Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:3418
RECHTBANK Den Haag Team handel - voorzieningenrechter Zaak- /rolnummer: C/09/697102 / KG ZA 26-6 Vonnis in kort geding van 20 februari 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats], eiser, advocaat mr. M.R. van Leeuwen, tegen Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. E.A.L. van Emden. Partijen worden hierna respectievelijk [eiser] en Nationale-Nederlanden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 7 januari 2026 met producties 1 tot en met 4;- de conclusie van antwoord met producties A tot en met P;- de op 28 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd. 2 De feiten 2.1. [eiser] is al ruim 40 jaar werkzaam in de verzekeringsbranche. Sinds 1 januari 2021 is hij in dienst bij [bedrijfsnaam] B.V. in de functie van accountmanager. In die functie treedt hij onder meer op voor cliënten bij de totstandkoming van verzekeringen met diverse verzekeraars, waaronder Nationale-Nederlanden, en bij contacten met verzekeraars ten behoeve van die cliënten. 2.2. Op 18 september 2024 heeft [eiser] een e-mail ontvangen van cliënt [cliënt] B.V. (hierna: [cliënt]) over een RDW-verklaring van een niet verzekerde hijskraan (verder: de hijskraan) in eigendom bij [cliënt]. De hijskraan was geschorst tot 5 september 2024 en [cliënt] had een brief van de RDW ontvangen over een op te leggen boete voor het niet verzekerd zijn van de hijskraan. Naar aanleiding van de e-mail heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met Nationale-Nederlanden omtrent het (opnieuw) verzekeren van de hijskraan. 2.3. Per e-mail van 19 september 2024 heeft [eiser] Nationale-Nederlanden verzocht om de hijskraan in dekking te nemen. Nationale-Nederlanden heeft vervolgens bij [eiser] navraag gedaan naar de afloopdatum van de schorsing. Op 27 september 2024 heeft [cliënt] [eiser] per e-mail laten weten dat de schorsing eind augustus 2024 was verlopen en heeft hij verzocht om de hijskraan in verzekering te nemen per 2 september 2024. [eiser] heeft dit bericht doorgestuurd naar Nationale-Nederlanden. 2.4. Nationale-Nederlanden heeft op 1 oktober 2024 de polis voor de hijskraan afgegeven waarin als ingangsdatum van de polis 2 september 2024 is opgenomen. 2.5. Op 27 november 2024 heeft tussen [eiser] en [cliënt] een gesprek plaatsgevonden waarin, onder meer, is gesproken over een schade veroorzaakt met de hijskraan. Diezelfde dag heeft [eiser] een e-mail aan [cliënt] gestuurd waarin onder meer staat: “Naar aanleiding van ons gesprek van heden morgen, bevestig ik dat wij de schade van 16 september 2024 in behandeling gaan nemen. Wij zullen via Nationale Nederlanden vragen om diverse partijen bij elkaar te krijgen: Expert via Nat Nederlanden / [naam] / Vertegenwoordiger van de opdrachtgever Mammoet en de kraanmachinist. Gaarne verzoek ik om alle stukken en uitgebreid verhaal via de mail naar mij door te sturen, dan zal ik alles gedocumenteerd versturen naar Nationale Nederlanden. PS. De Kraan is aangemeld op 18 september ( zie onderstaande ), de verklaring van RDW is 2-9-2024 en de schadedatum is 16-9-2024, gelukkig is de polis opgemaakt per 2 september 2024. Ik hoop dat nationale Nederlanden niet dit gaat controleren, de schade was dus al bekend op 18 september” 2.6. [eiser] heeft op 4 december 2024 per e-mail [cliënt] nogmaals verzocht om de stukken om de schade te kunnen melden bij Nationale-Nederlanden. In diezelfde e-mail heeft [eiser] de tekst van zijn bericht van 27 november, zoals hierboven onder 2.5 weergegeven, herhaald. 2.7. Op 13 maart 2025 heeft [eiser] de schade gemeld bij Nationale-Nederlanden, met het verzoek om met spoed een expert in te schakelen. [eiser] heeft diverse bijlagen bij zijn verzoek gevoegd. Daartoe behoorden ook zijn e-mails van 27 november en 4 december 2024 aan [cliënt], hiervoor in 2.5 en 2.6 genoemd. 2.8. Naar aanleiding van de schademelding heeft Nationale-Nederlanden haar afdeling Speciale Zaken ingeschak Bij de belangenafweging moeten alle relevante omstandigheden worden betrokken, waaronder de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid, de gevolgen voor [eiser] en dienst persoonlijke en professionele achtergrond. Uit het verweer van Nationale-Nederlanden blijkt dat zij uitsluitend gewicht heeft toegekend aan haar eigen belang en een vermeende schending van vertrouwen. Zij heeft geen blijk gegeven van enig inzicht in de persoonlijke impact van het besluit noch van de omstandigheid dat [eiser] gedurende het hele proces open en transparant heeft gehandeld. 3.4. Nationale-Nederlanden voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling 4.1. Nationale-Nederlanden betwist het bestaan van een spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiser], omdat – kort gezegd – niet blijkt dat de registraties vergaande gevolgen hebben die [eiser] stelt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarentegen voldoende duidelijk dat [eiser] door de registraties momenteel ernstig wordt belemmerd om werkzaam te zijn als (of voor een) verzekeringstussenpersoon. Voor [eiser] is het in ieder geval momenteel niet mogelijk om voor zijn werkgever [bedrijfsnaam] te werken, omdat [bedrijfsnaam] na de brief van 18 juni 2025 van Nationale-Nederlanden [eiser] op non-actief heeft gesteld en tevens de arbeidsovereenkomst met [eiser] wenst te beëindigen, waartoe een ontbindingsprocedure is gestart. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet van [eiser] worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. 4.2. [eiser] vordert een gebod tot verwijdering van zowel de interne als de externe registraties. Het gaat om de registraties in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie (GA) van Nationale-Nederlanden en om de opname in het Incidentenregister (IR) en het daaraan gekoppelde EVR. Voor de verschillende registraties gelden verschillende regels en maatstaven. Voor opname in het IR en het daaraan gekoppelde EVR geldt een hogere drempel en daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om eerst deze registraties te beoordelen. IR en EVR 4.3. Opname in het IR en het daaraan gekoppelde EVR kan verstrekkende gevolgen hebben: deelnemende ondernemingen kunnen door raadpleging van het EVR vaststellen dat sprake is van opname in het IR door een andere deelnemer. Deelnemende ondernemingen kunnen ook de reden van opname in het IR opvragen. Dit kan ertoe leiden dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het IR is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Om die reden ligt de lat hoog voor opname van gegevens in deze registers. 4.4. Opname in het IR en EVR vindt slechts plaats – en is alleen dan aanvaardbaar – voor zover de opname in overeenstemming is met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). Op grond van het PIFI kan registratie plaatsvinden (verkort gezegd) als (1) de gedraging van de betrokken (rechts)persoon, [eiser] in dit geval, een bedreiging vormt of kan vormen voor de verzekeraar of de financiële sector, (2) in voldoende mate vaststaat dat [eiser] betrokken is bij de laakbare gedragingen en (3) bij de registratie het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen. 4.5. Niet vereist voor opname is een veroordeling door de strafrechter. Er moet sprake zijn van zodanig concrete feiten en omstandigheden dat voldoende bewijs beschikbaar is van een onrechtmatige of strafbare gedraging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering. Er moet dus duidelijk meer zijn dan enkel een redelijk vermoeden van schuld. Uitgangspunt is verder dat het aan de verzekeraar, Nationale-Nederlanden, is om te concretiseren en te onderbouwen waarom registratie gerechtvaardigd is. Ten slotte moet, zowel op grond van de AVG als op grond van het PIFI, een belangenafweging plaatsvinden, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moe Duidelijk is dat [eiser] in die periode nog informatie verzamelde (althans door [cliënt] liet verzamelen) en dat er op dat moment geheel nog geen beroep werd gedaan op dekking. Dat de claim daadwerkelijk zou worden ingediend, leek op dat moment ook nog ongewis. 