Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:3085
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,039 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:3085 text/xml public 2026-02-27T15:27:21 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-19 AWB 25/4024 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3085 text/html public 2026-02-27T15:26:45 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3085 Rechtbank Den Haag , 19-01-2026 / AWB 25/4024 Beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning, beroep ongegrond. De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat van dat de aanvraag van eiseres kan worden aangemerkt als een aanvraag voor verlenging van haar verblijfsvergunning, nu het gaat om een vergunning met hetzelfde verblijfsdoel als eiseres eerder had. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de vergunning heeft verleend met ingang van 1 juni 2024, nu eiseres op die datum pas voldeed aan de voorwaarden. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/4024 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres (gemachtigde: [naam 1]), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F. van Zanden). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de ingangsdatum van de haar verleende verblijfsvergunning. 1.1. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor een reguliere verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘arbeid als kennismigrant’ met het besluit van 13 mei 2024 ingewilligd en de vergunning verleend met als ingangsdatum 1 juni 2024. Met het bestreden besluit van 22 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder is bij dezelfde ingangsdatum gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij aanwezig, bijgestaan door [naam 2]. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder waren ook aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Kameroense nationaliteit. Eiseres is eerder in het bezit geweest van een vergunning voor arbeid als kennismigrant. Deze vergunning liep af op 1 april 2024. Eiseres is op 12 februari 2024 in dienst getreden bij SoluForce B.V. (Soluforce). Na de aanvang van haar dienstverband is gebleken dat SoluForce niet geregistreerd stond als erkend referent. Op 24 april 2024 is namens eiseres daarom een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor arbeid als kennismigrant bij erkend referent Randstad Payroll Solutions. Op de aanvraag van eiseres is aangegeven dat zij per 1 juni 2024 werkzaam is bij Randstad Payroll Solutions en verweerder heeft die datum aangehouden als ingangsdatum van haar verblijfsvergunning. Daardoor is een verblijfsgat ontstaan van 1 april 2024 tot 1 juni 2024. Verweerder heeft SoluForce bij beslissing van 4 juni 2024 geregistreerd als erkend referent. 2.1. Verweerder heeft de ingangsdatum van de nieuwe vergunning gesteld op 1 juni 2024, omdat eiseres niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij voor die datum aan de daarvoor geldende voorwaarden heeft voldaan. Dat eiseres haar werkgever verantwoordelijk houdt voor het tijdig indienen van de aanvraag, maakt niet dat van het beleid wordt afgeweken. Eiseres is ook zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de gestelde voorwaarden en nalatigheid komt voor rekening van eiseres zelf. Dat eiseres hierdoor pas later in aanmerking zal komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie is volgens vaste jurisprudentie niet onevenredig. Er is in het geval van eiseres geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en de aanvraag toch in te willigen. Wat vindt eiseres in beroep? 3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eiseres. Zo heeft eiseres tijdig een nieuwe baan gevonden, mocht zij erop vertrouwen dat haar werkgever de aanvraag correct en tijdig zou indienen en heeft zij proactief gehandeld door navraag te doen bij haar werkgever over de verlenging van haar vergunning. Eiseres heeft in dit kader verschillende documenten overgelegd. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 4:84 van de Awb. De gevolgen van het ontstane verblijfsgat zijn onevenredig, nu eiseres wordt benadeeld in toekomstig verblijfsrecht. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 5. Uit vaste jurisprudentie volgt dat verweerder bij een aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning die wordt ingediend na afloop van de vergunning, de bevoegdheid heeft om de vergunning in te willigen met een aansluitende ingangsdatum. Bij een aanvraag voor een nieuwe verblijfsvergunning heeft verweerder niet de ruimte om deze in te willigen met een ingangsdatum die vóór de datum van de aanvraag ligt. De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat van dat de aanvraag van eiseres kan worden aangemerkt als een aanvraag voor verlenging van haar verblijfsvergunning, nu het gaat om een vergunning met hetzelfde verblijfsdoel als eiseres eerder had. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres ook beoordeeld als verlengingsaanvraag en ter zitting is dit door verweerder desgevraagd niet weersproken. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de vergunning heeft verleend met ingang van 1 juni 2024, nu eiseres op die datum pas voldeed aan de voorwaarden. Op de aanvraag die namens eiseres is ingediend, stond aangegeven dat zij per 1 juni 2024 in dienst trad van Randstad Payroll Solutions. Ook was SoluForce pas op 1 juni 2024 erkend als referent. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat de individuele omstandigheden van eiseres niet maken dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning onevenredig is. De rechtbank ziet wel dat SoluForce met de e-mail van 21 december 2023 tot op een zekere hoogte bij eiseres het vertrouwen had gewekt dat het goed zou komen met de vergunning, maar dat doet niet af aan de verantwoordelijkheid van eiseres om op de hoogte te zijn van en te voldoen aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning. Op het moment dat eiseres in dienst trad bij SoluForce, had zij kunnen weten dat SoluForce geen erkend referent was door het openbaar register voor erkend referenten te raadplegen. De rechtbank begrijpt dat het ontstane verblijfsgat voor eiseres nadelig is, maar overweegt dat de gevolgen hiervan niet onevenredig zijn. Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat de omstandigheid dat eiseres door het ontstane verblijfsgat pas op een later moment in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en kan nationaliseren, niet onevenredig is in verhouding tot de doelen die de wetgever beoogde met het stellen van voorwaarden voor een verblijfsvergunning. De niet-onderbouwde stelling van eiseres dat een medewerker van de IND telefonisch aan SoluForce zou hebben vermeld dat eiseres als werknemer kon blijven werken totdat het proces was afgerond en de erkenning was verleend, maakt het voorgaande niet anders. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.