Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:3020
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.19126 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Kanters). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, maar dat wel sprake is van een gebrek in de voorbereiding van de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank vernietigt daarom het besluit, maar bepaalt ook dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiser in Sri Lanka ten onrechte wordt verdacht van een verkeersongeluk. De minister kan ook tot de conclusie komen dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of komt te staan. Verder is de uitzetting van eiser niet in strijd met het recht op eerbiediging van zijn gezinsleven en heeft eiser ook geen recht om bij zijn (stief)kinderen in Nederland te verblijven op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2). Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank (3-12). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie en de gevolgen van die conclusie (13). Procesverloop 2. Eiser heeft op 22 februari 2022 een asielaanvraag ingediend. 2.1. De minister heeft op 21 oktober 2024 een voornemen uitgebracht. Eiser heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 18 november 2024. 2.2. Eiser heeft op 2 februari 2025 de minister in gebreke gesteld omdat de minister nog niet op de asielaanvraag had beslist. Op 24 april 2025 heeft eiser vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. 2.3. Met een nieuw voornemen van 22 mei 2025 heeft de minister het eerdere voornemen ingetrokken. Eiser heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 19 juni 2025. 2.4. De minister heeft vervolgens met het bestreden besluit van 15 juli 2025 alsnog op de asielaanvraag beslist en de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.5. Eiser heeft op 30 juli 2025 tegen het bestreden besluit beroepsgronden ingediend. 2.6. De minister heeft op 12 september 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.7. Eiser heeft op 23 september 2025 op het verweerschrift gereageerd. 2.8. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiser nog een belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen? 3. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat de minister in beroep alsnog op de asielaanvraag van eiser heeft beslist. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag is daarom niet-ontvankelijk. Wel heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten, omdat de minister niet tijdig heeft beslist en het indienen van het beroep daarom terecht was. 3.1. Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat dit beroep ook is gericht tegen het besluit van 15 juli 2025. De rechtbank zal dit besluit daarom hierna toetsen aan de hand van gronden die eiser daartegen heeft aangevoerd. Het asielrelaas 4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en behoort tot de Tamil-bevolkingsgroep. In januari 2017 was hij getuige van een verkeersongeluk waarbij een persoon is overled Artikel 3.119 van het Vb 2000 is een procedurele zorgvuldigheidseis die ertoe strekt dat, als één van de in dat artikel genoemde omstandigheden zich voordoet, een nieuw voornemen wordt uitgebracht om te voorkomen dat een vreemdeling in het uiteindelijke besluit wordt overvallen door nieuwe feiten of door een nieuwe weging of beoordeling zonder dat hij - voordat dat besluit is genomen - daarop heeft kunnen reageren. Uit paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat alleen een nieuw voornemen wordt uitgebracht als het eerder uitgebrachte voornemen niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning asiel bevat. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister een nieuw voornemen had moeten uitbrengen, omdat het voornemen van 25 mei 2025 niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning bevatte. In zoverre is sprake van een gebrek in de besluitvorming. Wat betreft de beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM heeft de minister in het bestreden besluit uiteindelijk wél een belangenafweging opgenomen. Deze motivering was eiser ook bekend omdat het dezelfde motivering is als die was opgenomen in het ingetrokken voornemen van 21 oktober 2024. De minister heeft in het verweerschrift van 12 september 2025 de belangenafweging verder toegelicht. Eiser heeft bovendien in het beroepschrift, in de aanvullende beroepsgronden, in de reactie op het verweerschrift én ter zitting de gelegenheid gehad om op deze belangenafweging te reageren. De gemachtigde van eiser heeft ook niet verder toegelicht waarvoor meer tijd nodig was. Dat geldt ook voor de beoordeling of sprake is van een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft uiteindelijk inhoudelijk beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden van dit verblijfsrecht en eiser is in de gelegenheid geweest daartegen gronden aan te voeren. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Strijd met Unierecht 7. Eiser betoogt dat de wijze waarop de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas is beoordeeld, in strijd is met het Unierecht. Hij verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond die aan het Hof van Justitie zijn gesteld. Volgens eiser heeft de minister, in afwachting van de beantwoording van deze vragen, niet op zorgvuldige wijze op de aanvraag kunnen beslissen. 