Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:3117
RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/676486 / HA ZA 24-1023 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van DE REPUBLIEK ARGENTINIË te Buenos Aires, Argentinië, eisende partij, advocaat: mr. T. Stouten, tegen ICS INSPECTION AND CONTROL SERVICES LTD te Londen, Verenigd Koninkrijk, gedaagde partij, advocaat: mr. M. van de Hel-Koedoot. Partijen worden hierna Argentinië en ICS genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 16 oktober 2024 met producties 1 tot en met 38; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 42; - de akte overlegging aanvullende producties namens Argentinië, met producties 39 tot en met 42; - de akte overlegging aanvullende producties namens ICS met producties 43 tot en met 46. 1.2. Op 18 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Argentinië en het Verenigd Koninkrijk hebben op 11 december 1990 een bilateraal investeringsverdrag gesloten met als titel “ Agreement between the government of the United Kingdom (…) and the government of the republic of Argentina for the promotion and protection of investments ” (hierna: het BIT). Het BIT is gesloten om investeringen van ondernemers van de ene verdragsluitende staat op het grondgebied van de andere verdragsluitende staat te stimuleren. In het BIT is onder meer het volgende opgenomen: “ Article 2. Promotion and Protection of Investment (1) Each Contracting Party shall encourage and create favourable conditions for investors of the other Contracting Party to invest capital in its territory, and, subject to its right to exercise powers conferred by its laws, shall admit such capital. (2) Investments of investors of each Contracting Party shall at all times be accorded fair and equitable treatment and shall enjoy protection and constant security in the territory of the other Contracting Party. Neither Contracting Party shall in any way impair by unreasonable or discriminatory measures the management, maintenance, use, enjoyment or disposal of investments in its territory of investors of the other Contracting Party. Each Contracting Party shall observe any obligation it may have entered into with regard to investments of investors of the other Contracting Party. (…) Article 8. Settlement of Disputes between an Investor and the Host State (1) Disputes with regard to an investment which arise within the terms of this Agreement between an investor of one Contracting Party and the other Contracting Party, which have not been amicably settled shall be submitted, at the request of one of the Parties to the dispute, to the decision of the competent tribunal of the Contracting Party in whose territory the investment was made. (2) The aforementioned disputes shall be submitted to international arbitration in the following cases: (a) if one of the Parties so requests, in any of the following circumstances: (i) where, after a period of eighteen months has elapsed from the moment when the dispute was submitted to the competent tribunal of the Contracting Party in whose territory the investment was made, the said tribunal has not given its final decision; (ii) where the final decision of the aforementioned tribunal has been made but the Parties are still in dispute; (b) where the Contracting Party and the investor of the other Contracting Party have so agreed. (…) (4) The arbitral tribunal shall decide the dispute in accordance with the provisions of this Agreement, the laws of the Contracting Party involved in the dispute, including its rules on conflict of laws, the terms of any specific agreement concluded in relation to such an investment and the applicable principles of international law. The arbitration decision shall be final Tussen ICS en Argentinië is een geschil ontstaan over het antwoord op de vraag of Argentinië had voldaan aan al haar betalingsverplichtingen jegens ICS: - ICS was van oordeel dat Argentinië ten onrechte een 10% ‘ fee cap’ had gehanteerd; - ICS maakte aanspraak op betaling van de overeengekomen vergoeding in dollars, op basis van de door ICS in dollars opgemaakte facturen; - ICS stelde dat op haar facturen ten onrechte op basis van het onder 2.5. genoemde presidentiële decreet 13% in mindering is gebracht; - ICS heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van door haar gestelde additionele werkzaamheden die ICS tussen juni 1999 en juli 2001 heeft verricht. 2.9. In 2002 heeft ICS een bestuursrechtelijke vordering tot betaling van de openstaande facturen ingediend. Na het uitblijven van een oplossing heeft ICS in 2004 een aanvullende bestuursrechtelijke vordering ingediend. Tussen december 2006 en april 2007 hebben Argentinië en ICS getracht een schikking te treffen. 