Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:25062
ASR. Toepassing jeugdstrafrecht. Teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor goederen. Partiële vrijspraak van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen. Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-076895-26 Datum uitspraak: 27 augustus 2026 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , BRP-adres en verblijfsadres: [adres 1] , [woonplaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzittingen van 25 juni 2026 (regie) en 13 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling). De officier van justitie in deze zaak is mr. R.P. Tuinenburg en de raadsman van de verdachte is mr. M. Landsman te Utrecht. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte op 13 maart 2026 in Den Haag opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht met gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen, met uitzondering van het te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het feit, zoals het bewezen zal worden verklaard, namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026086119, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 151). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 augustus 2026; 2. Het proces-verbaal van aangifte ( [aangever 1] ), opgemaakt op 13 maart 2026 (p. 23-26); 3. Het proces-verbaal van aangifte ( [aangever 2] ), opgemaakt op 13 maart 2026 (p. 27-30). 3.4 Bewijsoverwegingen Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel De rechtbank moet de vraag beantwoorden of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar waren. Uit het dossier blijkt dat er op 13 maart 2026 rond drie uur ’s nachts stukken vuurwerk en flessen benzine op twee ruiten aan de [adres 2] en [adres 3] zijn geplakt, waarna het vuurwerk is ontstoken. In de buurt aanwezige agenten en omwoners hoorden knallen en hebben een oranje gloed of vlam gezien. Na de ontploffingen waren de ruiten waarop het vuurwerk geplakt was nog heel en waren daarop zwarte vegen te zien. Aan de genoemde adressen waren een wasserette en een barbershop gevestigd. Boven de wasserette en de barbershop bevonden zich woningen. De rechtbank kan op basis van deze omstandigheden niet vaststellen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar te duchten was. Hoewel de ontploffingen zeer beangstigend moeten zijn geweest, kan de rechtbank niet vaststellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voorzienbaar was. In de wasserette en barbershop waren op het tijdstip van de ontploffingen geen mensen aanwezig en de ontploffingen lijken ook slechts een korte vlam of gloed te hebben veroorzaakt, waarna geen verdere brand is ontstaan. De rechtbank kan daarom evenmin vaststellen dat de ontploffingen gevaar hebben opgeleverd voor de mensen die boven de wasserette en de barbershop wonen. De rechtbank zal de verdachte daarom (partieel) vrijspreken van het ten laste gelegde te duchten levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 13 maart 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief af te laten gaan bij twee winkelpanden gelegen aan de [adres 2] en [adres 3] te Den Haag, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten die winkelpanden en voor de zich in en in de omgeving van die winkelpanden bevindende goederen te duchten was. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De op te leggen straffen 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – met toepassing van het jeugdstrafrecht – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 82 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: begeleiding van de jeugdreclassering, een avondklok met een maximum van 3 maanden, dagbesteding en begeleiding van een coach. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van leerstraf Tools4U (25 uren) en 75 uren werkstraf. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt de straf ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen, omdat volgens de raadsman geen sprake is geweest van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft ontploffingen veroorzaakt door op de ruiten van twee bedrijven (een barbershop en een wasserette) vuurwerk en flessen benzine te plakken. Hier zijn omwonenden van geschrokken en de bedrijven zijn als gevolg van de explosies op last van de burgemeester tijdelijk gesloten. De eigenaren van de wasserette en de barbershop worstelen ermee dat zij nog steeds niet weten waarom de ontploffingen bij hun bedrijven hebben plaatsgevonden. Het plegen van aanslagen met combinaties van vuurwerk en flessen brandstof is een maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij niet heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor anderen, maar alleen over het geld dat hij zou verdienen. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Dit heeft verder geen invloed op de strafoplegging, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 31 juli 2026 van Reclassering Nederland. Daaruit volgt – kort samengevat – dat geadviseerd wordt om het jeugdstrafrecht toe te passen, omdat er sprake is van problematische beïnvloedbaarheid en impulsiviteit bij de verdachte en hij nog ontvankelijk lijkt voor pedagogische beïnvloeding. De kans dat de verdachte nogmaals strafbare feiten zal plegen, wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. De verdachte heeft zich tijdens zijn schorsing positief ontwikkeld en is gemotiveerd voor gedragsverandering. Het is van belang dat er nog verder gewerkt wordt aan het verminderen van zijn beïnvloedbaarheid door problematische leeftijdsgenoten. Daarom wordt geadviseerd om de leerstraf Tools4U op te leggen en daarnaast een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Op de zitting heeft de jeugdreclassering naar voren gebracht dat de verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis goed heeft meegewerkt aan het toezicht. Toepassing van het jeugdstrafrecht De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank ziet daar aanleiding toe in het rapport van de reclassering en het feit dat hij zich positief lijkt te ontwikkelen onder begeleiding van de jeugdreclassering. De verdachte gaat daarnaast nog naar school en lijkt nog pedagogisch te beïnvloeden. De rechtbank past daarom het jeugdstrafrecht toe. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt er in het opleggen van de straf rekening mee dat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank ziet gezien de ernst van het feit geen andere passende reactie dan het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. De rechtbank zal een jeugddetentie opleggen van 82 dagen, waarvan 60 voorwaardelijk met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte nu niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om de leerstraf Tools4U in de verlengde variant (30 uren) op te leggen, zodat de verdachte zijn (sociale) vaardigheden verder kan ontwikkelen zodat de kans dat hij opnieuw in de fout gaat verder afneemt. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen van 50 uren, zodat de verdachte ook nog directe consequenties ervaart van zijn handelen. 7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel [aangever 1] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door [naam] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 19.700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op ± € 17.200,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op de materiële posten raam (± € 2.500,-), raambestickering (€ 1.200,-), gemist huurgenot (€ 2.500,-), stoelverhuur (€ 1.000,-) en inkomstenderving (€ 10.000,-). Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. [aangever 2] , vertegenwoordigd door mr. D.M.P. van Eijsden en ter terechtzitting bijgestaan door mr. R.A. Kaarls, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 6.550,72, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op de materiële posten gemist huurgenot (€ 2.909,72), gemiste winst (€ 2.791,-) en doorbetaling huur wasmachine (€ 850,-). Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie [aangever 1] De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de post raambestickering (€ 1.200,-), gemist huurgenot (€ 2.500,-) en inkomstenderving (€ 2.500,-) met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie vraagt om voor de inkomstenderving gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid en uit te gaan van een bedrag van € 2.500,-. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [aangever 2] De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering van benadeelde partij [aangever 2] met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging [aangever 1] De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering tot immateriële schadevergoeding en de materiële posten voor het raam en de raambestickering, omdat het niet duidelijk is of er sprake is van schade die rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. De verdediging vraagt om de post inkomstenderving af te wijzen en subsidiair om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in dat deel van de vordering. [aangever 2] De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de posten gemist huurgenot en de gemiste omzet onvoldoende onderbouwd zijn en dat verdere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafproces zouden opleveren en dus niet-ontvankelijk zouden moeten worden. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [aangever 1] – raam en raambestickering De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten raam en raambestickering, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Uit een namens de heer [aangever 1] (en [aangever 2] ) ingediende brief aan de gemeente blijkt dat een van de ramen van de winkel al voor het incident gebarsten was. Ook blijkt uit het dossier niet dat de bestickering op de ruit door de ontploffing beschadigd was en moest worden vervangen. De kosten voor het raam en raambestickering zijn om die reden geen rechtstreeks gevolg van het door de verdachte gepleegde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaring in dit deel van de vordering. [aangever 1] – inkomstenderving De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post inkomstenderving, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Ter onderbouwing van de vordering zijn er handgeschreven kasboeken ingediend met daarop de inkomsten van het bedrijf, die per maand sterk uiteen lopen. De rechtbank vindt deze kasboeken onvoldoende duidelijk om op basis daarvan een gemiddelde maandomzet te schatten. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. [aangever 1] – stoelverhuur De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor zover die ziet op de stoelverhuur, namens de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) is betwist en namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. In de kasboeken is duidelijk zichtbaar dat elke maand voor 2x € 500,- aan stoelverhuur binnenkomt, hetgeen vanwege de sluiting van het bedrijf gedurende één maand niet meer gebeurde. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van een bedrag van € 1.000,-. [aangever 1] – gemist huurgenot De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘gemist huurgenot’, is namens de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) betwist en door en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Namens de benadeelde is een huurovereenkomst overlegd, waaruit blijkt dat hij maandelijks €2.500,- huur moet betalen voor zijn bedrijfsruimte, waarvan hij vanwege de sluiting van het pand geen gebruik kon maken. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 2.500,-. [aangever 1] – immateriële schade De rechtbank zal de benadeelde partij, voor zover de vordering betrekking heeft op de post immateriële schade, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij heeft zijn stelling dat hij psychische klachten heeft naar aanleiding van de ontploffing, onvoldoende onderbouwd. Evenmin brengen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. [aangever 1] - totaal De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.500,-, bestaande uit materiële schade. [aangever 2] – gemiste winst en doorbetaling huur wasmachines De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten gemiste winst en doorbetaling huur wasmachines, is namens de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De benadeelde heeft door middel van het indienen van resultatenrekeningen en zijn aangifte inkomstenbelasting aangetoond wat de gemiddelde winst van de wasserette is per maand. Dat er op hetzelfde adres een (inactief) garagebedrijf gevestigd is dat ook op naam van [aangever 2] staat, doet daar niet aan af. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen (€ 2.791,- en € 850,-). [aangever 2] - gemist huurgenot De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘gemist huurgenot’, zal door de rechtbank gedeeltelijk worden toegewezen. Namens de benadeelde partij is onderbouwd dat er maandelijks een bedrag van € 3.735,- aan huur wordt betaald voor de bedrijfsruimte aan de Pletterijkade, waar de omzetbelasting nog vanaf wordt getrokken. Uit de aangifte van de heer [aangever 2] blijkt dat het bedrijfspand nu is opgesplitst en dat de Barbershop van de heer [aangever 1] gevestigd is op [adres 3] . In het dossier zit een overeenkomst waaruit blijkt dat de heer [aangever 1] maandelijks € 2,500,- betaalt aan de heer [aangever 2] voor het huren van winkelruimte. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank daarom worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 409,72 (het gevorderde bedrag minus € 2,500,-). [aangever 2] - totaal De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.050,72, bestaande uit materiële schade. [aangever 1] en [aangever 2] - Wettelijke rente De rechtbank zal de door beide benadeelde partijen gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskostenveroordeling verdachte Nu de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van zijn mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel – [aangever 1] Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] . Schadevergoedingsmaatregel – [aangever 2] Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.050,72, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 10 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: 36f, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 12 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: opzettelijk een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was ; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straffen veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 82 dagen; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zijnde 22 dagen , bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, 60 dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: 1. zich gedurende de proeftijd meldt bij SAVE Jeugdbescherming te Utrecht op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht; 2. gedurende maximaal 3 maanden van de proeftijd van 23.00 uur tot 07.00 uur aanwezig is op zijn huisadres: [adres 1] , [woonplaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. De jeugdreclassering is gerechtigd de tijdstippen aan te passen; 3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach van Stichting JOU of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt; 4. gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft; geeft opdracht aan SAVE Jeugdbescherming te Utrecht, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. veroordeelt de verdachte daarnaast tot: een taakstraf , bestaande uit een leerstraf , zijnde het volgen van een leerproject, te weten Tools4U Verlengd , voor de duur van 30 uren ; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen ; veroordeelt de verdachte daarnaast tot: een taakstraf , bestaande uit een werkstraf , zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 50 uren ; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen ; de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] gedeeltelijk hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 3.500,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; verklaart de benadeelde [aangever 1] partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangever 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 1] te betalen € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] gedeeltelijk hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 4.050,72, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; verklaart de benadeelde [aangever 2] partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangever 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 2] te betalen € 4.050,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; het bevel tot voorlopige hechtenis heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Dit vonnis is gewezen door: mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, voorzitter, mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 augustus 2026. Bijlage 1 Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 13 maart 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief af te laten gaan bij/aan twee, althans een of meer, winkelpand(en) gelegen aan de [adres 2] en/of [adres 3] te Den Haag, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten dat/die winkelpand(en) en voor de zich in en in de omgeving van dat/die winkelpand(en) bevindende goederen en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de boven en/of in de nabijheid van dat/die winkelpand(en) gelegen woning(en) te duchten was.