4.10. Op 13 maart 2025 diende [eiser] voor verzekerde [cliënt] alsnog een claim voor de betreffende schade in. Nationale-Nederlanden stelt niet ten onrechte dat van [eiser], als tussenpersoon en in het licht van de vertrouwensrelatie tussen [eiser]/diens werkgever enerzijds en Nationale-Nederlanden anderzijds, de kanttekening op zijn plaats zou zijn geweest dat het hier ging om een schade ontstaan in de periode voor de dag van sluiting van de verzekering. Daar staat tegenover dat Nationale-Nederlanden de verzekering uiteindelijk zelf met terugwerkende kracht heeft laten ingaan (dat had zij ook niet kunnen doen) en zelf ook een signalering op de polis daarover had kunnen opnemen, maar dat kennelijk niet of niet voldoende zichtbaar heeft gedaan. Nationale-Nederlanden heeft daarover ter zitting slechts gezegd dat verzekeringsaanvragen en schademeldingen via andere afdelingen lopen en dat de schadebehandelaar daardoor niet op de hoogte was van het feit dat de polis met terugwerkende kracht was ingegaan. De gevolgen van deze niet vlekkeloze wijze van administreren en de scheiding van taken binnen de organisatie van Nationale-Nederlanden kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer bij [eiser] neergelegd worden. Hoewel dus een kanttekening of waarschuwing van [eiser] op zijn plaats zou zijn geweest, valt uit het ontbreken van die waarschuwing naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het kwaad opzet van [eiser] om Nationale-Nederlanden te misleiden op te maken. 4.11. Voor zover de opzet tot het misleiden van Nationale-Nederlanden (mede) moet worden afgeleid uit de e-mail van 27 november 2024 waarin [eiser] aan [cliënt] schrijft dat hij hoopt dat Nationale-Nederlanden het een en ander niet gaat controleren, volgt de voorzieningenrechter dit betoog niet. Het gaat hier namelijk om een e-mail van [eiser] aan [cliënt]. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd verklaard [cliënt] als verzekerde te hebben willen waarschuwen dat de schade mogelijk niet gedekt zou zijn, omdat de schade al bestond op het moment dat aan Nationale-Nederlanden was verzocht om de hijskraan in verzekering te nemen. [eiser] noemde dat een “commerciële mededeling” en beaamde dat de gekozen bewoordingen – in het licht van het verwijt dat Nationale-Nederlanden hem maakt – niet juist gekozen waren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] de waarschuwing aan [cliënt] minst genomen zeer ongelukkig heeft geformuleerd en een duidelijke waarschuwing aan de cliënt op zijn plaats zou zijn geweest. Maar uit de handelwijze kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat [eiser] daarmee het opzet heeft gehad om Nationale-Nederlanden te misleiden. Zou [eiser] immers daadwerkelijk die intentie hebben gehad, zoals Nationale-Nederlanden aan de hand van de betreffende zin in die e-mail (letterlijk herhaald in de e-mail van 4 december 2024) betoogt, dan lag het bepaald niet voor de hand dat hij die e-mail van 27 november 2024 en de e-mail van 4 december 2024 zelf zou hebben meegestuurd naar Nationale-Nederlanden. In die e-mails wordt immers door [eiser] juist expliciet vastgesteld dat de schade tijdens de ‘onverzekerde periode’ is ontstaan. 4.12. Hoewel het ontbreken van een kanttekening of waarschuwing richting Nationale-Nederlanden bij de indiening van de claim namens [cliënt] en de onbeholpen waarschuwing aan [cliënt] in beide e-mails– in samenhang bezien – bepaald niet de schoonheidsprijs verdienen, blijkt er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende uit dat [eiser] Nationale-Nederlanden heeft willen misleiden. 4.13. Hoewel naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een incident op grond waarvan een registratie in beginsel gerechtvaardigd zou