2.10. Op 9 juni 2009 is ICS een eerste arbitrageprocedure op grond van het BIT begonnen. Argentinië deed in deze procedure een beroep op de onbevoegdheid van de arbiters. De arbiters verklaarden zich onbevoegd van de vorderingen van ICS kennis te nemen omdat ICS haar vorderingen op grond van artikel 8 lid 2 onder a (i) van het BIT eerst aan de bevoegde Argentijnse rechter had moeten voorleggen, hetgeen niet was gebeurd. Vervolgens heeft ICS in februari 2012 haar vorderingen voorgelegd aan de bevoegde Argentijnse rechtbank. Toen deze niet binnen achttien maanden had geoordeeld, heeft ICS op 21 juli 2014 een tweede arbitrageprocedure aanhangig gemaakt. 2.11. Argentinië heeft ook in deze tweede arbitrageprocedure een bevoegdheidsincident opgeworpen. Partijen hebben hierover stukken gewisseld, laatstelijk op 20 oktober 2016. De arbiters hebben zich vervolgens bij arbitraal tussenvonnis van 8 juli 2019 (hierna: het arbitrale tussenvonnis) bevoegd verklaard van de vorderingen van ICS kennis te nemen. 2.12. Argentinië en ICS hebben verder geprocedeerd, waarbij zij schriftelijke conclusies hebben uitgewisseld en zich mondeling hebben uitgelaten, laatstelijk op 14 april 2021. Bij arbitraal eindvonnis van 29 april 2024 (hierna: het arbitrale eindvonnis) hebben de arbiters Argentinië veroordeeld om aan ICS een bedrag van USD 9.707.398,51 te betalen, te vermeerderen met 12,8% samengestelde rente per jaar vanaf de data van de diverse door ICS gestuurde facturen. 2.13. Het arbitrale eindvonnis is, in verband met een duidelijke rekenfout, op 12 juli 2024 verbeterd, waarbij het door Argentinië aan ICS te betalen bedrag is aangepast naar USD 9.661.390,80. 2.14. Na de verbetering is het arbitrale eindvonnis op 23 juli 2024 gedeponeerd bij de rechtbank Den Haag. Hierna worden het arbitrale tussenvonnis en het arbitrale eindvonnis tezamen de arbitrale vonnissen genoemd. 3 Het geschil 3.1. Argentinië vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. primair de vernietiging van de arbitrale vonnissen; II. subsidiair de gedeeltelijke vernietiging van het arbitrale eindvonnis voor zover daarin een veroordeling is vervat rente te betalen; III. de veroordeling van ICS tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten. 3.2. Argentinië legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt zodat de arbitrale vonnissen op de voet van artikel 1065 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (oud) vernietigd moeten worden. Argentinië voert daartoe het volgende aan. In de Overeenkomst is een exclusief forumkeuzebeding opgenomen voor de rechter in Argentinië en er is geen (daarvan afwijkende) overeenstemming bereikt over arbitrage. De bepaling in het BIT uit 1990 en het inroepen daarvan door ICS in 2014 in het kader van haar vermeende vordering op Argentinië kan niet worden gezien als het bereiken van overeenstemming over arbitrage. Het BIT houdt een algemeen aanbod in dat dateert van ruimschoots vóór het moment Bij de beoordeling van de vraag of de arbiters bevoegd waren van de vorderingen van ICS kennis te nemen, is van belang dat niet in geschil is dat ICS een ‘ Investor’ is en dat sprake is van een ‘ Investment ’ in de zin van het BIT. ICS is namelijk een onderneming uit het Verenigd Koninkrijk die een overeenkomst sloot met financiële verplichtingen op het grondgebied van Argentinië . Argentinië heeft zich met het BIT als verdragsluitende staat verbonden om dergelijke investeerders bepaalde bescherming te bieden, ook voor wat betreft de nakoming van verbintenissen uit door hen gesloten overeenkomsten. Zo bepaalt artikel 2 lid 2 van het BIT onder meer dat “ Each Contracting Party shall observe any obligation it may have entered into with regard to investments of investors of the other Contracting Party. ” 4.5. In dit geval was de Overeenkomst de basis voor de investering van ICS, waarbij Argentinië zelf ook partij was, namelijk Mecon, haar ministerie van economische zaken. Het is van belang om in dat verband Argentinië als verdragsstaat bij het BIT te onderscheiden van Argentinië als contractspartij van ICS. Argentinië als contractspartij van ICS moest haar verplichtingen uit de Overeenkomst nakomen en Argentinië als verdragsstaat moest de in het BIT beschreven bescherming aan ICS bieden. Tot dat laatste behoort op grond van artikel 2 lid 2 van het BIT onder andere de verplichting om haar verplichtingen onder de Overeenkomst na te komen. Oordeel arbiters 4.6. ICS heeft in de arbitrale procedure gesteld dat Argentinië haar verplichtingen onder het BIT heeft geschonden. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op de tekortkomingen van Argentinië onder de Overeenkomst, maar ook op andere voor haar nadelige handelingen van Argentinië zoals de noodwet en het presidentiële decreet (zie onder 2.6.) die volgens ICS schendingen van het BIT door Argentinië vormen. 4.7. De arbiters hebben overwogen dat zij voor wat betreft hun bevoegdheid ‘ prima facie ’ moeten beoordelen of de vorderingen van ICS zijn gebaseerd op schendingen van het BIT. Dit houdt volgens de arbiters in dat zij moeten beoordelen of de door ICS gestelde feiten een schending van het BIT kunnen betreffen. Om bevoegdheid aan te kunnen nemen is niet nodig dat de gestelde feiten in deze fase ook worden bewezen en/of dat wordt beoordeeld of daadwerkelijk sprake is van schendingen van het BIT . De arbiters sluiten hierbij, naar eigen zeggen, aan bij andere gelijksoortige arbitrages. De rechtbank volgt de arbiters hierin. Voor de beoordeling van de bevoegdheid kan worden volstaan met beoordeling van de vraag of de vorderingen op het BIT zijn gebaseerd. 4.8. De arbiters hebben beoordeeld of ICS een beroep heeft gedaan op artikel 2 lid 2 van het BIT. Daarbij hebben de arbiters een onderscheid gemaakt tussen (i) de bezwaren van ICS gericht tegen acties van Argentinië in haar hoedanigheid van soevereine staat, zoals de noodwet en het presidentiële decreet, en (ii) het verwijt van ICS dat Argentinië als contractspartij van het BIT de verplichtingen onder de Overeenkomst niet is nagekomen. In paragraaf 330 van het arbitrale tussenvonnis hebben de arbiters in algemene termen als volgt overwogen: “ The Claimant’s [noot Rechtbank: ICS] claims meet the “prima facie” test because the Claimant seeks relief on the basis of Article 2(2) of the Treaty [noot Rechtbank: het BIT] . Furthermore, the Claimant’s claims, with the exception of one category of claims, by their nature can only be based on the Treaty. This is so because these claims relate to norms enacted by Argentina or decisions issued by Argentina. As such these are sovereign measures. They are either applicable to, and may therefore affect, the Claimant’s rights and obligations under the Contract or they are not. Such measures are not, however, governed by the Contract. The exception consists in the claims based on the Umbrella Clause, which will be discussed below. ” 4.9. Vervolgens hebben de arbiters voor wat betreft de verschillende asp Agreements to arbitrate typically define the scope of arbitral jurisdiction by reference to a substantive legal relationship, here the relationship created by the Treaty between the host State and the investor. In that sense, an agreement to arbitrate is accessory to a defined substantive relationship. Any disputes between the Parties about their rights and obligations arising out of this substantive relationship, here the Treaty, are subject to the Treaty arbitral jurisdiction . 322. Article 23 of the Contract provides for the exclusive jurisdiction of Argentinian Courts for disputes about rights arising out of the Contract within the meaning of Article 23. Its scope is thus limited to contractual claims. Article 23 does not exclude arbitral jurisdiction under the Treaty for treaty claims under international law, which Article 23 does not even mention. Rights under the Treaty are not “deriving from the Contract”. The same applies a fortiori to choice of jurisdiction provisions in tender documents, as they relate to matters of the Contract and were superseded by the Contract. ” 4.13. In het BIT dat in 1990 is gesloten tussen het Verenigd Koninkrijk en Argentinië is een arbitrageclausule opgenomen. Op het moment dat ICS de arbitrage in 2014 aanhangig heeft gemaakt, heeft zij van het in het BIT gedane aanbod tot arbitrage door de staat Argentinië gebruik gemaakt. Aan de hand van het internationaal publiekrecht en de daarop gebaseerde maatstaven geformuleerd in uitspraken van internationale scheidsgerechten moet worden bepaald of ICS door in de Overeenkomst een forumkeuze voor de Argentijnse rechtbank op te nemen ten aanzien van geschillen tussen haar en de contractspartij Argentinië die “ derivados del presente contrato ” dan wel ”may arise from this contract ” dan wel “ voortvloeien uit deze overeenkomst ” afstand heeft gedaan van de in het BIT opgenomen mogelijkheid tot arbitrage voor geschillen jegens de staat Argentinië die zijn gebaseerd op het BIT. De arbiters hebben in paragraaf 322 overwogen dat artikel 23 van de Overeenkomst arbitrage voor vorderingen gebaseerd op het BIT en daarmee op internationaal recht niet uitsluit . Door vervolgens te oordelen dat de vorderingen van ICS zijn gebaseerd op het BIT hebben zij zich terecht bevoegd verklaard van de vorderingen van ICS kennis te nemen. Dit is in overeenstemming met internationaal publiekrecht en uitspraken van internationale scheidsgerechten. 