Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-02
ECLI:NL:RBDHA:2026:29
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62747 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1972, Marokkaanse nationaliteit, V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. N. den Ouden), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: S.H.F. Pols). Procesverloop Verweerder heeft eiser op 20 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel en verzocht om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Badouri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en verblijft thans 42 jaar in Nederland. Bij besluit van 28 mei 2014 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken, een terugkeerbesluit vastgesteld en een inreisverbod met een duur van 10 jaar uitgevaardigd. Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft verweerder het inreisverbod met een duur van 10 jaar ingetrokken en een inreisverbod met een duur van 2 jaar uitgevaardigd. 2. Op 22 oktober 2024 heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit vastgesteld en daarin Marokko als land van terugkeer benoemd. Eiser is op 22 oktober 2024 in bewaring gesteld om de terugkeer naar Marokko te verzekeren. Verweerder heeft deze maatregel op 11 april 2025 uit eigen beweging na een belangenafweging te hebben verricht opgeheven. 3. De Marokkaanse autoriteiten hebben, na opheffing van deze voorgaande maatregel, een LP verstrekt ten behoeve de van de terugkeer van eiser in een gedwongen kader. De rechtbank heeft verweerder ter zitting verzocht om deze LP toe te voegen aan het dossier omdat de rechtbank kennis wil nemen van de geldigheidsduur van de LP. Verweerder heeft aangegeven dat deze LP niet aan het dossier mag worden toegevoegd zonder toestemming van DT&V en dat een mogelijke toestemming afhankelijk is van de beperkingen die de LP-verstrekkende autoriteiten hiervoor hanteren. De rechtbank heeft verweerder daarop verzocht voor te lezen wat er in de LP staat vermeld over de termijn waarbinnen de terugkeer met deze LP kan worden geëffectueerd. Verweerder heeft aangegeven dat op de LP is vermeld dat deze een geldigheidsduur van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 heeft. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 niet heeft verwijderd. 5. Eiser is op 20 december 2025 na een strafrechtelijke aanhouding terzake artikel 447e Sr door de Avim overgenomen en aansluitend in bewaring gesteld. In de maatregel is onder meer vermeld dat eiser is ingeschreven in de BRP en is vermeld op welk adres dit is. 6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft in de maatregel als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 7. Eiser voert aan dat uit de toelichting bij zware grond 3a niet volgt dat deze grond feitelijk op hem van toepassing is. De grond is onvoldoende gemotiveerd. Bovendien heeft eiser direct voorafgaand aan zijn illegale verblijf in Nederland, rechtmat Uit het dossier blijken geen indicaties dat eiser niet zou wonen en verblijven op dit adres en verweerder heeft dit ook niet in de maatregel vermeld. Het is dus niet zo dat eiser ‘met onbekende bestemming’ was vertrokken en de uitvoering van het terugkeerbesluit met gebruikmaking van de LP niet kon plaatsvinden omdat eiser niet beschikbaar was voor terugkeer. 13. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder weliswaar bevoegd was om eiser te verwijderen, maar dat dit geen verplichting is en dat het niet verwijderen toen hij in het bezit van een LP was geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de thans te toetsen maatregel. De rechtbank is het hier niet mee eens. 14. Eiser heeft niet voldaan aan zijn terugkeerverplichting en is ook niet voornemens dat op enig moment uit eigen beweging wel te gaan doen. Eiser heeft dit ter zitting op vragen van de rechtbank bevestigd. Eiser heeft daarbij ook op vragen van de rechtbank verklaard geen inspanningen te zullen leveren om zijn verblijf te regulariseren, maar “te berusten in zijn illegale verblijf en rustig af te wachten”. De rechtbank heeft eiser gewezen op zijn terugkeerverplichting, maar overweegt dat de houding van eiser zich wellicht ook laat verklaren doordat eiser heeft ervaren dat hij, nadat zijn verblijfsrecht vanwege strafrechtelijke veroordelingen is ingetrokken, inmiddels ten tijde van de onderhavige uitspraak 12 jaar zijn illegale verblijf in Nederland heeft kunnen voorzetten. Eiser heeft dus een terugkeerverplichting maar doordat eiser niet hier niet uit eigen beweging aan voldoet, is verweerder verplicht om eiser te verwijderen. Dit volgt uit richtlijn 2008/115 en het loyaliteitsbeginsel. De rechtbank wijst in dit verband op de navolgende overwegingen in het arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ (arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9). (…) 79 Volgens de rechtspraak van het Hof verplicht artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de lidstaten ertoe om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land maar deze niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan, ongeacht of dat het geval is binnen de voor vrijwillig vertrek toegestane termijn dan wel of geen termijn daarvoor is toegekend, teneinde de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene, namelijk diens fysieke verwijdering uit die lidstaat volgens artikel 3, punt 5, van die richtlijn (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 33). 