Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:3574
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/6721 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [eisers sub 1] en [eisers sub 2], te [woonplaats], eisers en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, (gemachtigde: mr. S.V. Benjamin). Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [woonplaats]. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan eisers voor het plaatsen van een warmtepomp met geluiddempende omkasting op het platte dak van de aanbouw aan de woning [adres] in [plaats]. Derde-partijen hebben een bezwaarschrift ingediend tegen de verlening van de omgevingsvergunning en het college heeft het bezwaar gegrond verklaard. Eisers zijn het hier niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een onvolledige beslissing op bezwaar heeft genomen en dat het bestreden besluit ook niet zorgvuldig is voorbereid. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben op 26 mei 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een warmtepomp met geluiddempende omkasting op het platte dak van de aanbouw aan hun woning [adres] in [plaats]. Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Bij besluit van 12 juni 2024 heeft het college het bezwaar van derde-partijen tegen de verlening van de omgevingsvergunning gegrond verklaard. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juni 2024. Op verzoek van de rechtbank heeft het college een reactie ingediend op het door eisers overgelegde rapport van 18 juli 2024 van [adviesbureau]. Derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. [eisers sub 2] is verschenen, bijgestaan door [naam 1]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2]. Derde-partijen zijn verschenen. 2.3. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, zodat [naam 1] de specificaties van fabrikant Remeha, waaruit blijkt dat de warmtepomp (type 8) een geluidvermogenniveau van 67 dB heeft, kan indienen. Het college is in de gelegenheid gesteld om een berekening in te dienen op grond van deze specificaties, en eisers en derde-partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op de berekening. 2.4. [naam 1] heeft op 11 september 2025 de specificaties van de warmtepomp ingediend. Het college heeft zijn berekening op 22 september 2025 ingediend. Eisers hebben op 3 november 2025 op de berekening gereageerd. 2.5. Partijen hebben desgevraagd geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Het college heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb). Volgens het advies van de Acb is niet gebleken dat de vergunde warmtepomp met omkasting voldoet aan de grenswaarde van 40 dB als bedoeld in artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012. Uit de controleberekening van het college blijkt dat de maximale geluidsbelasting van 40 dB voor de avond-/nachtperiode wordt overschreden. Overgangsrecht 4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het p Daaruit is naar voren gekomen dat partijen het erover eens zijn dat de door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde rekentool van LBP Sight kan worden gehanteerd om vast te stellen of de geluidsbelasting van de warmtepomp van eisers op de erfgrens de maximale geluidsnorm overschrijdt. 7.1. [naam 1] heeft namens eisers na de zitting de specificaties van de warmtepomp van fabrikant Remeha ingediend. Het college heeft in zijn reactie op deze specificaties aangegeven dat het geluidvermogenniveau inderdaad 67 dB in plaats van 70 dB bedraagt. Het college heeft op basis van deze informatie nieuwe berekeningen gemaakt en de resultaten daarvan toegelicht in een e-mailbericht met bijlagen van 22 september 2025. Het college concludeert dat wordt voldaan aan de maximaal toegestane geluidsbelasting op de perceelgrens. Eisers hebben zich in hun reactie op de nieuwe berekeningen aangesloten bij deze conclusie van het college. 7.2. Derde-partijen hebben geen reactie gegeven op de nieuwe berekeningen. Op zitting hebben zij over te gebruiken invoergegevens voor een berekening het standpunt ingenomen dat moet worden uitgegaan van een tonale toeslag van 5 dB in plaats van 3 dB. Op zitting heeft het college daarover gesteld dat de tonale toeslag forfaitair 3 dB bedraagt en dat voor een hogere toeslag slechts aanleiding is, indien dit uit door de fabrikant verstrekte gegevens over de warmtepomp blijkt. Gelet op de toelichting op de rekenmodule , waaruit volgt dat gegevens over tonale toeslag moeten worden opgevraagd bij de leverancier van de buitenunit en op onderdeel d van bijlage VIII, volgt de rechtbank het college in dit standpunt. Derde-partijen hebben niet onderbouwd dat in dit geval van een hogere tonale toeslag dan 3 dB moet worden uitgegaan. 7.3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college in beroep alsnog heeft onderbouwd dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:11 van de Awb is genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat uit de in beroep overgelegde berekeningen van het college blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van derde-partijen ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar. 8.1. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - verklaart het bezwaar van derde-partijen ongegrond; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026. griffier rechter de griffier is verhinderd te tekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel)