Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:3221
RECHTBANK DEN HAAG JL (D) Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Leiden Zaaknummer: 11699043 \ CV EXPL 25-1532 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [woonplaats] (Spanje), eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. A. Hiebendaal, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AKKODIS NETHERLANDS INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te Zaltbommel, gedaagde partij, hierna te noemen: Akkodis, gemachtigden: mrs. R.M. Conijn en A. Koekkoek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 24 april 2025, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 7 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de aanvullende producties van [eisende partij] , - de aanvullende producties van Akkodis, - de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen. 1.2. Ten slotte is vonnis (nader) bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisende partij] is in de periode van 14 augustus 2017 tot 1 juli 2021 in dienst geweest bij (de rechtsvoorgangers van) Akkodis. Sinds de aanvang van zijn dienstverband is [eisende partij] ter beschikking gesteld bij het European Research and Technology Centre (ESTEC), de standplaats van de European Space Agency (ESA) in Noordwijk. [eisende partij] vervulde de functie van Microwave/WM-Wave Technology and Equipment Engineer. 2.2. Akkodis en ESA werken al meer dan 45 jaar samen. Akkodis stelt onder meer werknemers ter beschikking aan ESA. Akkodis en ESA hebben in dat kader raamovereenkomsten gesloten, waaronder het EFC2-contract. De terbeschikkingstelling van werknemers aan ESA vindt plaats op basis van Manpower Assignment Scheme (MAS) of Service Provision Scheme (Service). [eisende partij] was werkzaam op basis van MAS. 2.3. ESA is een internationale, intergouvernementele organisatie met rechtspersoonlijkheid. ESA is opgericht bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap van 30 mei 1975 (ESA-Verdrag) en kent twee organen: de Raad en de Directeur-Generaal. 2.4. In het ESA-Verdrag is onder meer het volgende bepaald: “ Artikel VI. Installaties en diensten 1 Voor de uitvoering van de aan het Agentschap toevertrouwde programma’s: (a) dient het Agentschap zijn eigen capaciteit te handhaven, nodig voor de voorbereiding van en het toezicht op zijn eigen taken en, te dien einde, de vestigingen en de installaties op te richten en te exploiteren, die voor zijn werkzaamheden vereist zijn; (b) kan het Agentschap bijzondere overeenkomsten aangaan voor de uitvoering van bepaalde delen van zijn programma’s door, of in samenwerking met, nationale instellingen van de Lid-Staten ofwel voor het in beheer nemen door het Agentschap zelf van bepaalde nationale installaties. Artikel VII. Industrieel beleid (…) 2 Voor de uitvoering van zijn programma’s maakt het Agentschap op zo ruim mogelijke schaal gebruik van externe contractanten, voor zover zulks verenigbaar is met de handhaving van zijn eigen capaciteit, bedoeld in artikel VI, eerste lid. Artikel XII. Directeur-generaal en personeel (…) 2 De Directeur-Generaal wordt bijgestaan door het door hem noodzakelijk geachte wetenschappelijk en technisch personeel, beleidspersoneel en administratief personeel en wel binnen de door de Raad toegestane grenzen. 3 (…) ( (b) De overige personeelsleden worden benoemd of ontslagen door de Directeur-Generaal, die daarbij handelt op gezag van de Raad. ( (c) Al het personeel wordt aangeworven op grond van bekwaamheid, waarbij rekening wordt gehouden met een evenredige verdeling van de beschikbare plaatsen onder de onderdanen van de Lid-Staten. Benoeming, en beëindiging van dienstverband geschiedt overeenkomstig het Personeelsstatuut. ( (d) Wetenschappelijke onderzoekers die geen deel uitmaken van het personeel en die speurwerk verrichten bij de instellingen van het Agentschap zijn onderworpen aan het gezag van de Directeur-Generaal en aan alle door de Raad aangenomen algemene voorschriften. (…)” 2.5. In artikel 8 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees Ruimte Agentschap inzake het Europees Centrum voor onderzoek en technologie-ontwikkeling op ruimtevaartgebied 2008 is het volgende bepaald: “Without prejudice to the provisions of the Convention and Annex I thereto and to any relevant complementary agreement between the Government and the Agency, the laws of the Netherlands shall apply within the premises and to the activities of the Agency carried out on the territory of the Netherlands. ” 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair I. voor recht te verklaren dat [eisende partij] in het kader van payrolling bij Akkodis aan ESA ter beschikking is gesteld op basis van een payrollovereenkomst en dat [eisende partij] met Akkodis een payrollovereenkomst heeft gehad, subsidiair II. voor recht te verklaren dat [eisende partij] gedurende het dienstverband bij Akkodis recht heeft op hetzelfde loon, de eenmalige uitkeringen en overige vergoedingen van werknemers van ESA die in die periode in gelijke of gelijkwaardige functies als die van [eisende partij] hebben gewerkt, meer subsidiair III. voor recht te verklaren dat Akkodis haar verplichtingen uit hoofde van artikel 7:655 jo. 7:611 BW heeft geschonden en tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen haar en [eisende partij] gesloten arbeidsovereenkomst, waardoor zij gehouden is de schade die [eisende partij] daardoor lijdt te vergoeden, primair en subsidiair IV. veroordeling van Akkodis tot betaling van: € 359.704,34 bruto aan achterstallig loon over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 29.726,24 bruto aan vakantiebijslag over het achterstallige loon over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 11.880,00 bruto aan ontbrekende vakantie-uren over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 17.244,16 netto aan familietoeslag over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 4.813,56 netto aan kinderbijslag voor expats over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, meer subsidiair V. veroordeling van Akkodis tot betaling van € 401.311,08 bruto en € 22.057,72 netto aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, primair, subsidiair en meer subsidiair VI. veroordeling van Akkodis tot het verstrekken van salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom, VII. veroordeling van Akkodis tot betaling van € 3.891,84 aan buitengerechtelijke incassokosten, VIII. veroordeling van Akkodis in de kosten van deze procedure. 3.2. Akkodis voert verweer. Akkodis concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Is de Waadi van toepassing? 4.1. [eisende partij] stelt dat hij op grond van de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) over de periode dat de arbeidsrelatie tussen partijen heeft geduurd recht heeft op dezelfde voorwaarden als die golden voor werknemers die in een gelijke of gelijkwaardige functie bij ESA werkzaam waren. Het meest verstrekkende verweer van Akkodis is dat de artikelen 8 en 8a Waadi niet van toepassing zijn. Akkodis stelt in dat verband primair dat (i) ESA geen onderneming is in de zin van artikel 1 lid 1 sub e Waadi en (ii) een internationale ESA-ambtenaar geen werknemer is in de zin van de artikelen 8 en 8a Waadi. 4.2. De kantonrechter stelt het volgende voorop. Vaststaat dat [eisende partij] in de periode van 14 augustus 2017 tot 1 juli 2021 in dienst is geweest bij (de rechtsvoorgangers van) Akkodis. Dat betekent dat voor de periode van 14 augustus 2017 tot 1 januari 2020 moet worden gekeken naar artikel 8 lid 1 Waadi zoals dat op 27 april 2012 in werking is getreden. Voor de periode daarna - dus 1 januari 2020 tot 1 juli 2021 - moet worden gekeken naar het bepaalde in artikel 8 lid 1 Waadi zoals dat per 1 januari 2020 en 30 juli 2020 is gewijzigd. Artikel 8a Waadi is op 1 januari 2020 in werking getreden, zodat voor de eventuele toepassing hiervan slechts de periode van 1 januari 2020 tot 1 juli 2021 relevant is. 4.3. Artikel 8 lid 1 (2012) Waadi luidde destijds, voor zover hier relevant, als volgt: “ De ter beschikking gestelde arbeidskracht heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt (…). ” Sinds 2020 luidt artikel 8 lid 1 Waadi, voor zover hier relevant, als volgt: “ De arbeidskracht, die niet in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld, heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt. ” Artikel 8a lid 1 Waadi luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “ De arbeidskracht, die in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld, heeft, met uitzondering van het bepaalde ten aanzien van de adequate pensioenregeling, bedoeld in het vierde lid tot en met het zesde lid, recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt. ” 4.4. Voor de toepassing van de artikelen 8 en 8a Waadi moet dus sprake zijn van een ‘werknemer’ in dienst van de ‘onderneming’. Op grond van artikel 1 sub e Waadi wordt onder ‘onderneming’ verstaan de onderneming zoals bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden (WOR). In artikel 1 lid 1 sub c WOR wordt het begrip ‘onderneming’ gedefinieerd als: “ elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht ”. De definitie van ‘onderneming’ in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR bevat dus drie facetten: i) het vormen van een organisatorisch verband; ii) het optreden in de maatschappij als zelfstandige eenheid; en iii) het krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verrichten in de onderneming. 4.5. Beoordeeld dient daarom te worden of ESA voldoet aan de hierboven geformuleerde definitie van ‘onderneming’. De kantonrechter overweegt daarover het volgende. 4.6. ESA en ESTEC zijn op grond van artikel 1 lid 9 van de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2015 aangewezen als volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in artikel 4 lid 1 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en artikel 7 lid 1 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990. Een volkenrechtelijke organisatie is een publiekrechtelijke organisatie die bij of krachtens volkenrechtelijk verdrag is ingesteld, in dit geval het ESA-Verdrag. Op grond van artikel XII lid 3 sub b van het ESA-Verdrag worden ESA-personeelsleden (“ staff members ” in de zin van artikel XVI van Bijlage I van het ESA-Verdrag) benoemd door de Directeur-Generaal. Tussen partijen is niet in geschil dat ESA-personeelsleden niet krachtens arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW arbeid verrichten, zodat ter beoordeling voorligt of zij krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid verrichten. 4.7. Op 13 april 1995 is de WOR mede van toepassing verklaard op de overheid ( Stb. 1995, 231). De achterliggende gedachte daarvan was dat de overheid zoveel mogelijk aan dezelfde medezeggenschapsregels dient te worden onderworpen als de marktsector. In de Memorie van Toelichting ( Kamerstukken II , 1993/94, 23 551, nr. 3, p. 2 en 10) is hierover onder meer het volgende opgemerkt: “ Thans heeft de opvatting post gevat dat de bijzondere positie van de overheid als werkgever niet zonder meer een rechtvaardiging is voor een van de marktsector afwijkende regeling. Dit heeft tot gevolg dat het stelsel van arbeidsverhoudingen bij de overheid steeds meer van een gelijkwaardige positie van werkgever(s) en werknemersorganisaties uitgaat en zich steeds meer richting marktsector ontwikkelt. Geheel in de lijn van deze ontwikkeling past het streven naar een marktconforme medezeggenschap bij de overheid, hetgeen inhoudt dat de medezeggenschap bij de overheid zo volledig mogelijk moet aansluiten bij die van de marktsector, tenzij de bijzondere positie van de overheid als werkgever tot afwijking noodzaakt en dat voor de overheid, conform de marktsector, één wettelijke medezeggenschapsregeling van kracht moet zijn. (…) Er is gekozen voor aansluiting bij de WOR, waardoor deze wet ook van toepassing wordt op zowel de rijksoverheid als de lagere overheden. ” 4.8. Om het begrip ‘onderneming’ ook op de overheid van toepassing te laten zijn, werd de zinsnede “ of krachtens publiekrechtelijke aanstelling ” toegevoegd aan artikel 1 lid 1 sub c WOR. Volgens de Memorie van Toelichting brengt dit mee dat een organisatorisch samenwerkingsverband, zoals een ministerie, een gemeente, een provincie en een waterschap als een ‘onderneming’ in de zin van de WOR kunnen worden aangemerkt waarvoor een ondernemingsraad kan worden ingesteld. Dit geldt ook voor andere samenwerkingsverbanden bij de overheid die zich naar buiten als een zelfstandige eenheid presenteren, zoals bijvoorbeeld het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringen, een gemeentelijke sociale dienst en een dienst gemeentewerken ( Kamerstukken II , 1993/94, 23 551, nr. 3, p. 3). 4.9. Uit het voorgaande volgt dat de publiekrechtelijke aanstelling in de zin artikel 1 lid 1 sub c WOR betrekking heeft op ambtenaren die voor de Nederlandse overheid arbeid verrichten. Dat het hierbij om de Nederlandse overheid gaat, vindt ook bevestiging in de Ambtenarenwet 1929, zoals die ten tijde van de wijziging van artikel 1 lid 1 sub c WOR van toepassing was. Artikel 1 van de Ambtenarenwet 1929 luidde destijds, voor zover hier relevant, als volgt (onderstreping kantonrechter): “ 1. Ambtenaar in den zin deze wet is hij, die is aangesteld in openbaren dienst om hier te lande werkzaam te zijn. 2. Tot den openbare dienst behooren alle diensten en bedrijven door den Staat en de openbare lichamen beheerd. (…) ” ESA betreft geen Nederlands overheidsorgaan. Het betoog van [eisende partij] dat ESA-personeel op grond van een publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht bij ESA kan - wat daar ook van zij - daarom niet tot de conclusie leiden dat dit een publiekrechtelijke aanstelling in de zin van de WOR betreft. In de wetsgeschiedenis zijn hiervoor geen aanknopingspunten te vinden. Voor een ruimer begrip biedt de WOR dan ook geen ruimte. 4.10. Samengevat: ESA is geen onderneming in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR, zodat de artikelen 8 en 8a Waadi niet van toepassing zijn. Dat brengt mee dat [eisende partij] geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde verklaringen voor recht en dat al zijn vorderingen worden afgewezen. Proceskosten 4.11. [eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Akkodis worden begroot op: - salaris gemachtigde € 2.882,00 (2 punten × € 1.441,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.026,00 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eisende partij] af, 5.2.