4.14. De rechtbank verwijst in dit kader naar het advies van de PG van 14 november 2025 inzake bilaterale investeringsverdragen waarin de PG overweegt dat de meeste BIT’s voorzien in de mogelijkheid van arbitrage en dat de ratio daarvan van oudsher was dat investeerders voor rechtsbescherming tegen maatregelen van de gaststaat niet afhankelijk mochten zijn van gerechten van dat land maar terecht moesten kunnen bij een onafhankelijke en onpartijdige instantie. Een verdragsrechtelijk arbitragebeding zoals in BIT’s vormt een (open) aanbod tot arbitrage door de gaststaat. De overeenkomst tot arbitrage komt tot stand door aanvaarding van dat aanbod door een investeerder uit de andere verdragsstaat. Met dit open aanbod tot arbitrage heeft een verdragsstaat zich ertoe verbonden de bevoegdheid van een scheidgerecht te aanvaarden en daarmee de bevoegdheid van de eigen overheidsrechter prijs te geven. In de praktijk wordt de arbitrageregeling gezien als een kernelement van een BIT. 4.15. Dat de arbiters in paragraaf 322 van het arbitraal vonnis nauwelijks ingaan op de bewoordingen van artikel 23 van de Overeenkomst acht de rechtbank niet van belang. Het gaat er immers om of in artikel 23 van de Overeenkomst de mogelijkheid van arbitrage onder het BIT uitdrukkelijk is uitgesloten. Dat is niet geval. Dit betekent dat de rechtbank niet hoeft in te gaan op de bezwaren van Argentinië tegen de door de arbiters gebruikte Engelse vertaling van artikel 23 van de Overeenkomst. Evenmin hoeft de rechtbank in te gaan op de uitleg van de forumkeuzeclausu Voorts ziet de vordering op vermeende wanprestatie van Argentinië onder de Overeenkomst en de Overeenkomst wordt beheerst door Argentijns recht. Ook indien in de Overeenkomst geen rechtskeuze was gemaakt, zou op de Overeenkomst volgens de regels van het internationale privaatrecht Argentijns recht van toepassing zijn. Dat Argentijns recht van toepassing is op de Overeenkomst, concluderen ook de arbiters. Omdat de Overeenkomst geen bepalingen bevat over rente, moet worden teruggevallen op nationale Argentijnse wet- en regelgeving over rente. Voor zover artikel 8 lid 4 van het BIT ook verwijst naar beginselen van internationaal recht gaat het hierbij vermoedelijk om algemeen erkende beginselen als bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof (IGH). Beginselen die in de meeste, zo niet alle nationale rechtsstelsels worden erkend, zoals bijvoorbeeld dat overeenkomsten moeten worden nagekomen: pacta sunt servanda. 4.25. Bij het bepalen van de rente hebben de arbiters volgens Argentinië niet het Argentijnse recht toegepast maar zich gebaseerd op eigen opvattingen over het internationale recht. Zij hebben voor het door hen bepaalde rentepercentage van 12,8% aangeknoopt bij de rente die Argentinië betaalde op staatsobligaties en die was over de betreffende periode veel hoger dan de wettelijke rente in Nederland of in Argentinië. Voorts hebben de arbiters samengestelde rente toegewezen, terwijl naar Argentijns recht – zoals de arbiters zelf ook hebben overwogen – alleen enkelvoudige rente wordt toegewezen. Daarbij gaat het om dwingende bepalingen waarvan niet kan worden afgeweken en die van openbare orde worden geacht. Ook naar internationaal recht is het gebruik van samengestelde rente zeer omstreden. Welke beginselen van internationaal recht de arbiters bij het bepalen van de rente hebben toegepast, hebben zij niet toegelicht, aldus nog steeds Argentinië. Oordeel rechtbank 4.26. De arbiters hebben in het arbitrale eindvonnis geoordeeld dat de vraag hoeveel rente Argentinië verschuldigd is, moet worden beoordeeld naar internationaal recht . Waar Argentinië stelt dat de arbiters Argentinië hebben veroordeeld tot betaling van openstaande bedragen onder de Overeenkomst, miskent Argentinië dat de arbiters uitdrukkelijk hebben overwogen dat Argentinië de schade moet vergoeden die ICS heeft geleden als gevolg van de schending door Argentinië van haar verplichtingen onder de Umbrella Clause van het BIT. Dat de tekortkomingen van Argentinië ook kwalificeren als tekortkomingen onder de Overeenkomst, betekent niet dat van een schending van het BIT geen sprake is. 4.27. Gelet op de inhoud van artikel 8 lid 4 van het BIT konden de arbiters Argentijns recht, de Overeenkomst en internationaal publiek recht toepassen. Het BIT schrijft niet voor dat de arbiters alleen Argentijns recht konden toepassen voor de vraag of en hoeveel rente was verschuldigd bij toewijzing van schadevergoeding op grond van het BIT. Door de hoogte van de verschuldigde rente over de schadevergoeding voor haar schendingen van het BIT te bepalen aan de hand van internationaal publiek recht hebben de arbiters hun opdracht dan ook niet geschonden. 