80 Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten, zoals volgt uit zowel hun loyaliteitsplicht als de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 in herinnering worden gebracht, zo spoedig mogelijk moeten voldoen aan de hun bij artikel 8 van die richtlijn opgelegde verplichting om bedoelde onderdaan in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen te verwijderen (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 34). (…) 15. De rechtbank overweegt dat verweerder -in strijd met bovenstaande verplichting- geen enkele inspanning heeft geleverd om eiser in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 te verwijderen. Verweerder heeft hier geen verklaring voor gegeven. De rechtbank overweegt dat uit deze handelwijze van verweerder blijkt dat verweerder kennelijk niet een groot belang toekent aan de verwijdering van eiser. Verweerder heeft na het verlopen van de geldigheid van de LP ook niet aanstonds aan de Marokkaanse autoriteiten verzocht om afgifte van een nieuwe LP en verweerder heeft ook geen andere inspanningen geleverd om de terugkeer van eiser te bewerkstelligen. Verweerder heeft weliswaar terecht aangegeven dat op eiser nog steeds een terugkeerverplichting rust. Dit betekent evenwel niet dat verweerder een afwachtende houding kan aannemen en de voorbereiding van Het betekent wel dat verweerder zeer goed moet motiveren waarom hij, na het eenvoudigweg niet gebruiken van een door verweerder gedurende een eerdere inbewaringstelling verzochte en na de opheffing daarvan verkregen LP, op dit moment is overgegaan tot oplegging van de maatregel. Verweerder is hierin niet geslaagd. 19. Verweerder heeft na de opheffing van de voorgaande maatregel geen inspanningen geleverd om het terugkeerbesluit uit te voeren. Verweerder heeft zijn vertrekhandelingen beperkt tot het in ontvangst nemen van de reeds aangevraagde LP. Pas nadat eiser strafrechtelijk is aangehouden en verweerder hierover wordt geïnformeerd, wordt beslist dat eiser in bewaring moet worden gesteld om de terugkeerprocedure weer te hervatten. De vraag die dan onvermijdelijk opkomt, is de vraag of het dan noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om eiser daarvoor in bewaring te stellen. 20. De eerdere maatregel is opgeheven op grond van een belangenafweging waarin de doorslag heeft gegeven dat eiser zelf niet de bespoediging van de terugkeer kon bewerkstelligen, aldus verweerder ter zitting. In de maatregel is hierover niets te vinden en ontbreekt ook een motivering waarom het noodzakelijk is om eiser in bewaring te stellen. De rechtbank kan op grond van de maatregel, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen of verweerder meent dat eiser nu wel zijn terugkeer kan bespoedigen. Verweerder heeft eiser op 20 december 2025 in bewaring gesteld en blijkens de aanbiedingsbrief op 23 december 2025 de DIA gevraagd om in contact te treden met de Marokkaanse autoriteiten omtrent de afgifte van een nieuwe LP en op 29 december 2025 de verlopen LP naar het Marokkaanse consulaat in Amsterdam gebracht. In de maatregel ontbreekt elke motivering waarom eiser in bewaring moet worden gesteld en gehouden om deze handelingen te verrichten. Verweerder heeft op 24 december 2025 weliswaar een vertrekgesprek met eiser gehouden. De rechtbank kwalificeert dit gesprek als een vertrekhandeling en de regievoerder heeft eiser niet alleen goed geïnformeerd over zijn rol en het verwachte verloop van de huidige fase van de terugkeerprocedure, maar ook door het stellen van gerichte vragen ruim voldoende aandacht besteed aan de proceshouding van eiser, zijn welbevinden en de mogelijkheid om met financiële ondersteuning terug te keren door deelname aan het EURP (European Union Reintegration Programme). De rechtbank vermag echter niet in te zien waarom dit gesprek, dat blijkens de verslaglegging 20 minuten heeft geduurd, niet zou hebben kunnen plaatsvinden zonder de maatregel op te leggen. Verweerder had er na het bewaringsgehoor ook voor kunnen kiezen om eiser uit te nodigen voor een vertrekgesprek in combinatie met de oplegging van een meldplicht. 