7.1. Eisers betoog dat de door de minister toegepaste, en in WI 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het nieuwe beleid met onmiddellijke ingang van toepassing is en oordeelt dat de minister het bestreden besluit in lijn met het nieuwe beleid – WI 2024/6 - mocht nemen. Het uitgangspunt is in het bestuursrecht immers dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende beleid. Dat kan anders zijn als er sprake is van overgangsrecht of als dat uit (andere) wetgeving volgt, maar dat is voor WI 2024/6 niet het geval. De minister heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat niet uitsluitend het ontbreken van documenten tot de ongeloofwaardigheid van het tweede asielmotief heeft geleid, maar dat ook de landeninformatie en verklaringen van eiser in deze beoordeling zijn betrokken. De minister heeft kunnen overwegen dat er geen andere voorwaarden zijn tegengeworpen aan eiser, dus dat hij niet in een nadeliger positie is gekomen dan bij toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals bedoeld in de eerdere WI 2014/10. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie af te wachten. Acht de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser ten onrechte verdachte i Niet valt in te zien dat met zo’n terugverwijzing sprake is van een cirkelredenering. Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of komt te staan? 9. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of bij terugkeer zal komen te staan. Politieke activiteiten in Europa en na terugkeer in Sri Lanka 9.1. Eiser voert aan dat de minister een onjuiste uitleg geeft aan de term ‘prominent’ die in het Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024 (thematisch ambtsbericht) wordt gebruikt. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat hiermee wordt bedoeld burgers die openlijk uiting geven aan hun streven naar een onafhankelijke staat voor de Tamils (Tamil Eelam). Alle personen en organisaties die streven naar een Tamil Eelam, zoals ook eiser, worden door de Sri Lankaanse autoriteiten gezien als een bedreiging en zijn strafbaar op grond van de Prevention of Terrorism Act (PTA). Er is sprake van groepsvervolging van personen die een onafhankelijke staat nastreven en kritiek uiten op de regering, en eiser behoort tot deze groep. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een e-mail (rapport) van VluchtelingenWerk Nederland. Eiser neemt in Nederland deel aan demonstraties en herdenkingen van het Tamil Forum en het TCC, zijnde organisaties die streven naar een Tamil Eelam en die in Sri Lanka in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Hij doet dat zowel fysiek als via sociale media. Volgens eiser blijkt uit het thematisch ambtsbericht dat Tamils die zich inzetten voor Tamil Eelam of deelnemen aan herdenkingsactiviteiten onder verhoogde aandacht staan en dat ook activisten risico lopen op arrestatie of mishandeling. Daarbij verwijst eiser naar voorbeelden van personen die vanwege het gebruik van symbolen of uiten van berichten op sociale media zijn opgepakt. Nu het TCC in Sri Lanka als verboden organisatie geldt en de Nederlandse afdeling daarvan in mei 2025 eveneens verboden is verklaard, vreest eiser dat zijn betrokkenheid daarbij hem bij terugkeer verdacht maakt van terroristische sympathieën. Omdat hij op foto- en videomateriaal van bijeenkomsten zichtbaar is en voornemens is zich ook in Sri Lanka politiek uit te spreken en symbolen te gebruiken, heeft hij volgens hem te vrezen voor vervolging of loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft de risico’s in dit verband volgens eiser onvoldoende onderzocht en ten onrechte niet alle landeninformatie in de beoordeling betrokken. Hierbij is nog relevant dat uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat de omvang van de publieke voetafdruk van de gebruiker van sociale media niet doorslaggevend is. Dat de minister stelt dat eiser in Nederland geen concrete problemen heeft ondervonden miskent dat eiser in Nederland onder bescherming van de Nederlandse autoriteiten staat en dat het erom gaat of hij bij terugkeer in Sri Lanka wordt vervolgd vanwege zijn politieke overtuiging. Twijfel hierover mag niet in eisers nadeel worden uitgelegd. 9.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat zij over de positie van (terugkerende) Tamils in Sri Lanka recentelijk meerdere uitspraken heeft gedaan. Uit deze uitspraken volgt, steeds met verwijzing naar het thematisch ambtsbericht, dat de situatie voor Tamils in Sri Lanka verbetert en dat in toenemende mate ruimte ontstaat voor (discussies over) Tamilherdenkingen en demonstraties. Het uitsluitend verlangen naar of het uitspreken van de wens om een Tamil Eelam leidt niet onmiddellijk tot vervolging. Het tonen van symbolen van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) is nog wel steeds problematisch en kan in sommige gevallen tot arrestatie en/of kortdurende detentie leiden. Verder worden Tamils in binnen- en buitenland tot op zekere hoogte door de Sri Lankaanse autoriteit De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eiser bij aankomst op de luchthaven niet in een zodanig negatieve belangstelling komt te staan dat hij voor vervolging heeft te vrezen. Daarbij is allereerst van belang dat, zo heeft de minister terecht gesteld, uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat de gezichtsherkenningstechnologie op de luchthaven wordt ingezet om criminelen te herkennen en dat er geen aanwijzingen zijn dat de technologie ook wordt ingezet om Tamils te herkennen die zich in het buitenland voor de Tamilzaak hebben ingezet. Dat neemt niet weg dat, en dat voert eiser op zichzelf genomen terecht aan, de Sri Lankaanse autoriteiten op de luchthaven ondervragingen uitvoeren met het oog op criminele antecedenten en activiteiten in het buitenland, bijvoorbeeld activiteiten voor Tamilorganisaties. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld (zie onder 9.3) dat niet aannemelijk is dat eiser door zijn politieke overtuiging of activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. In het verlengde daarvan is het ook niet aannemelijk dat eiser op de luchthaven door de autoriteiten zal worden ondervraagd. Dat de activiteiten voor een Tamil Eelam (ook) vallen onder de PTA en als zodanig strafbaar zijn maakt dat oordeel niet anders. Voor zover eiser bij aankomst op de luchthaven zal opvallen en zal worden ondervraagd, wijst de minister er terecht op dat het gelet op het thematisch ambtsbericht aannemelijk is dat eiser de luchthaven na die ondervraging zal mogen verlaten. Ook de verwijzing naar het artikel in de Sunday Observer maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu het thematisch ambtsbericht vermeldt dat er geen aanwijzingen zijn dat gezichtsherkenning systematisch wordt ingezet om diaspora-activisten te identificeren. Omdat elke zaak volgens UNHCR individueel moet worden beoordeeld en dat daarbij de aanwezigheid van littekens van belang is, heeft de minister ook eisers zaak ook met het oog daarop individueel beoordeeld. Eiser heeft littekens. De aanwezigheid van littekens is in het verleden, naar verluidt, door de autoriteiten opgevat als een aanwijzingen dat de betreffende persoon voor de LTTE had gevochten. Eiser heeft in het aanvullend gehoor verklaard geen lid te zijn geweest van LTTE en ook dat niemand uit zijn familie lid is geweest van LTTE. De minister hoeft daarom niet aan te nemen dat de mogelijke extra aandacht bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade voor eiser oplevert. Overigens wordt in het thematisch ambtsbericht ook vermeld dat de meeste in 2024 geraadpleegde bronnen bevestigden dat, voor zover bekend, in recente jaren terugkerende personen niet werden gecontroleerd op de aanwezigheid van littekens of tatoeages. Conclusie over deze beroepsgrond 9.6. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of bij terugkeer komt te staan. Is de uitzetting van eiser in strijd met het recht op respect voor gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM? 10. Eiser betoogt dat aan hem ten onrechte verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM en humanitaire gronden is geweigerd. Daartoe voert hij het volgende aan. Bij de beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM én bij toetsing aan humanitaire gronden moet worden meegewogen dat eisers privé- en gezinsleven zich in Nederland verder heeft kunnen ontwikkelen, omdat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Hierdoor is er vanaf het moment van indiening van de asielaanvraag geen sprake geweest van ontwikkeling van het gezinsleven tijdens illegaal verblijf. Overigens beschermt artikel 8 van het EVRM het recht op gezinsleven ongeacht de verblijfsstatus bij aanvang van verblijf in Nederland. Dit betekent dat gezinsleven dat is ontstaan tijdens een periode van onrechtmatig ver Omdat eisers asielaanvraag ongeloofwaardig is geacht en er geen buitengewone moeilijkheden zijn aangetoond die het onmogelijk maken om het gezinsleven in Sri Lanka voort te zetten, is er geen reden waarom het familieleven niet in Sri Lanka kan worden uitgeoefend. Het enkele feit dat eisers partner en haar kinderen in Nederland een leven hebben opgebouwd, vormt geen objectieve belemmering voor het voortzetten van de relatie in Sri Lanka. 10.2. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen eiser, zijn partner en stiefkinderen, sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat de minister een belangenafweging moest maken om te beoordelen of aan eiser vanwege dat gezinsleven verblijf in Nederland moet worden toegestaan. 10.3. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) , en de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven dan wel privéleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt daarnaast dat als de vreemdeling het gezinsleven is aangegaan tijdens zijn illegale verblijf in Nederland de minister bijzondere omstandigheden mag vereisen om de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling te laten uitvallen. 10.4. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het gezinsleven zich in Nederland heeft kunnen ontwikkelen doordat de minister niet tijdig heeft beslist, zodat dit niet langer als illegaal opgebouwd gezinsleven zou moeten worden gezien. De rechtbank stelt hierbij voorop dat de minister als uitgangspunt heeft mogen nemen dat het gezinsleven is ontstaan en opgebouwd tijdens illegaal verblijf, zonder dat eiser daarvóór rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, en dat eiser bovendien twee jaar heeft gewacht met het indienen van een asielaanvraag. Dat de procedure daarna enige tijd heeft geduurd, maakt niet dat de minister de hiervoor genoemde maatstaf niet mag toepassen. Ook bij de toetsing aan humitaire gronden heeft de minister een beperkt gewicht mogen toekennen aan omstandigheden die zijn gerezen tijdens het niet rechtmatige verblijf van de eiser. 