4.28. Argentinië lijkt dit overigens ook te erkennen waar ze in de dagvaarding schrijft dat de arbiters naast de nationale wet- en regelgeving ook acht mochten slaan op beginselen van internationaal recht en dat er een rechtsbeginsel bestaat dat schade volledig moet worden vergoed. Aldus laat Argentinië ook de mogelijkheid open dat de arbiters internationaal publiekrecht toepassen. Argentinië lijkt te impliceren dat de arbiters niet het juiste internationale publiekrecht hebben toegepast, waar ze schrijft dat toepassing van het internationale recht er niet toe kan leiden dat duidelijke regels van nationaal recht terzijde worden geschoven, maar daarbij miskent Argentinië dat de rechtbank niet kan oordelen over de wijze van toepassing van de door de arbiters gehanteerde maatstaf. 4.29. Voorts geldt nog het volg Dat het gaat om een – ook ten tijde van het arbitrale eindvonnis al – hoog bedrag aan rente, is niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de toegepaste rente ondanks de overwegingen van de arbiters punitief van aard was. Argentinië baseert die conclusie op haar stelling dat de rente excessief is en in geen verhouding staat tot de daadwerkelijk geleden schade. De juistheid van het oordeel van de arbiters over de hoogte van de schade (en dat met de toegewezen rente de daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed) ligt in deze procedure echter niet ter beoordeling voor. Dat zou neerkomen op een – verkapt – hoger beroep. De rechtbank gaat daarom aan die stelling van Argentinië voorbij. 4.34. Argentinië heeft nog gesteld dat de arbiters ICS ten onrechte hebben gelijkgesteld aan een obligatiehouder en vervolgens ten onrechte hebben geoordeeld dat een obligatiehouder recht zou hebben op een rente van 12,8%. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Argentinië nog betoogd dat de obligatiehouders, met wie de arbiters ICS vergelijken, door Argentijnse maatregelen nooit een rente betaald hebben gekregen van 12,8%. Ook heeft ze erop gewezen dat naar internationaal publiekrecht de toewijzing van samengestelde rente de uitzondering is. Voor zover Argentinië met deze en ook andere stellingen heeft bedoeld aan de rechtbank voor te leggen dat de schade die ICS heeft geleden niet het door de arbiters vastgestelde bedrag is, gaat de rechtbank ook hieraan voorbij. Hoeveel schade ICS heeft geleden en of de oordelen en overwegingen van de arbiters daarover juist zijn, gaat het toetsingskader van deze procedure te buiten. Het is niet aan de rechtbank om te oordelen of de arbiters een inhoudelijk juiste beslissing hebben genomen. 4.35. Ook overigens merkt de rechtbank ten overvloede op dat de wettelijke handelsrente in Nederland op dit moment 10,15% bedraagt en dat dit een samengestelde rente is. Voorts is, in het kader van een ambtshalve toetsing van consumentencontracten, een samengestelde rente pas bij een hoogte van meer dan 14% onaanvaardbaar. In het licht hiervan is niet zonder meer duidelijk dat een samengestelde rente van 12,8% zo excessief is dat sprake is van strijdigheid met dwingend Nederlands recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd. Conclusie ten aanzien van de rente 4.36. De bezwaren van Argentinië tegen de door de arbiters vastgestelde rente leiden niet tot een (gedeeltelijke) vernietiging van het arbitrale eindvonnis. Conclusie 4.37. De slotsom is dat de vorderingen van Argentinië moeten worden afgewezen. 4.38. Argentinië is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ICS worden begroot op: - griffierecht € 688 - salaris advocaat € 9.262 (2 punten × € 4.361 – tarief VIII) - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 10.139 4.39. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt Argentinië in de proceskosten van € 10.139, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met 98 plus de kosten van betekening als Argentinië niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. veroordeelt Argentinië in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes, mr. P. Dondorp en mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395 en HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1593. Artikel 1 BIT onder a onder (iii): claims to money which are directly related to a specific investment or to any performance under