21. De rechtbank overweegt dat gelet op al het bovenstaande de indruk ontstaat dat het opleggen van de maatregel meer een standaardmatige reactie is geweest op de overname uit de strafrechtketen van een illegaal verblijvende vreemdeling en dat hier niet het grondige onderzoek dat is vereist alvorens de vrijheid te ontnemen aan ten grondslag heeft gelegen. Deze indruk wordt versterkt door de summiere standaardmatige motivering in de maatregel, die de rechtbank mede daarom onvoldoende deugdelijk acht. 22. Uit de Afdelingsjurisprudentie volgt dat -kort gezegd- uit de zogenoemde ‘zware gronden’, indien deze feitelijk juist zijn, zonder meer in elke procedure en ten aanzien van elke vreemdeling een onttrekkingsrisico blijkt. De rechtbank overweegt dat deze Afdelingsjurisprudentie in de onderhavige procedure, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, niet onverkort van toepassing kan worden geacht. Zware grond 3a is feitelijk juist. Eiser is immers zonder toestemming en dus niet op de voorgeschreven wijze Nederland ingereisd. Omdat deze inreis echter 42 jaar geleden heeft plaatsgevonden en eiser ten tijde van de inreis 11 jaar oud was, had in de maatregel aanvullend moeten worden gemotiveerd waaro Indien verweerder meent dat eiser zich onmiddellijk na zijn vrijlating op 11 april 2025 bij de Korpschef had moeten melden omdat dit uit de vreemdelingenwetgeving volgt, valt in het geheel niet in te zien waarom verweerder eiser geen meldplicht heeft opgelegd en waarom verweerder eiser niet heeft verwijderd nadat hij op 8 mei 2025 een LP heeft verkregen. Verweerder heeft aan het niet vanaf 12 april 2025 melden door eiser kennelijk geen gewicht toegekend anders had verweerder eiser in april 2025 wel schriftelijk ontboden om te verschijnen in plaats van te wachten totdat eiser in de strafrechtketen verschijnt en vervolgens het opleggen van een maatregel moet worden gemotiveerd. De omstandigheden die aan de motivering van zware grond 3b ten grondslag zijn gelegd zijn dus feitelijk juist, maar de conclusie van verweerder dat hieruit volgt dat eiser zich heeft onttrokken aan het toezicht en er daarom een onttrekkingsrisico bestaat is onjuist en kan niet dienen ter onderbouwing van de maatregel. Uit de Afdelingsjurisprudentie volgt dat de lichte gronden nader moeten worden toegelicht om aan de maatregel ten grondslag te kunnen liggen. De rechtbank overweegt dat verweerder dit onvoldoende heeft gedaan. In de maatregel is gemotiveerd dat eiser beschikt over € 70,- en dat eiser “door zijn onbemiddeld verblijf in een vreemd land, ten eerste een onwettige situatie heeft gecreëerd waarbij een risico tot onttrekking aan toezicht evident is en ten tweede daardoor blijk geeft niet voornemens te zijn op eigen gelegenheid te vertrekken.” De rechtbank overweegt dat deze motivering niet is toegespitst op de feitelijke situatie en de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Eiser verblijft immers reeds 42 jaar in ‘dit vreemde land’ en heeft een vaste woonplaats waarvan het adres is geregistreerd in de BRP. Eiser huurt de woning van de woningbouwvereniging en heeft verklaard dat een kennis hem helpt met het voldoen van de vaste lasten. Dit betekent dat alleen zware grond 3c resteert en 1 zware grond is onvoldoende om de noodzaak van een bewaringsmaatregel te onderbouwen. Uit het dossier blijkt wel dat eiser niet uit eigen beweging inspanningen verricht om terug te keren, maar blijkt niet dat eiser op enig moment of enige wijze de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Omdat in de maatregel onvoldoende is onderbouwd dat het belang van de openbare orde de oplegging van de maatregel vordert, is de noodzaak van de oplegging van de maatregel onvoldoende gemotiveerd. Dit leidt op zichzelf bezien tot opheffing van de maatregel. 23. Daargelaten dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd dat het noodzakelijk is om eiser in bewaring te stellen om de verwijdering voor te bereiden dan wel uit te voeren, is ook niet deugdelijk onderzocht of de toepassing van een lichter mogelijk was zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om het terugkeerbesluit te effectueren. Het is onvoldoende om te wijzen op de proceshouding van eiser en aan te geven dat eiser niet uit eigen beweging zal terugkeren naar Marokko. Het is weliswaar evident dat dit nimmer zal geschieden, maar dit betekent niet dat de bewaring noodzakelijk is om gedwongen terugkeer mogelijk te maken. De fysieke aanwezigheid van eiser in het DTC in Rotterdam is niet nodig om een vertrekgesprek te houden en om bij het consulaat in Amsterdam een nieuwe LP te vragen en de verlopen LP te overhandigen. De rechtbank vermoedt dat de regievoerder terecht heeft ingeschat dat een nieuwe LP op korte termijn te verwachten valt. In de maatregel ontbreekt de motivering waarom de maatregel noodzakelijk is om een nieuwe LP aan te vragen en op de afgifte hiervan te wachten. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser zowel in het bewaringsgehoor als ter zitting heeft verklaard dat hij ‘ooit’ zijn paspoort heeft moeten overhandigen aan verweerder en dat verweerder dit niet betwist. De DT&V vult de daartoe benodigde papieren zelf in en de DIA brengt deze papieren en de verlopen LP zelf n