10.5. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. De minister stelt niet ten onrechte dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Sri Lanka voort te zetten, nu de partner van eiser uit Sri Lanka afkomstig is, de taal spreekt, daar familie heeft en ook tijdens de relatie naar Sri Lanka is teruggekeerd. Dat voortzetting van het gezinsleven in Sri Lanka mogelijk ontwrichtend is voor de kinderen, maakt het oordeel niet anders, omdat, zo volgt ook rechtspraak van het EHRM, dergelijke gevolgen inherent zijn aan een verhuizing en slechts in uitzonderlijke situaties doorslaggevend kunnen zijn. De minister heeft de belangen van de kinderen van de partner van eiser ook kenbaar gemotiveerd in de afweging betrokken. Uit rechtspraak van het EHRM blijkt dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de omstandigheden van de betrokken minderjarige kinderen, en dan met name hun leeftijd, hun situatie in het of de betrokken landen en de mate waarin zij afhankelijk zijn van hun ouders. De minister heeft dat gedaan door te overwegen dat de biologische vader van de kinderen buiten beeld is en eiser met het gezin samenwoont, huishoudelijke taken uitvoert en in de praktijk een vaderrol vervult. De minister heeft ook overwogen dat eisers band met de kinderen is opgebouwd in een periode waarin hij geen verblijfsrecht had, dat de kinderen grotendeels z De gemachtigde van eiser heeft verder niet concreet gemaakt waarom eiser desondanks een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez zou moeten worden verleend noch heeft zij toegelicht waarom dit standpunt van de minister in het verweerschrift onjuist zou zijn. Voor zover eiser betoogt dat zijn partner en stiefkinderen over het verblijfsrecht hadden moeten worden gehoord, volgt de rechtbank dat betoog niet. Er is geen rechtsregel die voorschrijft dat familieleden worden gehoord in het kader van de beoordeling of sprake is van een Chavez-Vilchez-verblijfsrecht. Artikel 64 van de Vw 2000 12. Eiser betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte deugdelijk onderzoek naar zijn medische situatie veronderstelt. Daartoe voert hij het volgende aan. De minister maakt in asielprocedures gebruik van het advocatenportaal als het aangewezen communicatiemiddel. Het is volgens eiser dan aan de minister om via dat kanaal aanvullende medische of andere relevante stukken op te vragen indien daartoe aanleiding bestaat. Door dit na te laten en vervolgens te concluderen dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een medische belemmering voor terugkeer, heeft de minister gehandeld in strijd met de op hem rustende onderzoeksplicht. Hierdoor is het besluit in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. 12.1. De beroepsgrond slaagt niet. Eiser betwist niet dat hij bij zijn aanvraag geen medische gegevens heeft overgelegd die voldoen aan de vereisten van paragraaf A3/7.2.4 van de Vc 2000. Deze paragraaf bepaalt dat bij een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, de daarin genoemde bewijsmiddelen worden overgelegd. De minister stelt (door eiser ook niet betwist) dat de door eiser overgelegde stukken hieraan niet voldeden: zij waren ouder dan zes maanden en bevatten onvoldoende informatie over zijn huidige medische situatie. De minister heeft daarom, zo heeft hij in het bestreden besluit toegelicht, eiser vervolgens op 7 juli 2025 in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende informatie alsnog aan te leveren en daarbij uit coulance een aanvullende termijn tot 14 juli 2025 geboden. Eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Daarmee heeft de minister mogen concluderen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een medische belemmering voor terugkeer. De rechtbank ziet, zonder nadere toelichting en die ontbreekt, geen grond voor het oordeel dat de minister zijn onderzoeksplicht heeft geschonden omdat hij via het advocatenportaal aanvullende medische of andere relevante stukken had moeten opvragen. Het lag in de eerste plaats op de weg van eiser om bewijsmiddelen zoals bedoeld in paragraaf A3/7.2.4 van de Vc 2000 aan te leveren. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op de asielaanvraag heeft beslist. Hoewel eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Het beroep is namelijk terecht ingediend. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt). De rechtbank hanteert voor het indienen van het beroep wegingsfactor 0,5. 13.1. Gelet op dat wat onder 6.3 is overwogen is het beroep gegrond. Maar onder 10-11.2 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister met zijn motivering in het bestreden besluit en het verweerschrift voldoende heeft gemotiveerd waarom de uitzetting van eiser niet in strijd is met zijn recht op respect voor het gezinsleven en dat aan eiser geen verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez toekomt. Dit brengt mee dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven. 13.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroepschri