Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:3014
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.2118 (beroep) en NL23.22365 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser), V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. B. Aydin), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Imami). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven omdat verweerder bij het handhaven van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het opleggen van het inreisverbod een actuele beoordeling had moeten maken van de gevolgen daarvan voor het belang van de kinderen en het familie- en gezinsleven van eiser. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 5 augustus 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 6 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het primaire besluit aangevuld met het opleggen van een inreisverbod. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. Verweerder heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Ook waren eisers echtgenote en twee van zijn kinderen op de zitting aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 3. Eiser is geboren op [datum 1] 1992 en heeft de Turkse nationaliteit. In 2010 is aan hem een verblijfsvergunning verleend in het kader van gezinshereniging met zijn vader, geldig tot 29 juli 2015. Op 30 juni 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend om wijziging van het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning in ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’. Deze aanvraag is op 31 december 2015 afgewezen en daarbij is de verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken. Eisers bezwaar hiertegen is door verweerder ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens eisers beroep ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Eiser heeft een verzoek tot heroverweging van het besluit van 31 december 2015 ingediend. Dit verzoek is door verweerder afgewezen. De rechtbank heeft eisers beroep hiertegen ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser in totaal zes aanvragen voor een verblijfsvergunning met het doel arbeid als zelfstandige bij ‘ [bedrijf 1] ’ ingediend. Op 5 augustus 2022 heeft eiser de hier aan de orde zijnde nieuwe aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het doel arbeid als zelfstandige bij het bedrijf ‘ [bedrijf 2] ’. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen omdat eiser niet heeft voldaan aan het documentatievereiste zoals vastgelegd in paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Om die reden heeft verweerder de aanvraag niet ter advisering aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) voorgelegd. Het ondernemingsplan van eiser voldoet namelijk niet aan de daarvoor gestelde eisen en is onvoldoende met stukken onderbouw Dit recht, dat de verwijzende rechter specifiek heeft aangeduid in zijn vierde vraag, komt overeen met het in artikel 8 EVRM verankerde recht, zodat hieraan dezelfde inhoud en reikwijdte moet worden toegekend [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C78/18, EU:C:2020:476, punt 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. 91 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 5, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2008/115 zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt zonder rekening te houden met de relevante aspecten van het familie en gezinsleven van de betrokken derdelander [arrest van punt 1048 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C82/16, EU:C:2018:308,]. Daarna heeft het Hof in de arresten Ararat en Adrar deze eerdere jurisprudentie verder uitgewerkt ten aanzien van het in artikel 5 neergelegde verbod op refoulement. Daaruit en de over Ararat door de Afdeling gedane uitspraak volgt dat verweerder bij het nemen van een terugkeerbesluit op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde beoordeling moet maken. Verweerder heeft dus een vergewisplicht en kan niet zonder geactualiseerde beoordeling op basis van de hem bekende feiten naar een eerder opgelegd terugkeerbesluit verwijzen . In het arrest Adrar verwijst het Hof naar haar hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak en herhaalt dat – kort gezegd – alle autoriteiten gedurende de gehele periode van tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen. 5.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar niet heeft onderzocht of beoordeeld of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen aan de orde zijn en mogelijk aan handhaving van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het daarop gebaseerde inreisverbod in de weg staan. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor geciteerde brief van de GGD van 14 november 2023, die in bezwaar is overgelegd, wel voldoende aanknopingspunten biedt dat eiser in Nederland een gezin heeft met (jonge) kinderen. Voor zover verweerder van mening was dat dit nader had moeten worden onderbouwd, had het volgens de hiervoor aangehaalde jurisprudentie op de weg van verweerder gelegen hier nader onderzoek naar te doen. Zoals overwogen in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 2025 volgt dat ook uit de jurisprudentie van het Hof ten aanzien van artikel 24, tweede lid, van het Handvest . Nu verweerder dit heeft nagelaten bevat het bestreden besluit op dit punt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. 5.3. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder had in bezwaar de gevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het daarop gebaseerde inreisverbod voor de belangen van de kinderen en het familieleven moeten onderzoeken en eiser daar in bezwaar over moeten horen. 6. Het beroep is al hierom gegrond. 6.1. Verweerder heeft op zitting verzocht om, indien door de rechtbank een gebrek op dit punt wordt vastgesteld, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op dit punt in stand te laten, omdat eiser het familie- en gezinsleven onvoldoende heeft onderbouwd en geen sprake is van een inbreuk daarop omdat eiser wist dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had en desondanks een gezin heeft gesticht. Dit komt voor rekening en risico van eiser. Wat betreft de kinderen van eiser, stelt verweerder dat het aan eiser was om te onderbouwen dat het voor zijn kinderen schadelijk zou zijn als zij zouden moeten terugkeren naar Turkije. 6.2. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. Zoals hiervoor al overwogen volgt uit de jurisprudentie van het Hof dat het aan verweerder is om, bij handhaving van een eerder opgelegd terugkeerbesluit en het op basis daarvan opleggen van een