. Het voorgaande betekent dat eiser voor het realiseren van het bouwplan (inclusief splitsing) een nieuwe aanvraag zal moeten doen. Om die reden hoeven de overige beroepsgronden hier niet te worden besproken. 7. Met het oog op de besluitvorming in geval van een eventuele nieuwe aanvraag, overweegt de rechtbank nog het volgende. 7.1. Eiser betoogt dat het pand in de Erfgoedverordening niet is aangewezen als gemeentelijk monument. Daarom hoeft volgens eiser geen vergunning te worden aangevraagd voor het wijzigen van een monument. Subsidiair betoogt eiser dat het college eiser in de gelegenheid had moeten stellen om de aanvraag aan te vullen met de activiteit ‘wijzigen van een gemeentelijk monument’. 7.2. Het college stelt zich in beroep op het standpunt dat het pand een gemeentelijk monument is en dat het verbouwen van het pand daarom op grond van de Erfgoedverordening vergunningplichtig is. Omdat ook dit in eerste instantie niet is onderkend en daarom niet is beoordeeld of een dergelijke vergunning kan worden verleend, en omdat ook dit geen ondergeschikt punt is, kon ook dit in de bezwaarprocedure niet meer worden meegenomen. Ook in zoverre vindt het college dat beoordeling pas kan plaatsvinden als eiser een nieuwe aanvraag heeft gedaan. 7.3. De rechtbank overweegt dat de activiteiten ‘bouwen’ en ‘wijzigen van een monument’ onlosmakelijk verbonden activiteiten zijn in de zin van artikel 2.7 van de Wabo. Indien sprake is van een vergunningplicht omdat sprake is van een monument op grond van een gemeentelijke (erfgoed)verordening, moet het college een aanvrager daarop wijzen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit in dit geval niet aan de orde is. Op grond van artikel 1 van de Erfgoedverordening is in twee situaties sprake van een monument. Op grond van artikel 1, aanhef en onder 1, sub a, van de Erfgoedverordening is sprake van een monument in geval van een gemeentelijk (archeologisch) monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De aanwijzing van dergelijke monumenten is geregeld in hoofdstuk 2 van de Erfgoedverordening (artikel 3 e.v.). Het pand aan de [adres] is echter niet aangewezen als een monument in deze zin, omdat het niet op de betreffende lijst staat. Daarnaast is op grond van artikel 1, aanhef en onder 1, sub b, van de Erfgoedverordening sprake van een monument in geval van een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk dat in het bestemmingsplan en/of de beheersverordening Cultuurhistorie is bestemd tot ‘Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken – Monumentaal’. Het pand van eiser valt in deze categorie, en het is dus inderdaad aan te merken als monument in de zin van artikel 1 van de Er de voorschriften (thans: regels) en plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan Hazerswoude-Dorp, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Rijnwoude op 8 maart 2007 en opgenomen in bijlagen 1, 2, 3, 4 en 5; b. de voorschriften (thans: regels) en plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan 1e partiële herziening Hazerswoude-Dorp, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Rijnwoude op 22 april 2010 en opgenomen in bijlagen 6, 7, 8, 9 en 10. c. de voorschriften (thans: regels) en plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan Zuidhof, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Rijnwoude op 27 maart 2003 en opgenomen in bijlagen 11 en 12; d. alsmede de verleende vrijstellingen, ontheffingen, afwijkingen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Bestemmingsplan “Hazerswoude-Dorp” Artikel 1.68 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Artikel 7.1 De op de plankaart voor “gemengd” aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…) f. wonen, met dien verstande dat in geval van wonen in het gehele pand de voorschriften gelden zoals vastgesteld voor de bestemming “wonen” in artikel 14; (…). Artikel 14.1 De op de plankaart voor “wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor: ( a) het wonen; (…). Artikel 14.4.1 Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de aanduidingen op de plankaart, alsmede de volgende bepalingen: (…) ( d) per bouwperceel mag er één woning aanwezig zijn, met dien verstande dat dit niet van toepassing is op gestapelde woningen. Artikel 14.6.2 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ten behoeve van vrijstaande woningen vrijstelling te verlenen van het bepaalde in 14.4.1, sub d, teneinde het hoofdgebouw in meerdere wooneenheden te splitsen, met dien verstande dat: a. het hoofdgebouw uit één bouwmassa blijft bestaan; b. het hoofdgebouw gesplitst kan worden in maximaal twee volwaardige woningen; c. de splitsing niet gepaard gaat met een vergroting van het grondoppervlak of uitbreiding van de hoofdmassa; d. de te realiseren woning(-en) dienen te passen c.q. zijn afgestemd op zowel het gemeentelijke woningbouwprogramma als op het provinciale woning bouwprogramma; e. parkeren conform de gemeentelijke parkeernota geschiedt. Erfgoedverordening Alphen aan den Rijn 2021 Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: 1. Monument: a. Een gemeentelijk (archeologisch) monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister of b. een cultuurhistorische waardevolle bouwwerk die in het bestemmingsplan en/of beheersverordening Cultuurhistorie is bestemd tot ‘Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken - Monumentaal'; (…). Artikel 3 1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. (…) Artikel 15 1. Als monumentaal bouwwerk wordt aangemerkt een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk als bedoeld in artikel 1, onder 1, sub b van deze verordening, met dien verstande dat alleen het exterieur wordt aangemerkt. Beheersverordening “Cultuurhistorie” Artikel 2 Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken - Monumentaal 2.1 Bestemmingsomschrijving a De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken - Monumentaal' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behouden, versterken en beschermen van de specifieke waarden van de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken met een zeer hoge cultuurhistorische waardering zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, b waaronder begrepen: 1. het karakteristieke bouwtype; 2 de bouwstijl, verschijningsvorm, gevelindeling of typerende architectuur van het bouwwerk; 3 de karakteristieke hoofdvorm en massa-opbouw van het bouwwerk; 4 de bijdrage van het bouwwerk aan het omringende cultuurlandschap; 5 de aanwezigheid van auth